Mediatijdlijn van de Amsterdamse tram
Geheugen van de Amsterdamse tram

<< naar intro mediatijdlijn

door naar 1904 >>

Share |

MEDIATIJDLIJN AMSTERDAMSE TRAM 1903
door Cees Pot
e-mail:
ceespot@amsterdamsetrams.nl

1903

(Voor dit jaar heb ik op de site van de Koninklijke Bibliotheek in de voor onderzoek ter beschikking staande kranten geen berichten kunnen vinden voor de periode tussen 1 mei en 1 september)


1903
1-1-1903
Nog altijd is er vals geld in omloop. Een tramconducteur was gisteren weer de dupe. Hij vond bij het natellen van zijn geld een valse gulden in zijn beurs. Het nagemaakte geldstuk, dat de beeltenis droeg van Koning Willem II, werd door hem gedeponeerd bij de politie op het J. D. Meijerplein.

5-1-1903
De Gemeentetram vervoerde in 1902 25,855,384 passagiers, tegen 25,576,796 in 1901.
Het bouwen van de remise voor de gemeente-tramdienst is gegund aan de minsten inschrijver, de Heer W. Ditslager, alhier.

6-1-1903
De tramkoetsiers en conducteurs van de lijn Sarphatistraat—Dam—Centraal Station en Centraal Station—Dam—Weesperpoort ontvingen dezer dagen van de Heer d. B. door bemiddeling van de onderinspecteur van die lijnen ƒ 10.—.

8-1-1903
Ingezonden.
Russische Toestanden bij de Tramdienst
Hooggeachte Redactie.
't Zij mij vergund u opmerkzaam te maken op de gebreken in de tramdienst op de lijn „Dam— Linnaeusstraat", ter plaatse van de „Blauwbrng", welke een gevolg zijn van de werkzaamheden ter versterking van de brugconstructie. Komt men 's avonds uit de stad, zonder in de noodzakelijkheid te zijn geweest tot naar de Dam te gaan, dan loopt men kans in weer en wind een half uur en misschien langer, midden op de „Blauwbrug" te moeten wachten, zonder enige beschutting. Dit feit overkomt ieder, die veel van deze lijn gebruik maakt en niet tot de gelukkigen behoort, die op de Dam in kunnen stappen. Heeft men, zoals het ondergetekende overkwam, vier pasjes in de zak, en is men gegaan tot de „Blauwbrng", dan heeft men dezelfde kans en staat men met vrouw en kleine kinderen aan weer en wind blootgesteld op een open vlakte. Wil men dan in een ledig staande tram stappen, dan wordt men door iemand zonder uniform, waarvoor men dus de eerste den beste zou kunnen in de plaats stellen, fatsoenlijk uit de tram gezet en heeft men op niemand enig verhaal, ook al moet men 5 of 6 trams afwachten. Hierdoor heeft het „Dampubliek", dat grotere afstanden aflegt, veel meer rechten dan het „Blauwbrug-publiek", dat in verhouding het dubbele betaalt. Is nu de tramdienst „Dam—Linnaeusstraat" alleen voor passagiers van de „Dam", of omgekeerd, of ook voor hen, van de „Blauwbrug"? Men zou het eerste moeten denken, terwijl dit in geen geval de bedoeling kan noch mag zijn. In ieder geval meen ik te mogen verwachten, dat het personeel, dat tot de tramdienst behoort, van een uniform wordt voorzien, desnoods een geleend kostuum, waardoor het aanspraak krijgt op rechten en plichten tegenover het publiek. Daarvoor alleen kan men iets gevoelen, desnoods eerbied hebben, niet voor de eerste de beste, noch voor een door en door sleohte regeling. Waar een buiten het corps ambtenaren staand burger er niet over kan oordelen of de werkzaamheden aan genoemde brug lang of kort zullen duren, waag ik nog de vraag, of het niet mogelijk is. evenals elders het geval is geweest, tijdelijk hulpsporen aan te brengen. Plaatst men een wachthuisje en een groot bord met reglementering van de dienst ter plaatse waar deze abnormaal is, dan weet het publiek spoedig, waaraan het zich heeft te houden. De nu bestaande regeling geeft aanleiding tot „ergerlijke" tooneelen, zoals ik van de „ambtenaren” hoorde, „zelfs tot vechtens toe ", en raken daardoor ook de ambtenaren zodanig van streek, dat niet op de hoogte zijnde dames door het personeel van de tram in de modder worden gedrongen, omdat zij aan de „zogenaamde" verkeerde zijde instappen, terwijl nergens aan is te zien wat de „goede" zijde is. Bovendien bemerkt men dat men „tussen de sporen" moet instappen, terwijl het overal elders verboden is „tussen de sporen” in- of uit te stappen.
Aan wie al deze fouten te wijten zijn, is mij onbekend, doch wel is mij bekend, dat de grootste onaangenaamheden, ongelukken en processen-verbaal daarvan het gevolg kunnen zijn.
Met de meeste hoogachting,
uw dw. dh. J. P.

14-1-1903
IJS.
Het ijs op de banen van de „Amsterdamsche IJsclub" is thans 3 cm dik, op sommige plaatsen zijn echter nog wakken. Als 't blijft vriezen, zullen hoogstwaarschijnlijk de banen overmorgen opengesteld worden. De beurt om de ijswereld te verbazen is ditmaal aan de ijsbaan ..Linnaeuspark-kwartier", want als 't blijft vriezen, opent zij morgen reeds. Het ijs is vrij goed, zonder wakken, hier en daar nog wat hobbelig, wat echter afgeschaafd wordt. De ronde, gele schijven op de trams zullen de opening aankondigen.

15-1-1903
IJS.
Op de banen van de ijsclub in het Linnaeuspark werd vandaag al druk van het heerlijk wintervermaak genoten. De vorst van de afgelopen nacht heeft het ijs van de Amsterdamsche IJsclub dubbel zo dik gemaakt, 't Is thans 6 cM. Als 't nu zo blijft met het weer, behoeven de leden van de banen achter het Rijks-Museum geen vrees te hebben voor morge., 't Is dan vrij zeker, dat behalve de gele ook rode vlaggetjes op de trams zullen staan.

Transportarbeidersstaking
Door de arbeiders wordt geëist: Erkenning van het verenigingsrecht, herstel van de vroegere arbeidstijd, hoger loon en afschaffing van het straf- en boetestelsel.
Om al deze punten, al is 't ook franje — zeide de Heer Van Haren Noman (directeur van Blaauwhoedenveem) ons — gaat het thans eigenlijk niet. Het is alleen te doen om de macht en het beheer, waarvoor de arbeiders al gedurende drie jaren werken. Thans schijnen zij zich sterk genoeg te voelen om weer de strijd te beginnen. Op onze vraag of de directie ingaat op de gestelde eischen, kon de Heer Van Haren Noman geen »ja«, doch ook geen »neen« zeggen. Enige honderden bootwerkers maakten hedenmiddag een wandeling door de stad. Op de Prins Hendrikkade bleef de menigte af en toe voor enkele cargadoorskantoren staan. Daar werd dan gefloten, geschreeuwd en gescholden. Dit was weer het geval dicht bij de Geldersehekade. Over de brug kwam een tram, waarin een cargadoor zat, die zich naar de Beurs wilde begeven. Het was dezelfde heer, die onlangs op de Prins Hendrikkade bij de Foeliestraat werd lastig gevallen. Toen de stakers hem in het oog kregen, werd onder luid gejoel en geschreeuw de tram achtervolgd. Een der bestuursleden van de organisatie sprong er op en nam plaats naast de hevig geschrokken cargadoor. Men zag, dat van weerszijden zeer luide woorden van protest geuit werden. Middelerwijl hadden de stakers de tram tot staan weten te brengen door zich van de rem meester te maken, 't Werd een benauwd en angstig ogenblikje voor de passagiers. De conducteur en koetsier stonden machteloos tegenover de woeste bende. Door het flinke optreden van een viertal rechercheurs, kon de tram weer doorrijden en werden enige belhamels er uit geworpen. Dit ging zo gemakkelijk niet, want telkens zag men, dat een rechercheur, die in den ingang stond met een revolver in de hand, herhaaldelijk gestompt en getrapt werd. Even vóór het Centraal-Station wisten de stakers weer de tram tot staan te brengen. Indien toen niet spoedig politie was komen aansnellen, zouden denkelijk ernstiger dingen gebeurd zijn. Een vijftal politieagenten, die op de wagen gesprongen, waren, wisten nu met de sabel de bootwerkers op een afstand te houden, die dan ook spoedig afdropen.
De wandeling werd vervolgd langs de De Ruyterkade, waar lange tijd vertoefd werd voor de kantoren van de Kon. West-Indische Maildienst. Langzamerhand verspreidden de lieden zich. In de omtrek van de Dam, en vooral bij de Beurs, werd vanmiddag door de politie scherp toezicht gehouden. De posten waren daar verdubbeld. Bij het aflopen van de Beurs was 't zeer druk. Een groot aantal politieagenten onder bevel van een inspecteur was daar aanwezig, benevens enige bereden agenten, om dadelijk bij mogelijk voorkomende ongeregeldheden te kunnen optreden. Een directeur van een veem keerde per rijtuig en vergezeld van enige rechercheurs naar zijn bureau terug. Het rijtuig werd nu door een tweetal ruiters geëscorteerd.

16-1-1903
Gemeenteraad
Vóór de behandeling van de agenda bracht de Heer Zeehandelaar enige klachten over het tramverkeer ter .sprake, n.l. het z.i. nodeloos bemoeilijkte tramverkeer over de Blauwbrug, toen deze brug, met het oog op elektrische trekkracht, versterkt werd, de langzame voortgang van de tramverlegging in de Muiderstraat — die inderdaad héél langzaam gaat — en de onbillijke tarieftoepassing op de lijn Centraal-station—Dam —Sarphatistraat, waar men, in dezelfden wagen blijvende zitten, dubbel betalen moet. De Voorzitter verdedigde die laatste maatregel, als zijnde het gevolg van een raadsbesluit en trachtte het overige van de klachten goed te praten met een beroep op de eisen van het overige verkeer, die aan de belangen van het tramverkeer niet mochten worden opgeofferd en op de kosten, welke een meer afdoende oplossing van de bezwaren zou hebben medegebracht.

19-1-1903
INGEZONDEN.
Mijnheer de Redacteur!
Nu het elektrische tramnet te Amsterdam zich voortdurend uitbreidt, wens ik de aandacht der bevoegde autoriteiten te vestigen op de schep, welke te Berlijn van voren aan de elektrische tramwagens is bevestigd, ter voorkoming van ongelukken. Het bevreemdt mij zeer, dat dit nuttig toestel alhier nog niet in gebruik is gesteld, daar het leven vooral van menig kind en dier daardoor in de toekomst gespaard zou worden. U dankzeggende voor de plaatsing dezer regeleü in uw geacht dagblad,
Hoogachtend,
Een dame, die kinderen en dieren liefheeft.

26-1-1903
Controle-Biljetten Tram.
Ingezonden.
Amsterdam, 22 Januari 1903. Mijnheer de Redacteur!
Vragensmoede en ten einde raad wend ik mij tot U, mijnheer de Redacteur, die voor uw lezers reeds zo menige duistere zaak tot klaarheid heeft gebracht.
De zaak is deze. Dagelijks beijveren zich mijn collega's, vrienden, kennissen en ook ondergetekende, om gebruikte kaartjes van de gemeentetram te verzamelen, n.l. de kaartjes voorzien van 't stadswapen, die de conducteurs ons geven in ruil voor de andere en waarop staat, dat zij bewaard moeten worden en op verlangen vertoond. Onze verzamelingen gaan voortdurend naar een groter verzamelaar, die ze weer met andere verenigt en zo doet de samenloop van vele kanaaltjes een brede stroom van kaartjes voortdurend vloeien. Waarheen? Dat is nu juist de vraag. Men heeft ons tot die verzameling doen besluiten ten behoeve van een dame, aan wie door een weldadig persoon een piano is toegezegd, mits zij een ik weet niet hoe groot aantal van die kaartjes levert. Al verzamelende is dikwijls bij ons de vraag gerezen, wie toch die dame kan zijn en wie die zonderlinge toezegging deed, doch niemand die ons daarop kon antwoorden. En als ik mij nu tot U wend, mijnheer de redacteur, dan. wil ik mijn vraag bescheiden inkleden en niet vragen: wie is die dame, wie is die persoon, want dat is misschien een geheim, maar alleen dit: is 't U bekend, of werkelijk door iemand een toezegging als boven bedoeld is gedaan en of de kaartjesstroom dus op een goed doel afgaat, — of wel, dat die dame enkel in onze fantasie bestaat, en de kaartjesstroom eenvoudig een cirkelgang- maakt. Mijn kindertjes, denkende aan die juffrouw, die toch zo graag een piano wou hebben, zoeken de kaartjes niet zelden van de straat op en stoppen mijn zakken vol. Zo mogelijk, mijnheer de redacteur, zeg mij, is dat alles misschien voor niemendal? Red ons uit die pijnlijke onzekerheid.
U bij voorbaat dankende:
Uw abonnee,
W. Denijs. Corn. Anthoniszstraat 19.
(Wij weten alleen, dat er verzameld wordt. Misschien weet iemand uit het grote publiek er meer van. Red.)

27-1-1903
Brand in de Planciusstraat
Terwijl de brandweer nog bezig was met in het steeds smeulende inwendige van de brandende gebouwen in de Planciusstraat water te geven, vielen te 2 uur van drie der pakhuizen de topgevels naar beneden. Dit geschiedde zoo onverwacht, dat de brandweerlieden, die er onder, stonden, nauwelijks de tijd hadden zich uit de voeten te maken en het gruis en de stenen op en naast hen neerploften, gelukkig zonder dat iemand gedeerd werd. Over de gehele lengte van de pakhuizen zijn deze over de twee bovenste verdiepingen geheel uitgebrand; natuurlijk heeft alles wat daar beneden ligt in niet geringe mate van het vuur en het water geleden. De elektrische tram moest, gelijk van zelf spreekt, de dienst gedeeltelijk staken. De wagens reden tot aan de Brouwersgracht. Er was een enorme menschenmassa op de been, die door dc bereden en onbereden politie onder leiding van den commissaris Fündter de Beauchene op de vereischten afstand gehouden werd. De brandweer heeft gisteren een zware taak gehad, maar heeft zich, gelijk men van haar gewoon is, loffelijk daarvan gekweten.

29-1-1903
Gemeenteraad, middagzitting van woensdag 28 januari.
Bij de ingekomen stukken was een
Verzoek van J. S. Meuwsen c.s., bewoners van de Leidschestraat alhier, dat met de werkzaamheden voor de verlegging der tramrails in die straat zo mogelijk mag worden aangevangen in de maand Juli, in plaats van in de maand Maart a.s.
Gesteld in handen van B. en W. ter afdoening, nadat de Wethouder Heemskerk heeft verklaard, dat B. en W. ernstig overwegen of aan het verzoek zal kunnen worden voldaan en de Heer Nolting zijn spijt daarover heeft betuigd, omdat vele grotere winkeliers ‘s zomers een villa hebben buiten de stad, waar zij alsdan heengaan en de kleinere de dupe worden van deze verkeersbelemmering; ook voor het verkeer naar het Vondelpark zullen de werkzaamheden belemmerend zijn, zoodat spr. liever had gezien dat zij in het voorjaar plaats hadden.
…………………….
Verzoek van J. B. M. Wijs en H. F. van de Parre, bewoners van de Leidschestraat, om de werkzaamheden, bedoeld in het sub 1° vermelde adres van J. S. Meuwsen c.s., juist in Maart en niet in de zomermaanden te doen plaats hebben.
In handen van B. en W. ter afdoening.
Verzoek van het Bestuur der “Vereeniging Rokin” c.s., om de steundraden voor de electrische tram langs het Rokin niet aan de huizen te doen bevestigen, doch, als er geen onoverkomelijke bezwaren. tegen bestaan, het systeem te volgen, dat op het Damrak is toegepast.
In handen van B. en W. ter afdoening.

3-2-1903
Ingezonden
Amsterdam, 29 Jan. 1903.
Mijnheer de Redacteur!
Geruime tijd heeft het mijn aandacht getrokken, hoe treurig de voermansstand in Amsterdam zich van zijn verplichtingen kwijt. Het is mijn doel niet hiervan de schuld op de politie te werpen, integendeel; doch wel te wijzen op de kleine straffen, waarmede voerlieden bij overtreding gestraft worden. Wat geeft b. v. eene boete van 50 cents, daar, waar mensenlevens ïn gevaar worden gebracht? De straf is niet in verhouding tot het gepleegde feit, gevangenisstraf zou hier beter van pas zijn. Aanleiding tot dit schrijven gaf mij het volgend geval. Zondagavond 25 Januari reed een koetsier, komende uit de richting Leidscheplein, tegen een in volle gang zijnde tram aan, met het gevolg dat hij van de bok werd geslingerd en het rijtuig nog al erg beschadigd werd. Enige voorbijgangers, die de koetsier te hulp snelden, constateerden dat hij beschonken was; de familie, door de koetsier uit de schouwburg gehaald, kwam met de schrik vrij en ging te voet naar huis.
Nu is mijn vraag, moest de politie niet het recht hebben gehad die koetsier aan de schouwburg te arresteren om ongelukken te voorkomen? Nu liep alles nog goed af en bekwam men sleohts materiële schade. Doch stel u voor dat zo’n ongeluk plaats vond op een brug of gracht, zeer zeker zouden er mensenlevens zijn te betreuren geweest. Wanneer men het gedrag der koetsiers gadeslaat des avonds bij het uitgaan der schouwburgen, Carré, enz. zal men zich meermalen kunnen ergeren. En de politie staat hiertegenover vrijwel machteloos, de voerlieden schelden, ja gebruiken de politieagent voor voetveeg, wel wetende, dat zij weinig of geen straf bekomen.
Alleen maatregelen van ingrijpende aard zouden hierin verandering kunnen te weeg brengen. Stalhouders, voerlieden, enz. moet men aan een strenge controle onderwerpen, wat voor volk in dienst genomen wordt, hoe het gedrag in de stal is enz. in het bijz. dronkenschap moet men streng straffen. Op het punt van bekwaamheid vooral wordt de politie misleid. lemand b.v. die nimmer voerman geweest is maar loopknecht of iets van die aard, moet soldaat worden en wordt b. v. huzaar. Zo iemand komt uit dienst en wil voerman worden. Hij vraagt óf persoonlijk, óf door een goede kennis, de handtekening van een patroon tot het verkrijgen van een rijbewijs, dat de politie hierop afgeeft en de voerman is gemaakt. Waarom bestaat er geen commissie, samengesteld uit deskundigen, die een soort examen afneemt aleer een rijbewijs wordt verschaft; men spiegele zich hiervoor aan het buitenland. In dat geval zouden mensen, als hierboven bedoeld, geen voerman worden, en op sommige stalhouderijen geen menschen als koetsier fungeeren, die niet in staat zijn een paard op te tuigen laat staan een rijtuig te besturen door onze drukke straten. Mocht dit ingezonden stuk hiertoe hetvzijne bijdragen, dan is het doel bereikt door uw abonnee X.

4-2-1903
Op de verschillende lijnen van de gemeentetram zijn gedurende de maand Januari jl. 2,073,704 passagiers vervoerd, tegen 2.049.869 in Januari 1902.

5-2-1903
Een nieuwe werkstaking in zicht.
De gezamenlijke werklieden in dienst onzer Gemeente hebben gisteravond en vannacht vergaderingen gehouden, waarin hoogst ernstige besluiten zijn genomen. Onder de werklieden bij alle takken van gemeentedienst heerste al geruimen tijd ontevredenheid; naar 't schijnt voornamelijk onder de arbeiders bij de Gasfabrieken en bij de Reinigingsdienst, maar in meer of mindere mate ook bij het trampersoneel, bij de brandweer en de overige afdelingen. Al die diensttakken hebben hun eigen organisatie en deze alle zijn aangesloten bij het grote lichaam: de Centrale Bond van Gemeentewerklieden, Door die Bond waren gisteravond twee vergaderingen uitgeschreven. De ene werd met toestemming van B. en W. gehouden op de Grote Koopmansbeurs; de andere, bestemd voor de werklieden wier dienst eerst laat eindigde en die dus de bijeenkomst in het Beursgebouw niet konden bijwonen, ving te 1 uur hedennacht aan en werd gehouden in het lokaal «Frascati». Beide bijeenkomsten waren zeer drukbezocht. Naar schatting waren op de Beurs ongeveer 2500 en in «Frascati» ongeveer 1000 arbeiders bijeen. Deze laatsten bestonden in hoofdzaak uit conducteurs en koetsiers van de tram, werklieden bij de Stadsreiniging en het Liernurstelsel en dergelijke. In het geheel omvat de »Centrale Bond» de volgende organisaties: Stadsreiniging, het Waterkantoor, de zg. Gecombineerden (magazijndienst, opperlieden enz.), Publieke Werken, Bestrating, Gaswerkers, Telefoondienst, Stadsdrukkerij, Tramdienst, Beplantingen, Brandweer, Hydraulische inrichting, Abattoir, Petroleumhaven, Handels-entrepôt en de Waterleidingen.
(………….) Daarna werd bij acclamatie de volgende motie aangenomen:
“De Centrale Bond van Gemeentewerklieden te Amsterdam, op 3 Febr. 1903 in buitengewone vergadering bijeen op de Koopmansbeurs te Amsterdam, brengt hulde aan het kalme en vastberaden optreden van de spoorwegarbeiders in zake het eenparig weigeren goederen te vervoeren, te laden en te lossen voor de veemen, welke door de bootwerkers-organisaties geboycot waren, en spreekt de hoop uit, dat bij elken eventueelen strijd tusschen werkgevers en werknemers, waarbij het recht aan de zijde der werknemers is, een onderlinge solidariteit zich eveneens heerlijk zal openbaren als ons nu te aanschouwen is gegeven.”
(………….) De vergadering in «Frascati» was uit de aard der zaak een herhaling van het verhandelde in de Beurs-bijeenkomst. In het bijzonder werd hier gewezen op verschillende grieven van het trampersoneel, op de groei van de solidariteit onder de arbeiders en de algemeen tot een feit geworden erkenning van hun organisaties. Ernstig werd ook hier gewaarschuwd tegen overijling; ook tegen drankmisbruik. De leiders van de beweging constateerden, dat bij niet-inwilliging van de gestelde eisen de verantwoordelijkheid voor de gevolgen zou rusten op de schouders van hen, die jarenlang doof waren gebleven voor de rechtmatige klachten en verzoeken der werklieden; het zal de schuld zijn van de Gemeente, zo riep men uit, als straks Amsterdam in donker zal zitten, als er geen druppel water meer uit de kraan komt, als de stad omkomt in haar vuil, als de telefoon haar dienst weigert, de tramwagens in de stallen staan en de brandweer niet meer uitrijdt. Een der aanwezigen stond op en stelde voor, een uitzondering te maken voor de brandweer, omdat de ramp te groot zou zijn als in de dichtbevolkte arbeiderswijken brand ontstond, die niet geblusc zou worden.
Van de zijde van de leiders werd geantwoord, dat men ook deze zaak overwogen had, doch dat geen uitzonderingen konden worden toegestaan. “De verantwoordelijkheid is niet bij ons!”, riep de spreker uit. “Wat hier gevraagd wordt zou beteekenen dat wij de beste wapens, die ons ter beschikking staan, ongebruikt lieten. Dit zijn onze wapens; daarmede zullen wij strijden en daarmede zullen wij overwinnen!” (Luid applaus).
Het besluit om de termijn te stellen op a. s. Maandag werd ook hier goedgekeurd en de motie van hulde aan de boot- en spoorwerkers eveneens aangenomen.

6-2-1903
GEMEENTERAAD. Zitting van Woensdag 4 Februari, 's nam. 1½ uur.
Interpellatie.
DE EIS DER WERKLIEDEN.
(………………………) Nog deelt de voorzitter mede, dat hij onder de discussies door een globale berekening heeft gemaakt van de kosten, welke inwilliging van de eisen zouden bedragen en hij is gekomen tot een cijfer van 7 à 8 ton, terwijl er noodzakelijk uit volgen zou dat de tram een deficit zou opleveren en de tarieven zouden moeten verhoogd worden. Men moet in den roes van een overwinning niet het onmogelijke verlangen en dat doen thans de Gemeentewerklieden. (…………………….) De Heer Kruseman zegt dat de organisatie der werklieden is hoofdeloos, redeloos en radeloos, wat uit de leiding dezer beweging gebleken is. Spr. stelt, in vereniging met de hh. Harmsen, Waterschoot van der Gracht en Wormser, een motie, voor, luidende: “De Raad keurt goed de verklaring van B. en W. dat het herziene werkliedenreglement en de daarmede samenhangende loonsregeling zoo spoedig mogelijk zal worden ter hand genomen en gaat over tot de orde van den dag”. Deze motie werd, nadat de Heer H. Polak de zijne had ingetrokken, bij acclamatie aangenomen, waarmede de interpellatie was afgeloopen. Door de Heer H. Polak was nog een interpellatie aangekondigd en wel over het reqüireeren van militairen en marechaussees, die hij wegens het vergevorderd uur bereid was tot een volgende gelegenheid aan te houden, waartoe besloten werd. Aan de orde was nu (………………)

7-2-1903
Het Trampersoneel
namelijk, de koetsiers en conducteurs vergaderde in d'Geelvinck, welke vergadering werd bijgewoond door de heeren H. Polak en Prof. Mr. M. W. F. Treub.
Nadat de Voorzitter had uiteengezet dat het trampersoneel met de andere werklieden moest optrekken voor verbetering van algemeenen toestand werd het woord gevoerd door Prof. Treub, die tegenwoordig was de directeur van het Bureau voor Sociale Adviezen, waarbij de Vereeniging van het Trampersoneel is aangesloten.
Hij meende dat het Bondsbestuur al het mogelijke gedaan had om een overijlde stakingsbesluit tegen te gaan, al had het in de laatste meetings zich zwakker betoond dan wenselijk was geweest.
Spr. betoonde daarna dat de toestand van het trampersoneel na de overgang in gemeentedienst verbeterd was, daar het pensioenrecht in 't algemeen de rechtstoestand, beter geregeld was. Al werden al de looneisen billijk geacht dan moest het gemeentebestuur toch de tijd hebben om die eisen ernstig onder de ogen te zien. In de gestelde korte tijd was de beslissing hetzij gunstig of ongunstig onmogelijk. Spr. raadt aan een bevredigend antwoord te vragen vóór 1 Mei, om dat na die tijd verder de gedragslijn te bepalen. De Heer Polak noemde insgelijks het gestelde ultimatum een misslag en al voelde hij zich in de Raad in 't bijzonder vertegenwoordiger der arbeiders, dan was dat voor spr. nog geen reden om door dik en dun met arbeiders mee te gaan alleen omdat zij arbeiders waren. Daarom had hij het gestelde ultimatum niet verdedigd. Spr. sloot zich aan bij het oordeel van Prof. Treub. Een staking die dreigt noemde hij een ramp, maar nog grooter ramp zou 't z. i. zijn wanneer ééne organisatie staakte en de anderen niet, dat zou aanleiding geven tot een burgeroorlog in 't klein, Spr. eindigde met het uitspreken van de wens dat een staking, moest zij worden geproclameerd, algemeen zoude zijn, maar tevens dat tot het uiterste alles zou worden aangewend om een staking te voorkomen. Ten slotte werd met 192 tegen 137 stemmen een motie aangenomen luidendende :
“De vergadering overtuigd dat de Raad aan de eischen der werklieden binnen den gestelden tijd niet kan voldoen,
verzoekt met aandrang aan den Centralen Bond v. Gemeente-werklieden een vergadering te beleggen, ten einde terug te komen op het besluit om antwoord van den Raad te vragen vóór Maandag a.s. en een nieuw besluit te nemen, waarin der Gemeente voldoenden tijd wordt gegeven om de gestelde eischen te onderzoeken ; doch verklaart tevens zich in elk geval aan de besluiten van den Centralen Bond te zullen onderwerpen en deze loyaal uit te voeren.”

9-2-1903
De Gemeente-Werklieden.
Gistermiddag werden wederom drie afgevaardigden van het Centraal-Bestuur van de Gemeente-Werkliedenbond ten Stadhuize door de burgemeester ontvangen. Langdurig werd over de toestand gesproken. Resultaten heeft deze conferentie niet opgeleverd. De burgemeester heeft verklaard, nadat hij eerst nog afzonderlijk met de wethouders vergaderd had, dat 't voor hem, in verband met zijn in deze dagen zo drukke werkzaamheden, onmogelijk was om een termijn te bepalen. Hedenavond wordt de conferentie voortgezet. Gisteravond hield het technische personeel van de Gem. Tram een vergadering in »Plancius.« Gaarne voldoen wij aan het verzoek mede te delen, dat verspreide strooibiljetten, waarin de algemene staking wordt aangeprezen, niet uitgaan van de Centralen Bond van Gemeentewerklieden. Per circulaire worden alle smeden opgeroepen, om Zondag a. s. ter vergadering te komen in het lokaal «Neêrland's Werkman« aan de N. Z. Voorburgwal, teneinde te bespreken, welke houding aangenomen dient te worden, wanneer de smeden tot staking gedwongen worden. Ook de theoretisohe cursussen voor het reservekader zijn nu tot nader order geschorst. Te 's-Gravenhage hebben — naar men van daar verzekert — verschillende beambten bij de Hollandsche Spoorwegmaatschappij, leden van de Bond van Spoor- en Tramweg-personeel, die zich niet konden verenigen met de wijze van werken, zooals die zich bij de jongste gebeurtenissen heeft geopenbaard, voor het lidmaatschap van die Bond bedankt.

10-2-1903
Overdracht Concessie-Anderheggen en Neumeijer aan de Electrische Spoorweg-Maatschappij.
Door B. en W. is bij den Raad een voorstel ingediend om goed te keuren, dat de rechten en verplichtingen, voor de heren F. Anderheggen Jr. en L. J. Neumerjer Jr. voortvloeiende uit de door B. en W. met hen gesloten overeenkomst en uit de bij art. 13 bedoelde «Vergunning tot medegebruik van een gedeelte der Gemeente-tramlijnen«, door hen worden overgedragen aan de te Amsterdam gevestigde naamïöoze vennootschap «Electrische Spoorweg-Maatschappij«.

13-2-1903
Straatkabaal.
RECHTZAKEN.
Men zal zich herinneren, dat in de eerste helft van Januari herhaaldelijk straatrelletjes voorkwamen van bootwerkers, die gekant walen tegen de cargadoorsfirma W. H. Muller & Co., alhier, omdat deze aan 56 werklieden, arbeidende aan de Singapore-loods alhier, ontslag gegeven had, toen deze weigerden met ongeorganiseerde arbeiders te werken. De procuratie-houder van de firma Muller & Co., de Heer P. A. C. Keeman, werd, als vertegenwoordiger dier firma, herhaaldelijk op straat door de bootwerkers lastig gevallen. Vooral op 14 Januari was het herrieachtig op de Prins Hendrikkade en in het bijzonder in de nabijheid van de Sohreierstoren.
De Heer Keeman bevond zich in een tramwagen, van de P. H. kade naar de Dam rijdende, toen die wagen werd aangehouden door een grote menigte volk. Zekere Pieter Frans van Oogen, die de aandacht van de menigte op deze wagen gevestigd had, door te roepen: „Daar heb je Keeman", sprong op het achterbalkon en stoof op de Heer Keeman toe, die door een hem begeleidende rechercheur naar binnen was geduwd. In de wagen was hij vloekende en in dreigende houding vóór den Heer Keeman gaan staan, hem toevoegende: „Wil je niet met ons bestuur spreken en. de onderkruipers wegjagen?" en: „Hoe is 't, geef je haast toe, nee of ja, anders moet je je voor de gevolgen wachten!". De menigte had de tramwagen tegengehouden en omringd. Het paard werd vastgehouden, de rem vastgezet en anderen sloegen met geweld op de ruiten van de tram roepende: „Haalt hem er uit, trapt hem dood!" De menigte had ook onder het uiten van verwenschingen en beledigingen getracht de tram uit de rails te lichten en te doen omkantelen. De rechercheurs Blok en Keun en een agent van politie hadden grote moeite om de verbolgen menigte met bedreiging door een revolver en met behulp van de gummistok, zich van het lijf te houden. Op het stationsplein was er meer politie bij gekomen, met de getrokken sabel, en zo had men de tram verder kunnen krijgen, het Damrak op, waar de Heer Keeman, ter hoogte van de Oudehrugsteeg, de tramwagen verliet en bescherming zocht in het politiebureau. Bij de aanval op de tram waren, ook vrouwen geweest. Een daarvan, vrouw Sprong, had de rechercheur Blok aan zijn jas getrokken, om hem van de tram te halen, roepende: „Haal hem er af, trap hem dood!" Een derde, Roelof Akkerman, evenals Van Oogen bootwerker van beroep, had bij die gelegenheid de rechercheurs Blok en Keun, die de Heer .Keeman beschermden, geschopt en geslagen.
Ter zake van deze geweldpleging hadden zich gisteren voor de Rechtbank te verantwoorden Pieter Frans van Oogen, Geertruida Sprong geb. Mulder en Roelof Akkerman. De eerste beklaagde, Van Oogen, zette uiteen, hoe de werklieden van de firma Muiter al sinds twee jaren een grief tegen hun patroon hadden, omdat hij nooit met zijn arbeiders wilde onderhandelen en hij nimmer te spreken was als dezen hem over hun belangen wilden spreken. Daarna tot het gebeurde op den 14en Jan. komende, zei bekl. dat hij de Heer Keeman aohter op de tram zag staan en hij op het aohterbalkon gesprongen was om zich met de Heer Keeman ernstig te onderhouden. Hij was tegenover deze in de wagen gaan zitten en had gezegd: “Doet u die onderkruipers toch weg." De Heer Keeman had daarop geantwoord, dat hij daarover niets te zeggen had, want dat hij ook sleohts in dienst was van de firma Muller. Bekl. had. de Heer Keeman, die erg zenuwachtig was, ook nog gezegd, dat hij met het bestuur moest spreken en had ook gesproken van de ernstige gevolgen, welke de zaak kon hebben. Hij bedoelde daarmede dat, indien de onderkruipers in dienst bleven, een algemene werkstaking dreigde. BekL zeide, dat het zijn bedoeling niet was de Heer Keemaa te bedreigen of leed te doen en dat hij niet gezien heid, dat de volksmenigte zoo dreigend op de tram afkwam. Hij ontkende, dat hij de menigte gewenkt zou hebben hem naar de tram te volgen. Wel had hij gezien, dat er verscheidene mensen om de tram stonden, maar toen was het „gesprek" met de Heer Keeman afgeloopen. Bekl. had wel gemerkt, dat de tram stil stond, maar had niet gezien, dat die door het volk werd tegengehouden. Bekl. had gezien, dat een van de rechercheurs een revolver in de haad hield. Dat het volk trachtte den wagea te doen omkantelen had hij niet gezien, evenmin dat er dreigend met vuisten op de ruiten werd geslagen; wel had iemand met de hand de beslagen ruiten „afgeveegd" om beter naar binnen te kunnen zien. Bekl. had de Heer Keeman niet aangegegrepen of ook zelfs maar aangeraakt, maar had met dehbanden in de broekzakken tegenover hem in de wagen gestaan.
Bekl. had er wel yan gehoord, dat de Heer Keeman de dagen te voren op straat was lastig gevallen. (Hij is toen uit vrees voor mishandeling, voor de woedende volksmenigte in de Foeliestraat in een smederij moeten vluchten.)
Mr. Coninck Westenberg, een der rechters, stelde de bekl. de vraag of hij, dit wetende, en de gistende toestand onder de bootwerkers kennende, het oogenblik niet zeer slecht gekozen achtte om den Heer Keeman in de tram aaa te spreken. Bekl. antwoordde, dat hij niet wist, dat de menigte hem zag. De Pres. merkte op, dat bekl., toen hij zag, dat de tram omsingeld werd, deze toch had moeten verlaten en niet langer bij de Heer Keeman had moeten blijven staan. Bekl. deed het ook nog voorkomen, alsof hij door de grote bontmuts, die hij op dia dag droeg en die hij over zijn oren getrokken had, niet zo goed kon horen en zien en alles waarnemen wat om hem heen gebeurde. Hij was wel niet door het bestuur van zijn Vereniging gemachtigd met de Heer Keeman te onderhandelen, maar hij had deze van goede raad willen dienen. Op 8 Januari had bekl., die drie jaar lang in dienst der firma was, zijn ontslag gekregen. Vrouw Sprong, de tweede bekl., vertelde, dat zij een standje op de Prins Hendrikkade bij de Schreierstoren gezien had en, denkende dat er een ongeluk gebeurde, was zij. er hard naar toe gelopen. Of zij de bedreigende woorden geuit heeft die haar ten laste worden gelegd, weet zij niet. „Ik kan niet zeggen ja en ik kan niet zeggen nee; ik had niks met die mensen te maken en was blij toen ik er weer tussen uit was." Wel had zij de tram vastgehouden, maar zij wist zich niet te herinneren, dat zij een der rechercheurs aan zijn jas getrokken had of dat zij iets had geroepen. De derde beklaagde, Akkerman, eveneens een bootwerker, beweerde, dat hij hij het geheele geval niet tegenwoordig is geweest. Hij had die morgen een vergadering in het lokaal „d'Geelvinck" bijgewoond, was na afloop tabak gaan koopen en had zich vervolgens naar huis begeven. De getuigen, die hem bij het standje gezien hebben moeten zich, volgens hem, in den persoon vergissen. Den Heer Keeman kende hij niet, had hij ook nooit gezien.
Als getuigen werden in deze zaak gehoord de Heer P. A. C. Keemaa, de rechercheurs E. Keun en G. J. Blok, de tramkoetsier en conducteur, die op de bedreigden wagen dienst deden. Uit deze getuigenverklaring, waarbij de Heer Keeman mededeelde, welke de oorzaken waren, dat de werklieden ontslagen waren, bleek, dat het geval zich had toegedragen, als hierboven is omschreven, ook dat Van Oogen wel degelijk de menigte had gewenkt èn dat daarop de tram omsingeld werd, nadat de beangste passagiers in allerijl uit de wagen waren gevlucht. De Heer Keeman was beangst geweest, dat hem leed zou geschieden, want dit was nu al de derde keer, dat hij op straat werd lastig gevallen en de houding van het publiek was zeer dreigend; er vielen ook klappen en de politieagenten werden gestompt en geslagen. De rechercheurs bevestigden de getuigenverklaring van de Heer Keemaa en voegden er o. a. nog bij, dat er een vrouw met een kind in de tramwagen had gezeten en dat het vrouwtje hevig was begonnen te gillen, toen de tram aangehouden werd en het volk riep: „haal hem er uit, trap hem dood!" Zij herkenden vrouw Sprong en herinnerden zich, dat zij bedreigende woorden geroepen had. Ook Akkerman werd beslist herkend, door Keun, dien hij een vuistslag op de borst gegeven had, waarop Keun zijn revolver getrokken, en de man voortdurend in het oog gehouden had. De tramconducteur C. v. d. Swaan had de bekl. Akkerman niet bij het kabaal gezien. Wel had hij een vrouw opgemerkt, die aan de jas van een der rechercheurs trok. De koetsier J. Huigen deelde mede, dat de menigte zijn paard had tegengehouden en dat er geroepen was van: „Gooit hem er uit, trapt hem dood!" Akkerman had hij er niet bij gezien, ook vrouw Sprong had hij niet opgemerkt. Van Oogen deelde ten slotte op een vraag van de President nog mede, dat hij zes jaren geleden eens wegens verzet tegen de politie was veroordeeld. De man van vrouw Sprong had vier veroordeelingen wegens weerspannigheid en mishandeling achter de rug. Akkerman is vroeger wegens diefstal veroordeeld.
Mr. Bosch van Oud-Amelisweerd zeide in zijn requisitoir, dat hij onder de indruk verkeerde van de ernst der gepleegde feiten, welke passen in een keten, die had kunnen leiden tot ernstige verwikkelingen en betreurenswaardige gevolgen. Bekl. Van Oogen wist welke ernstige gevolgen te wachten waren van een doordrijven van de eis der bootwerkers, n.l. een algemene werkstaking met al de ernstige gevolgen van dien. Spr. deed uitkomen, dat de bootwerkers in stede van zich op bedaarde wijze te wenden tot den Heer Keeman of tot de Veren. van Werkgevers, op 10 Januari reeds begonnen zijn daden van geweld te plegen tegen de Heer Keeman en de stuwadoor Van Borsum. Die daden van geweld hebben de bootwerkers in nog sterker mate gepleegd tegen bewoners van Durgerdam, de z.g. “onderkruipers”, die zich naar Amsterdam begaven. Op die daden zijn gevolgd andere daden die doen denken aan de dagen van de Franse Revolutie, maar waarvan men niet dacht dat ze in onze dagen in ons land gepleegd konden worden. Spr. herinnerde aan deze gebeurtenissen om te doen uitkomen onder welke ernstige omstandigheden de feiten zijn gepleegd, waarvoor deze drie beklaagden terecht staan. Die feiten achtte spr. bewezen. De openlijke geweldpleging achtte hij voldoende aangetoond. De derde beklaagde ontkent weliswaar, maar de geloofwaardigheid van de getuigen, die hem beslist herkennen, is boven alle twijfel verheven. Wat de beklaagde Van Oogen betreft, wilde spr. laten vallen het z. i. onbewezen punt der aanklacht, dat hij de menigte gewenkt zou hebben en geroepen: »Daar heb je Keeman!« Wel staat het z. i. vast dat Van Oogen deel uitmaakte van de volksmenigte en dat hij in de tramwagen op dreigenden toon tot Keemaa gesproken had, op een ogenblik, dat de tram omringd was door een vijandige menigte. Dit maakt zijn optreden ook tot een daad van geweld. Het gepleegde verzet is zeer ernstig geweest en bekl. Van Oogen is, naar spr's mening, de aanleiding tot de gepleegde betreurenswaardige feiten geweest. Spr. wilde wel in overweging nemen, dat de beklaagden eenigszins te beschouwen zijn geweest als slachtoffers van de gisting in hun omgeving en de animositeit door enkelen gepredikt, en waaraan niet allen weerstand kunnen bieden. Sprs. conclusie strekte tot schuldigverklaring van alle drie beklaagden wegens openlijk en in vereniging gepleegd geweld en bovendien de tweede beklaagde wegens opruiing. Hij eischte tegen Van Oogen en tegen Akkerman één jaar en tegen vrouw Sprong acht maanden gevangenisstraf. Hierna was de verdediging aan het woord. Mr. Plantenga, de verdediger van de eersten beklaagde Van Oogen, was van oordeel, dat er van een dreigende houding van deze niets gebleken is; en al was dit zo, dat hierin dan toch geen openlijke geweldpleging gezien mocht worden. Ook de bedreiging met geweld achtte pl. niet bewezen; te minder, waar de Heer Keeman zelf verklaart de dreigende woorden niet te hebben gehoord. Op die gronden vroeg pl. vrijspraak en onmiddellijke invrijheidstelling. Mr. Maten, de verdediger van vrouw Sprong, vroeg eveneens vrijspraak en vrijlating voor zijn cliënte, een zwakhoofdige vrouw, moeder van een talrijk gezin van nog zeer jonge kinderen, die zich door de algemene opwinding heeft doen medeslepen. Mr. van Raalte, voor de bekl. Akkerman optredende, achtte de mogelijkheid van een vergissing in de persoon geenszins uitgesloten, zodat al is het ten laste gelegde door de politieverbalen wettig bewezen, het overtuigend bewijs z. i. niet geleverd is. Pl. achtte het ook onjuist en verkeerd, dat op de hoofden dezer drie menschen de gevolgen moeten neerkomen van de onaangename dingen, die ons in de laatste dagen hebben bezig gehouden. Ook hij vroeg vrijspraak en onmiddellijke vrijlating.
Het O. M. deed bij zijn repliek uitkomen dat de beklaagde allerminst zijn vervolgd als zondebokken voor wat een ganse menigte bedreef, maar uitsluitend voor strafbare feiten, door ieder van hen individueel gepleegd.
De Rechtbank begaf zich in raadkamer om te beraadslagen over het verzoek der verdedigers en gelastte daarna de onmiddellijke invrijheidstelling van Van Oogen. Voor de vrijlating der andere beklaagden vond de Rechtbank geen termen. Het vonnis in dit geding werd bepaald op Woensdag 25 dezer.

17-2-1903
Controle-biljetten Tram. Mijnheer de Redacteur.
Dank zij de inlichtingen, die ik van dezen en genen ontving, in antwoord op mijn vragen dienaangaande in uw blad van 26 Januari jl., kan ik thans aan medeverzamelaars van controle-biljetten; meedelen, dat het verzamelen niet doelloos is. Niet voor één — maar voor meerdere juffrouwen, naar mij blijkt, is men aan 't verzamelen, niet alleen controlebiljetten van de Amst. Gem.-Tram,' maar van alle andere trams, binnen- of buitenlandse. Voor één juffrouw is het benodigd aantal reeds bereikt; voor een blind meisje is men nog bezig een miljoen van die biljetten te verzamelen, waarvoor zij dan een pianino kan krijgen en door les geven in haar onderhoud voorzien; Verder schijnt, in Brussel een gesticht te bestaan, waarin men personen kan doen opnemen tegen inlevering van een zeker aantal kaartjes, enz., in één woord, 't is mij gebleken dat voor het verzamelen een goede reden bestaat.
Mijn vriendelijke dank aan hen of haar, die mij hieromtrent hebben ingelicht, en aan u, mijnheer de redacteur, voor de verleende plaatsruimte,
Achtend,
Uw abonnee W. Denijs. Amsterdam, Februari 1903.

19-2-1903
Openbare Aanbestedingen.
B. en W. zullen op Maandag 2 Maart, te 12 uren, ten Stadhuize in het openbaar aanbesteden: 1". HET VERSTERKEN VAN VIJF VASTE BRUGGEN MET BIJBEHORENDE WERKEN, TEN BEHOEVE VAN DE GEMEENTE-TRAM IN DE LIJN IJ-VEER— WILLEMSPARK. (RAMING ƒ 28,400).

20-2-1903
Stremming van het Verkeer.
B. en W. brengen ter kennis, dat wegens het uitvoeren van werken, ten behoeve van de tramombouw in de Reguliersbreestraat het verkeer voor rij- en voertuigen door die straat met ingang van 23 Februari a.s. voor enigen tijd zal zijn gestremd.

26-2-1903
RECHTZAKEN. Straatkabaal.
De Rechtbank alhier heeft heden vonnis gewezen in de zaak tegen de bootwerkers P. F. van Oogen en R. Akkerman en vrouw G. Sprong, geb. Mulder, die terecht stonden wegens het plegen in vereniging van openlijk gewield en de laatste bovendien wegens opruiing. Dit rechtsgeding, dat op 11 dezer voor de Rechtbank diende, was een gevolg van de relletjes in de eerste helft van Januari, bij welke gelegenheid een. troep bootwerkers op de Prins Hendrikkade de procuratiehouder van de cargadoors-firma W. H. Muller & Co. lastig viel, bemoeilijkte en bedreigde en de tramwagen, waarin hij zat, aanhield en trachtte die om te kantelen. P. F. van Oogen, die na de zitting op 11 dezer reeds uit de preventieve hechtenis was ontslagen, werd, op grond dat niet bewezen was dat door hem dreigende woorden waren gebezigd, vrijgesproken. R. Akkerman,. die een van de rechercheurs, die den Heer Keeman beschermden, een vuistslag gegeven had, werd veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf; — en vrouw Sprong, die getracht had een rechercheur van de tramwagen te trekken en die geroepen had: “Trap hem dood!", tot vijf maanden gevangenisstraf.

4-3-1903
Tram Amsterdam—Haarlem. — Met het aanleggen van de electrische trambaan Amsterdam—Haarlem en bijbehooren.de werken is in de thans afgelopen maand een aanvang gemaakt door het slopen van eenige woonhuizen en andere gebouwen langs de Kostverloren Wetering onder de gemeenten Amsterdam en Sloten.
Deze lijn zal lopen even voorbij de Tolbrug (aan het eind van het Lange Bleekerspad), kruist dan het Slatuinenpad, loopt de polder door en bereikt daarna dicht bij Sloterdijk de Haarlemmerweg. Zodoende zal de tram gedeeltelijk midden tussen de warmoezierderijen door lopen.

Met de trams zijn hier ter stede gedurende de maanden Januari en Februari 3,971,523 personen vervoerd, tegen 3,758,539 in de eerste twee maanden van 1902.

5-3-1903
Gemeenteraad, zitting van 4 maart.
Tramconcessie Anderheggen en Neumeijer.
113. Voordracht van B. en W., betreffende de overdracht der Tram-concessie-Anderheggen & Neumeijer aan de Electrische Spoorwegmaatschappij. Goedgekeurd..

Stremming van het verkeer.
B. en W. brengen ter kennis, dat wegens het uitvoeren van werken, ten behoeve van de tram-aanleg en tram-ombouw in de Vijzelstraat, tussen het Sophiaplein en de Heerengracht, het verkeer voor rij- en voertuigen door dat gedeelte van de Vijzelstraat met ingang van 6 Maart a. s. voor enigen tijd zal gestremd.

11-3-1903
Er is weer eens een trampaaltje vernield, middendoor gebroken nog wel. Ditmaal op de Oosterburgergracht.

12-3-1903
STADSNIEUWS.
Gelijk men weet, bevatte de concessie van de Amsterdamsche Omnibus-Mij. twee verschillende grondslagen ter berekening! van de naastingspremie. Volgens de eerste verbond de Gemeente zich de exploitatie tot 1910 in eigen beheer te houden, volgens de tweede mocht zij de exploitatie aan derden opdragen. De Gemeente koos de eerste naastingswijze. Men weet, dat door de Gemeente onlangs een overeenkomst is gesloten met de Electrische Spoorwegmaatschappij (tramweg van. Amsterdam naar Haarlem), betreffende het medegebruik van lijnen (nl. die in de Raadhuisstraat, waar de straatbreedte het leggen van een dubbel stel rails niet toelaat). Dit heeft de A. O. M. (die haar vennootschap tot nog toe niet geliquideerd heeft) beschouwd als een inbreuk op haar rechten, in die zin, dat het in medegebruik geven van een gedeelte van een lijn, door de gemeenten aan derden, het beginsel van eigen beheer aantast. Het gevolg is geweest, dat de (Amerikaanse) Electrische Spoorweg-maatschappij heeft moeten, besluiten het recht tot medegebruik van de lijn van de A. O. M. voor f 60.000 te kopen.
Bij het verlenen van de concessie voor deze tramlijn aan de heeren Anderheggen en Neumeyer heeft de gemeente er voor gezorgd, dat het voldoen aan dergelijke aanspraken voor rekening van de concessionnaris zou komen. Zoals men weet, hebben genoemde heeren hun concessie overgedragen aan de bovengenoemde Electrische Spoorwegmaatschappij, voor wier rekening dus de schadevergoeding aan de A. O, M. gekomen is.

18-3-1903
Ingezonden.
Mijnheer de Redacteur,
Gaarne wenste ik het volgende onder het oog van het publiek te brengen. Gisteren had ik in de tramlijn: Linnaeusstraat—Dam, plaats genomen. Vóór de brug gekomen, die het Alexanderplein met de Piantage Middenlaan verbindt, moesten de passagiers overstappen, wat gebeurt nu? Op de andere wagen gekomen, bemerkt men, doordat nieuwe passagiers in de gereedstaande wagen plaats hebben genomen, dat men te veel is en in de drukte (men kan op de balkons de armen haast niet bewegen) het contra-kaartje moet zoeken, om te bewijzen, dat men uit de andere wagen is gekomen. Hierin kan, naar mijne bescheiden meening, wel verandering gebracht worden: 1e. door geen nieuwe passagiers toe te laten, vóór die uit de andere wagen hebben plaats genomen; 2e. door in de tram een kennisgeving te hangen, waarin de passagiers verzocht worden op hun zelfde plaats in de andere wagen plaats te nemen, d. w. z.: passagiers, die in de tram hebben gezeten, weer in de wagen aan de overzijde, terwijl zij, die op het achter- en voorbalcon hebben gestaan, weer resp. op het voorbalcon en achterhalcan moeten plaatsnemen. Hierdoor wordt voorkomen, dat een dame, die, door tijdig bij de tram te zijn, een plaats binnen heeft gekregen, na overstappen gedwongen wordt, wil zij de reis per tram vervolgen, voorop moet staan, hetgeen bij goed weer maar even, doch bij slecht weder niet te doen is. Zo iemand dus niet voorop wil staan, is deze persoon genoodzaakt het kaartje te laten verlopen.
X.

19-3-1903
De Staking van de Grondwerkers.
Het comité van de grondwerkers had gistermiddag een onderhoud met de Wethouder van Publieke Werken, en ontving daar de verzekering, dafc de Gemeente geen werklieden zal stellen in plaats van particuliere arbeiders. Op enkele plaatsen ih de stad, waar nog graafwerk werd verricht, is de arbeid neergelegd. Aan de asfaltwerken bij het leggen van nieuwe tramrails in de Vijzelstraat en Reguliersbreestraat, werd grondwerk verricht door leden van de vereniging „Recht en Plicht", tegen 18 cent per uur. (…………)

Gemeenteraad, zitting van 18 maart
Ingrkomen:
Verzoek van D. P. Farret Jentink, te 's-Gravenhage, om hem een schadeloosstelling van ƒ500 te verlenen wegens verwondingen, door hem bekomen bij een aanrijding door de tram, in de Vijzelstraat aan de hoek van de Heerengracht, in den avond van 8 Jan. Jl. In handen van B. en W. tot preadvies.

24-3-1903
Tramgevaar.
Zeer geachte Redacteur!
Het is misschien vele inwoners van de stad Amsterdam, en stellig nagenoeg alle vreemdelingen, die Amsterdam bezoeken, niet bekend, dat zich in een der drukste straten der stad een plaats, bevindt, waar het voor wandelaars levensgevaarlijk is te lopen, wanneer er een tram passeert. Ik bedoel namelijk het punt op den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht, bij de woning van de Heer Mr. Schölvinck, alwaar door de aanwezigheid van een ijzeren hek, om een stukje ledig erf, hoogstwaarschijnlijk toebehorende aan de eigenaar van bedoelde woning, het trottoir zich zodanig vernauwt, dat het slechts door één persoon kan worden betreden. En wat nu de ondergetekende onlangs is overkomen, kan als waarschuwing strekken voor menige Amsterdammer of vreemdeling, die zich door genoemde straat mocht begeven en, evenals hij, in de mening mocht verkeren, dat een trottoir voor een voetganger altijd een veilige plaats oplevert. Op 8 Januari, j.l. ‘s avonds circa half negen door die straat wandelende, komende van den kant van de Weteringschans, volgde ik het rechtertrottoir van die straat. Bij de woning van den Heer S., bovengenoemd, vernauwt het zich plotseling doch blijft voor een voetganger voldoende ruimte aanbieden om te kunnen doorlopen. Zonder de minste gedachte, dat ik daar niet veilig zou zijn voor een passerende tram, liep ik kalm door, tot ik op eens een trampaard dicht naast mij zag en op het zelfde oogenblik de tram zelf. Instinctmatig had ik nog de tijd om mij tegen het hek aan te drukken en mij zogenaamd in positie te stellen, maar werd door de tram, die zich met enige vemeerderde snelheid voortbewoog, om de helling van de brug over de Heerengracht op te rijden, mede gesleurd door de sterke wrijving, zeker veroorzaakt door haar snelle gang langs het ijzeren hek, tusschen de stijlen rondgedraaid en daarna op straat geworpen. Zekere mijnheer Van G., die achter op de tram stond en het ongeval had opgemerkt, benevens de zich in de buurt bevindende agent No. 165, kwamen mij dadelijk te hulp, brachten mij eerst bij de apotheker op den hoek der straat, die mij welwillend opnam, en later per rijtuig verder. Aan die heren inmiddels nogmaals mijn hartelijke dank voor hun welwillende hulp. Behalve zwaar gekneusd, werd door de doktoren een ontwrichting van het sleutelbeen bij de borstkas geconstateerd, zocdat ik niet alleen verscheidene weken hevige pijnen heb uitgestaan, maar ook voor altijd minder macht in de linkerarm zal behouden, dan vóór het ongeluk het geval was. Gelukkig, dat; ik niet zwaarder ben gebouwd, want iemand, die corpulenter is dan de ondergetekende, zou hoogstwaarschijnlijk zijn leven er bij ingeschoten, minstens de ribben hebben gebroken. Nu vraag ik u, geachte Redacteur! mag een dergelijke toestand öp een zo druk punt van verkeer blijven bestaan, zonder dat de gemeente door het onteigenen of kopen van het terrein achter het hek, al was het maar van een gedeelte daarvan, met afronding vam het hek,. de openbare veiligheid verzekert ? Of zou de eigenaar van dat stukje erf niet zo menslievend willen zijn, om in het, algemeen belang een ronding aan zijn hek te willen geven, om verdere ongelukken te voorkomen, aJs de gemeente die noodzakelijkheid niet mocht inzien ? Men mag toch van een trottoir veirwachten, dat men zich daar veilig kan gevoelen, niet waar? en dat is in casu niet het geval. De afstand van de rails tot het trottoir en van dit tot het hek is respektievelijk maar 12 en 27 cm en gaat men nu na, dat de wielen onder de wagens lopen en de tramwagen zelf nog een buikvorm heeft, dan blijft er waarlijk niet veel ruimte op die plaats over. Zoo lang dus die vicieuze toestand zal blijven bestaan, zal het wenselijk wezen, dat het publiek op de een of andere wijze aan het bestaan van die gevaarlijke plek herinnerd of daarmede in kennis wordt gesteld. Dit is dan ook het doel van mijn schrijven.
U beleefd dank zeggende voor de mij verleende plaatsruimte, verblijf ik,
hoogachtend, Uwer dw. dnr. Jentink.
's-Gravenhage, Maart 1903.

30-3-1903
Grondwerkers.
In den afgelopen nacht zijn de werkzaamheden voor de tram op het Sophia- en het Rembrandtplein, bestaande in het wegnemen van de tijdelijke rails en het totstandbrengen van de vaste aansluiting, volbracht. Dit geschiedde weder onder bescherming van politie en marechaussées; er waren aanvankelijk vele nieuwsgierigen, wat begrijpelijk is in verband met de drukte van de uitgaande schouwburgen. De burgemeester kwam zich van de goede voortgang der werkzaamheden overtuigen. De werklieden, die ‘s middags op de Weteringschans bij het Westeinde arbeid verricht hadden, zijn na afloop met een tramrijtuig naar het tramgebouw in de Roeterstraat gebracht en later op dezelfde wijze weer naar het werk vervoerd.
Daar ‘s middags, bij het afrijden van de tramwagen, heel wat stakers aanwezig waren, die een opdringende houding aannamen, moesten enige politieruiters en marechaussees hen uit elkander drijven.

Hedenmorgen was 't op het Eembrandtplein bij de werkzaamheden aan de tramrails riog een weinig woelig. Een tweetal personen, die niet wilden „doorloopen", werden naar het bureau geleid.

31-3-1903
De werklieden bij het verleggen van de Gremeente-tram op het Frederikspiein hebben het werk neergelegd.

6-4-1903
Grondwerkers.
Zooals wij gisteren reeds mededeelden, hebben de gemeente-stratenmakers- en ook de particuliere stratenmakers het werk gestaakt, als een gevolg van de Grondwerkersstaking. Er waren n.l. 15 Gemeente-stratenmakers geschorst, omdat zij geweigerd hebben „besmet” zand te verwerken.
Deze werklieden hebben geen beroep gedaan op het Scheidsgerecht. Door de Wethouder van Publieke Werken is thans tot alle werklieden in dienst der be strating het volgende schrijven gericht: „De 15 werklieden hebben geen gebruik gemaakt van de enige wettigen weg (n.l. het scheidsgerecht), die hun volgens het reglement openstaat, voor het geval dat zij meenden ten onrechte voor straf te zijn voorgedragen, en verlangen nu, dat het reglement wordt ter zijde gesteld. Onder deze omstandigheden kan ik de tot nu betoonde lankmoedigheid niet langer volhouden en maak ik daarom bij deze bekend, dat van heden af elke dienstweigering zal gevolgd worden door onmiddellijke schorsing met inhouding van loon voor den betrokken werkman, en dat ik dezen, volgens art. 26 van het Werkliedenreglement, zal voordragen voor wegzending uit den dienst, zonder genot van de voordeelen, bepaald in art. 23,"
Gisteravond hebben een aantal werklieden van het technisch personeel van de Gemeentetram, leden van de vereenigingen „Streven naar Verbetering" en „Eenheid onder Ons", vergaderd, ter bespreking van de verhouding van de werklieden bij de Gemeentetram, tot de verschillende, stakingen.
Men kwam niet tot een resultaat, doch besloten werd de tramwerklieden, die tengevolge van de stakingen brodeloos zullen worden, te steunen.

13-4-1904
Gemeentetram.
Met ingang van heden zullen de tramwagens der lijnen Amsteldijk—Stadhouderskade—Dam en Amsteldijk—Ceintuurbaan—Dam niet langer rijden langs het Koningsplein en de Spuistraat, doch over het Sophiaplein en het Rokin. De naar de Dam gaande wagens volgen de geheele Vijzelstraat, de terugkerende komen langs de Reguliersbreestraat en het Oostelijk deel der Reguliersdwarsstraat. De standplaats op de Dam is bij het Kommandantshuis, tussen de daar reeds bestaande standplaatsen.

29-4-1903
Ingezonden.
Gemeente-tram.
M. de Red.
Sedert er een wissel is gemaakt in de Reguliersbreestraat voor de route Amsteldijk—Ceintuurbaan enz., zou het wenselijk zijn, indien er iemand (hetzij een oud man of jongen, al of niet invalide) daaraan geplaatst werd, om bijtijds de wissel om te leggen voor de komende trams. Zulks zou van groot gerief zgn voor conducteurs, koetsiers, passagiers en vooral voor de arme paarden, die telkens daarvoor moeten stil staan, en vooral bij regenachtig weer, alsmede door het vuil, zeer veel moeite hebben, om weer vooruit te komen, daar zij tekens op het asfalt uitglijden en dreigen te vallen. Hoogachtend, uw Abonnee, B.
Amsterdam, 19 April 1903.

1-9-1903
STADSNIEUWS.
De Haarlemmerweg, voorbij Halfweg, wordt er niet mooier op: de vereiste vergunning is verleend om, ten behoeve van de elektrische tram Amsterdam—Haarlem, de bomen langs de Rijksstraatweg op te ruimen.

2-9-1903
Aanbestedingen.
B. en W.
Uitbreiden van de hoofdremise Gem.tram Tollensstraat, 24 inschrijvingen. Minste van W. Uitslager en J. Faas, ƒ 215,600.

3-9-1903
De gemeente-tram vervoerde van 1 Januari tot 31 Augustus in dit jaar 17,851,936 passagiers, tegen 17,257,188 in hetzelfde tijdvak over 1902.

4-9-1903
Officieële Kennisgeving.
Stremming van het rijverkeer in de Utrechtschtstraat,
B en W. brengen ter kennis, dat, wegens de ombouw van het tramspoor in de Utrechtschesdtraat het verkeer voor rijtuigen en handkarren door de Utrechtschestraat, met ingang van 7 September a.s., gedurende enigen rijd zal zijn gestremd.

12-9-1903
De draaischijven op het Koningsplein, reeds enige tijd buiten dienst gesteld, sedert de tramlijn naar de Amsteldijk verlegd werd over het Rokin, zijn nu voorgoed verdwenen. De hele dag was men doende om de zware gevaarten te lichten en te vervoeren. De A. O. M. strekte 't indertijd niet weinig tot eer dat bij het plaatsen van die draaischijven de tramdienst daar ter plaatse geregeld kon doorgaan.

18-9-1903
INGEZONDEN.
Oude Tramrails.
Mijnheer de Redacteur!
De straten zijn overal opgebroken voor de werken der elektrische trams ; maar die oude rails blijven maar liggen tot schade voor velen. De Middenlaan b. v. is letterlijk bezaaid met rails, die al verscheidene ongelukken hebben teweeggebracht. Zouden die niet verwijderd kunnen worden ? Voor fietsen en rijtuigen zijn 't gevaarlijke zaken.
Hoogachtend, Een belangstellende.

24-9-1903
Gemeenteraad, zitting van 23 september.
Ingekomen stukken.
Verzoek van de Metaalbewerkersvereniging “St.- Eloy”, om de vervaardiging der nieuwe tramwagens voor elektrischc tractie op te dragen aan de Nederlandse, zo mogelijk aan de Amsterdamse industrie. Voorstel: In handen van B. en W. ter afdoening.
De Heer Smit zegt dat hetgeen in het adres gezegd wordt ovor de slechte toestand in de metaal-industrie volstrekt niet overdreven is; de werklieden zien de winter met bekommering tegemoet. Spr. verzoekt B. en W. — hoewel hun dit moeilijk zal zijn, daar ons land bezwaarlijk concurreren kan met het buitenland — het verzoek ernstig te overwegen en, als 't kan goedgunstig er op te beschikken. De Heer Nolting sluit zich hierbij aan; hij wijst erop dat de elektrische wagens door de Koninklijke fabriek vervaardigd beter zijn gebleken dan de buitenlandse. Spr. wijst op de grote werkloosheid die reeds heerst en die groter zal worden als geen maatregelen worden genomen.
De Heer Heemskerk, Weth. van Financ., herinnert, zoals. ook de Heer Nolting deed uitkomen, dat een deel van de wagens aan de Nederlandsche Fabriek is gegund; het gehele werk kon niet worden gegund omdat dan het prijsverschil te groot zou zijn geweest. Voor de nieuwe levering wachten B. en W. nog prijsopgaven in. Alsdan zal nader overwogen worden.
Het adres werd daarna gesteld in handen van B. en W. ter afdoening.

25-9-1903
Gemeenteraad
(vervolg van gisteren (23 sept))
Commissie voor de Gemeentebedrijven.
No. 373. Voordracht van B. en W., tot wijziging der Verordening, regelende de samenstelling en de werkkring der Commissie van Bijstand in het beheer der Gemeentebedrijven.
No. 393. Voorstel van de Raadsleden K.C. Wiersma, J. Zeehandelaar en J. B. van Dijk, om: 1°. B. en W. uit te nodigen voorstellen te doen, strekkende om het verleenen van bijstand in het beheer der Gemeentebedrijven voor elk der drie omvangrijkste bedrijven: Electriciteitswerken, Gasfabrieken en Tram, te doen geschieden, hetzij door zelfstandige Commissies, hetzij door Subcommissies, deel uitmakende van een algemeene (met meer leden dan de thans bestaande) Commissie van Bijstand voor de Gemeentebedrijven, bij elke waarvan de Telefoon, de Ammoniakfabriek, de Stoomponten en de Kleedermakerij worden ingedeeld ; 2°. de voordracht No. 373 aan te houden.
Na uitvoerige discussies wordt de voordracht van B. en W. goedgekeurd; er komt dus vanwege de vele praktische bezwaren geen afzonderlijke commissie van bijstand voor de tram.

26-9-1903
Algemeen Verslag der Afdelingen van de Gemeenteraad over de Begrooting voor 1904.
Bij de bespreking van de exploitatie der Gemeentetram werd in twee afdelingen gevraagd om betere dienstregeling en meer rustdagen voor het trampersoneel.
Andere leden meenden, dat met een nieuwe dienstregeling gewacht moet worden, totdat in 1904 de elektrische tractie toch wijziging in de dienst zal nodig maken.
In drie afdeelingen werd ernstig geklaagd over de tramhaltepaaltjes, die ingezetenean met moeite, voor vreemdelingen bijna in het geheel niet te vinden zijn en vooral bij avond zeer ondoelmatig blijken. Algemeen werd de wens te kennen gegeven, dat de haltebordjes aan de lantaarns worden bevestigd, zoals in Den Haag en vele andere steden. Ook wenst men er de aandacht op te vestigen, dat de koetsiers veel te weinig opletten, of zich bij de haltes passagiers bevinden, die wensen mee te rijden, en meent; men, dat te veel lijnen gedeeltelijk samenloopen, waardoor de opbrengst lijden moet.
Enkele leden vroegen, of het niet mogelijk is abonnementskaarten in te voeren, waarop men de hele dag kan rijden.
In twee afdelingen werd zeer ernstig geklaagd over de buitengewoon langzame wijze, waarop de werken voor de tram worden uitgevoerd.

26-09-1903
De bootwerker, die tijden de Aprilongeregeldheden bij ongeluk door de politie op de Korten Nieuwendijk zeer ernstig aan den linkerpols verwond werd, is thans zóver hersteld dat hij zijn vingers weer kan bewegen, doch het volkomen gebruik van zijne hand zal hij niet meer terugkrijgen. Wijl gebleken is, dat de man geheel onschuldig was en slechts bij toeval was gewond, heeft de burgemeester hem thans een betrekking bij de Gemeente-tram bezorgd.

30-9-1903
Aanbestedingen.
B. en W.: a. (………) c. Het versterken van acht vaste bruggen in de tramlijnen Dam—Sarphatistraat en Dam—Amsteldijk. (Raming ƒ 11.110). 5 Inschrijvingen. Minste van P. Vermeer Jz., alhier, ƒ9750.

1-10-1903
Gemeentetram.
Naar wij vernemen, zal op 1 October a.s. de tramlijn van de Amstelveenscheweg door de Leidschestraat en langs de N. Z. Voorburgwal doorlopen tot de Dam (voorlopig met overstappen bij de brug, over de Prinsengracht). Zodra de brug over de Prinsengracht weder in gebruik genomen kan worden, wordt de lijn Koninginneweg-—Dam weer door de Leidschestraat geleid om mede langs de N. Z. Voorburgwal op de Dam aan te komen. Voorlopig loopt dus één, doch spoedig lopen weer twee lijnen door de Leidschestraat. In die voorlopige toestand bestaan alleen op de lijn Koninginneweg—Dam geleidebiljetten. Op 1 October kan men van de Amstelveenscheweg, hetzij langs de Overtoom, hetzij langs de Koninginneweg voor 7½ cent de Dam bereiken.

7-10-1903
Tramtarief.
Door B. en W. is aan den Gemeenteraad ter goedkeuring overgelegd een concept-tarief voor het vervoer door de gemeentetralm.
In de toelichting delen B. en W. mede, dat waarschijnlijk in het begin van het volgende jaar het Elektrische Krachtstation aan de Kadijk in staat zal zijn te voorzien in de stroomlevering voor de tram, en dat alsdan een belangrijk deel van het tramwegnet voor elektrische exploitatie zal gereed zijn, waaronder ook de nieuwe lijn station Weesperpoort-Nieuwe Amstelbrug-Ceintuurbaan-Van Baerlestraat-P. C. Hooftstraat-Stadhouderskade-Overtoom-Constantijn Huygensstraat-Dam. Door deze nieuwe lijn en de omstandigheid, dat verschillende tramlijnen van het nieuwe net meer of minder belangrijke veranderingen hebben ondergaan, is een aanvulling van het tarief van het vervoer door de gemeentetram noodzakelijk.
Tevens hebben B en W. zich afgevraagd, of het tijdstip, waarop een nieuwe beweegkracht wordt ingevoerd, niet geschikt is het tarief op enige punten te wijzigen. Zij zijn met de Commissie van Bijstand in het beheer der gemeentebedrijven tot de overtuiging gekomen, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
In hoofdzaak stemmen de lijnen, waarvoor het tarief geldt, overeen met die, voorkomende in het rapport van de directeur der gemeentetram. Echter zijn verschillende lijnen, die op dat plan slechts doorlopen tot de Dam, doorgetrokken tot het Centraal-Station of het Midden-Stationseiland terwijl een rechtstreekse verbinding van het grootste deel der Weesperzijde met de Dam en het Centraal-Station is verkregen door een der lijnen van de Amsteldijk te doen lopen over de Nieuwe Amstelbrug tot het einde der Weesperszjde, als gevolg waarvan, de lijn van de Vijzelstraat en de Ceintuurbaan is doorgetrokken over de Amsteldijk tot nabij de gemeentegrens.
B. en W. stellen zich voor, bij het achtereenvolgens gereedkomen van vakken van het tramwegnet de goed te keuren exploitatielijn zodra mogelijk geheel of gedeeltelijk in de aangegeven vorm in electrische exploitatie te brengen, doch hebben hierbij in één opzicht een tijdelijke afwijking nodig geacht, n.l. bij de lijn, destijds aangeduid met 8. (Linnaeusstraat-Sarphatistraat- Weteringschans-Mamixstraat-Kinkerstraat). Deze kan nog niet afgewerkt worden, vóórdat in 1904 of het begin van 1905 de spoorwegkruising in de Sarphatistraat zal zijn verwijderd. In afwachting daarvan achten B. en W. het zeer nuttig, het Oostelijk deel van deze lijn voorlopig langs de Plantage-Middenlaan en Kerklaan te verbinden aan het gereedgekomen deel van de lijn langs de Weteringschans en de Marnixstraat.
Het schijnt hun nog voorbarig, thans reeds rekening te houden met de mogelijkheid van tramaanleg door de Andreas Bonnstraat, welke mogelijkheid, naar zij menen, zal behoren te leiden tot het maken van een tramverbinding van het Oosterpark in de richting naar het Weesperplein.
De vaststelling door de Raad van een tarief zal B. en W. uit den aard der zaak vrij dienen te laten bij de bepaling van de tijdstippen, waarop, als gevolg van het gereedkomen van werken, van den ene toestand tot de andere zal worden overgegaan, en waarop lijnvakken, welke komen te vervallen, aan de exploitatie worden onttrokken. Het zou bijv. niet doenlijk zijn, thans uit te maken, wanneer de lijn langs de Stadhouderskade tussen de Van Woustraat en de Ferdinand Bolstraat buiten gebruik zal worden gesteld. Al zal de lijn door het Westeinde vermoedelijk niet vóór 1 Maart 1904 gereedkomen, zo zullen de werken aan beide einden van genoemd vak toch wel meebrengen, dat de exploitatie van dat vak vrij spoedig in 1904 moet aflopen, en zeker zal in 1904 de lijn over de Stadhouderskade niet anders kunnen worden geëxploiteerd, dan met overstappen bij de brug vóór de Ferdinand Bolstraat.
Het nieuw voorgestelde tarief opent de mogelijkheid zogenaamde arbeiderstrams in te voeren, en wel door de gelegenheid open te stellen in de vroege ochtenduren van de tram gebruik te maken tegen een aan merkelijk lager tarief dan het normale (2½ ct.). B. en W. vinden geen aanleiding de bevoegdheid van tegen dit lage tarief te worden vervoerd te beperken tot een bepaalde categorie van personen, hetgeen tot grote moeilijkheden aanleiding zou geven. Wel rnenen zij voor hen, die 's morgens vroeg van de tram gebruik maken, ook retourkaarten, eveneens tegen verlaagd tarief, beschikbaar te moeten stellen. Teneinde te voorkomen, dat in de drukke namiddaguren het gewone verkeer te veel zou worden betemrnerd, hebben zij gemeend, de bepaling te moeten vaststellen, dat zij, die van deze retourkaarten gebruik maken, plaats moeten nemen in de bijwagen voor zover daartoe gelegenheid bestaat.
Het ligt voorloopig in de bedoeling een proef met deze regeling te nemen op de lijn Oosterpark—Linnaeusstraat—Dam—lJveer.
Het ontwerp-tarief behoudt zooveel mogelijk het 7½-cents-tarief, maakt voor dat tarief de Dam en het Centraal-Station van alle buitenwijken bereikbaar, en laat, met enige uitbreiding, in de vorm van boekjes van een kleiner aantal kaartjes, de bij de conducteurs verkrijgbare boekjes bestaan. Evenzeer blijven de tweeritskaartjes behouden, doch zij worden in prijs verminderd tot 10 cent, zoals elders, o.a. in Rotterdam, is geschied. Op de lijn Mariniersplein-Markeinplein en op het vak van enige lijnen, hetwelk de Dam verbindt met een eindpunt op het Midden- of Oostelijk Stationseiland, wordt een 5-cents-tarief ingevoerd.
Behalve deze uitzonderingen, wordt voor één lange of korte rit steeds 7½ cent betaald. B. en W. wijzen er op, dat door dit tarief een aanmerkelijke prijsverlaging wordt verkregen, niet alleen door het verlengen van lijnen van f 0.07½-ritten, maar vooral doordien niet alleen alle tweeritskaarten van f 0.12½ op f 0.10 worden teruggebracht, doch zelfs verscheidene trajecten naar het Centraal-Station, die thans f 0.12½ kosten, op f 0.07½ worden gesteld.
Wanneer men aan schattingen van te verwachten verkeersopbrengsten niet meer waarde wil toekennen dan zij verdienen, zou men, als het gehele net elektrisch zal zijn ingericht, een stijging van het aantal jaarlijks vervoerde passagiers, dat thans nog geen 27 miljoen bedraagt, kunnen verwachten tot 37½ millioen, welk aantal ook ten minste nodig is voor de rentabiliteit van het bedrijf. Hierbij bestaat geen reden, ees ongunstige verhouding van de exploitatieuitgaven tot de bruto opbrengst te duchten.
Door B. en W. wordt tevens overgelegd een ontwerp-tarief, zoals dit door de directeur der gemeentetram is voorgesteld, welk tarief ondersteund wordt door een minderheid der Commissie van Bijstand in het beheer der gemeentebedrijven. Dit tarief, dat uitgaat van een grondprijs van 5 cent per rit, gaat verder in de richting van verlaging. B. en W. zeggen niet te kunnen delen in de verwachting, door de directeur gekoesterd, dat bij invoering van dit tarief het vervoer van nog geen 27 millioen passagiers tot 50 millioen zal stijgen, hetgeen ten minste nodig zou zijn, en vrezen, dat grote teleurstelling het gevolg van dit tarief zou wezen, althans in de aanvang. Natuurlijk zal, nadat enige ervaring omtrent het verkeer op het nieuwe net is opgedaan, later altijd nog tot het hierbedoelde tarief kunnen worden overgegaan.
De bedoeling is het nieuwe tarief te doen ingaan op de tijdstippen, door B. en W. vast te stellen, al naarmate de voortgang der werkzaamheden aan het elektrisch te exploiteren tramwegnet zulks mogelijk zal maken. Het tarief, door Burg. en Weths. voorgesteld, omvat de volgende lijnen, zoals zij eerlang zullen aanwezig zijn:

1. Amstelveenscheweg—Leidschepl.—Dam—Stationsplein—Prins Hendrikkade—Czaar Peterstraat 7½ cent; Dam—Stationsplein 5 cent.
2. Koninginneweg—Leidscheplein—Dam— Stationsplein—IJ-veer—Oostelijke De Ruyterkade 7½ cent; Dam—Stationsplein—IJ-veer—Oostelijke De Ruyterkade 5 cent.
3. Station Weesperpoort—Sarphatistraat—Weesperzijde—Ceintuurbaan—Van Baerlestraat—Leidscheboschje—Overtoom—Const. Huygensstraat—Dam— Stationsplein—IJ-veer 7½ cent;
Dam—Stationsplein—IJ-veer 5 cent.
4. Amsteldijk—Ceintuurbaan—Dam—Stationsplein— IJ-veer 7½ cent; Dam—Stationsplein—IJ-veer 5 cent.
5. Weesperzijde—Westeinde—Dam—Stationsplein—Haarlemmerplein—Spaarndammerplein 7½ cent; Dam—Stationsplein—IJ-veer 5 cent.
6. Cruquiusweg—Muiderstraat—Stationsplein 7½ ct. Cruquiusweg—Dam—Stationsplein—IJ-veer (overstappen Mauritskade) 7½ cent; Cruquiusweg—Mauritskade 5 ct.
7. Weesperzijde—Jonas Daniël Meijerplein—Stationsplein 7½ cent.
8. Station Muiderpoort—Weteringschans-Kinkerstraat 7½ cent. Kinkerstraat—Bilderdijkstraat—Dam—IJ-veer (overstappen Bilderdijkstraat)* 7½ cent. Station Muïderp.—Plantage—Dam—lJ-veer (overstappen Mauritskade)* 7½ cent.
9. Oosterpark—Linnaeusstr.—Dam—Stationspl.—IJ-veer 7½ cent. Dam—Stationsplein—IJ-veer 5 cent. 10. Barentszpl.—Zoutkeetsgracht—Marnixstraat— Weteringschans—Plantage—Doklaan 7½ cent. Barentszplein—Haarlemmerpl.—Dam (overstappen Haarlemmerplein)* 7½ cent.
11. Station WP.—Sarphatistr.—Frederiksplein—Dam—Centraal-Station 7½ cent; Dam—Centraal-Station 5 cent.
12. Mariniersplein—Markenplein 5 cent. Mariniersplein—Markenplein—Dam—lJ-veer (overstappen Markenplein)* 7½ cent; Marinierspl.—Prins Hendrikkade—Stationspl.—Dam (overstappen Kadijksplein)* 7 ½ cent.

Tweeritskaarten, op dezelfde lijn of op een der andere lijnen, geldig op de dag der afgifte, 10 cent. Vroegritten, op werkdagen op één of meer door B. en W. aan te wijzen lijnen voor iederen passagier, die vóór 7½ uur 's voormiddags instapt, 2½ cent.
Vroegritten met retour op idem, geldig, behalve als boven, ook nog voor één rit 's namiddags, beginnende tussehen 5 en 8 uur, door een passagier, die op dezelfde dag een vroegrit heeft gedaan en onder verplichting om, zo mogelijk plaats te nemen in een bijwegen, 5 cent.
In plaats van geld, kunnen voor de betaling van de verschuldigde vracht, kaartjes worden gebruikt, voor dat doel verkrijgbaar gesteld. Voor een rit van 7 ½ cent kosten deze kaartjes 6½ cent. Zij zijn bijeengevoegd in pakjes van 5 strooken, elk van 5 stuks, welke in de handel zijn en in boekjes van 25 en van 10 kaartjes. Voor de met * gemerkte lijnen moeten echter speciale boekjes gebruikt worden, om van het 6½ centstarief te kunnen gebruik maken. Voor de 5-centsritten bestaan boekjes van 50 kaartjes à 5 cent en van 20 kaartjes à 5 cent Desgewenst kan men voor een 5 cents-rit een kaartje van 6½ cent in betaling geven. Boekjes zijn slechts bij de conducteurs op de wagen verkrijgbaar. Abonnementskaarten, met inachtneming van dle door B. en W, gestelde en nog te stellen voorwaarden, geldig voor één rit, beginnende vóór 's morgens 10 uur.
vóór ééne lijn voor twee aansluitende lijnen
van 1 Jan.—31 Dec. f 10.— f 12.50
1 Febr. “ f 9.25 f 11.50
1 Maart “ f 8.25 f 10.50
1 April “ f 7.50 f 9.50
1 Mei “ f 6.50 f 8.50
1 Juni “ f 5.75 f 7.50
1 Juli “ f 5.— f 6.50
1 Augustus “ f 4.25 f 5.50
1 September “ f 3.50 f 4.50
1 October “ f 2.50 f 3.50
1 November “ f 1.75 f 2.50
1 December “ f 1.— f 1.50

Scholierkaarten, met inachtneming van de door Burgemeester en Wethouders gestelde en nog te stellen voorwaarden, geldig voor jongelieden niet ouder dan 18 jaren en voor hun geleiders voor één rit op de werkdagen, beginnende vóór 'a morgens 10 uur:
voor ééne lijn voor twee aansluitende lijnen
van 15 Aug.—14 Aug. f 6.— f 7.50
15 September “ f 5.50 f 6.90
15 October “ f 5.— f 6.25
15 November “ f 4.50 f 5.65
15 December “ f 4.— f 5.—
15 Januari “ f 3.50 f 4.40
15 Februari “ f 3.— f 3.75
15 Maart “ f 2.50 f 3.15
15 April “ f 2.— f 2.60
15 Mei “ f 1.50 f 1.90
15 Juni “ f 1.— f 1.25
15 Juli “ f 0.50 f 0.65

Kinderen beneden 3 jaar worden, wanneer zij op schoot zitten en dus geen eigen plaats innemen, kosteloos vervoerd.

Aankoop Percelen.
B. en W. delen aan de raad mede, dat zij in de gelegenheid zijn de percelen, gelegen aan do Tollensstraot Nos. 64, 66 en 68, welk laatste perceel aan de Kinkerstraat is genummerd met 140, aan te koopen voor de prijs van f 30,000. Het komt hun gewenst voor, deze percelen voor de gemeente in eigendom te verkrijgen, in verband met eventuele plannen betreffende de tram- en reinigingsdienst, te meer, daar de prijs met hot oog op de huuropbrengst, die thans f 2600 bedraagt, niet te hoog toeschijnt. Zij stellen voor tot de aankoop over te gaan.

6-10-1903
Ingezonden.
Hooggeachte Redactie !
Mag ik eens een goed woordje doem voor onze tramconducteurs, in casu voor hen, die op de wagens met elektrische drijfkracht rijden? Sedert zij de paardentram verlieten, is voor hen de dienst zwaarder geworden. De wagens rijden sneller en vervoeren meer passagiers. De inspanning der conducteurs is ingrijpender; daartegenover zijn de rustpozen korter. Alleen door voortdurend, d. w. z. van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, in actie te zijn, kan men zijn werk doen. Maar dan, bij het naar huis gaan, is men ook op! En 's morgens, wanneer de taak moet hervat, is men nog niet uitgerust.
Nu behoeft men om de drie dagen alleen in dienst te zijn van ongeveer halftwaalf tot half vier om collega's af te lossen, en heeft men om de 10 dagen een vrije dag. Maar hetgeen overblijft van elke derde dag is bij menigeen niet in staat de, de vorige dagen in spanning gebrachte en gehouden zenuwen, te kalmeren. Er zijn voorbeelden dat jonge mannen, die anders niet wisten wat moeheid was, nu met lome schreden hun werk hervatten. En toch zouden zij het zoo gaarne anders doen! En de 10e vrije dag? . . . Theorie! . . . Door de invoeging van bijwagens moet voldoende personeel in dienst gehouden worden. En zo is dan de conducteur vrij om de 20e dag; 't is gebeurd, dat hij 24, 25 en 26 dagen moest wachten, voor zijn rustdag aanbrak.
Zo ontstonden misstanden, waarvan we de oorzaken niet willen opdiepen en waaromtrent we niemand een verwijt zullen maken. Alleen willen we in bescheidenheid er op aandringen ze weg te nemen. En dat kan.
Heb ik vroeger goed gelezen, dan zullen bij het in exploitatie gaan van al de electrische lijnen, dubbele ploegen personeel in dienst worden gesteld, tengevolge waarvan de conducteurs om de 14 dagen 's-Zondags vrij zullen zijn. Uitstekend! Maar nu de vraag: zou deze maatregel niet reeds kunnen worden ingevoerd voor de in dienst zijnde electrische lijnen. En voor 't geval hier met het oog op het paardentrampersoneel bezwaren aan zijn verbonden, de tweede vraag: zou het niet zeer wenselijk zijn, het getal werkkrachten ten spoedigste te versterken. Ziehier mijn «goede woordje», dat ingang moge vinden bij autoriteiten. : «Voorkomen is beter dan redden.»
Uw dienstw. lezer L. K.
N.B. Nu ik toch over de elektrische tram schrijf, mag ik zeker wel namens vele ouden van dagen in onze goede stad, ook namens zeer vele dames, vragen, of het niet mogelijk zou zijn de balkons der nieuwe electrissche wagens iets lager te laten maken dan die zijn bij de in dienst zijnde rijtuigen? (1) Thans is er zelfs bij onze trappenklimmende bevolking, gewoon aan entreewijdte van ongeveer 2 decimeter, eenige gymnastische oefening voor nodig om behouden op het achterbalkon te komen.
(1) Dit verzoek is zeer gegrond. (Red.)

15-10-1903
Ter secretarie zijn ter lezing gelegd:
(Memorie van Antwoord van het Algemeen verslag der afdelingen van de gemeenteraad over de gemeentebegroting 1904)
Gemeentetram: Bij de invoering van de elektrische trekkracht op een groot deel van het net zal tevens een nieuwe regeling moeten worden gemaakt betreffende de arbeidsduur van het personeel. Er wordt overwogen of het mogelijk is bij die dienstregeling, meer dan tot dusverre, de rustdag van het personeel op een Zondag te doen vallen.
B. en W. zijn bereid in overweging te nemen of het mogelijk is, het vinden van de tramhaltepaaltjes gemakkelijker te maken of de halte op andere wijze aan te duiden.
Met betrekking tot de buitengewoon langzame wijze, waarop de werken voor de tram worden uitgevoerd, wordt in herinnering gebracht het feit, dat de directeur der Gemeentetram in 1901 voor het tot stand komen van het elektrisch tramwegnet, op grond van ervaringen van elders, vreesde een termijn van 4 jaren na het in gebruik nemen van het krachtstation aan de Kadijk te zullen nodig hebben, vooral als gevolg van de aan de vele bruggen te verrichten belangrijke werken. Door groote krachtsinspanning zal het vermoedelijk gelukken veel eerder gereed te zijn.

Gemeenteraad, middagzitting van 14 oktober.
Tramtarief.
Voorstel van het Raadslid J. ter Haar Jr., om het tarief voor het vervoer door de Gemeentetram voor elke lijn vast te stellen op 6 cents per rit. De Heer Wormser stelt voor, dit voorstel en de voordracht van B. en W. inzake het Tramtarief te doen behandelen in de afdelingen. Enige Raadsleden ondersteunen dit verzoek. De Heer Heemskerk zegt dat daartegen geen bezwaar bestaat, mits de afdelingen spoedig vergaderen. Het voorstel-Wormser wordt daarna aangenomen.

16-10-1903
GEMEENTERAAD.
De tegen gisteren uitgeschreven openbare Gemeenteraadszitting is grotendeels in het geheim gehouden. Ongeveer drie uren vergaderde de Raad in besloten zitting. Van te voren was besloten het voorstel van de Heer Ter Haar, om de prijs van een tramrit op 6 cents vast te stellen — een middenvoorstel dus tussen B. en W., die 7½ cent behouden willen, en de directeur, die 5 cent heeft voorgesteld — gelijk met de voordracht van B. en W. ter behandeling naar de afdelingen te verzenden.

19-10-1903
Tramtarief.
Overeenkomstig de toezegging, gedaan in de jongste raadzitting, is door B. en W. in druk overgelegd de Memorie van Toelichting, behorende bij het ontwerp-tarief van het vervoer door de gemeentetram, aanbevolen door de directeur en gevoegd bij de voordracht, dd. 2 October No. 877.

21-10-1903
Brug Zoutkeetsgracht.
Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd:
Door het Raadslid A. Harmsen Jr. is een voorstel ingediend om de Begroting voor 1904 te verminderen met ƒ44,000, zijnde het bedrag nodig voor de ombouw van de brug aan de Zoutkeetsgracht, en alzo het tramwegplan in die zin te wijzigen, dat het eindpunt van de lijn Marnixstraat blijft aan de Zoutkeetsgracht. De voorsteller betoogt bij het zien der cijfers voor de ombouw der brug aan de Zoutkeetsgracht. zijnde f 41,000 ten laste der Gemeente, plus ƒ 16,000 te boeken voor de Tram, dus samen ƒ 60,000, dat de betekenis van deze verlenging niet opweegt tegen de enorme kosten daarmede gemoeid.

Electrische Spoorweg naar Haarlem.
— De werkzaamheden voor de aanleg van de elektrische trambaan naar Haarlem worden met bekwame spoed voortgezet. Vooral in de omtrek van de Slatuintjes ziet men bij de dag de gemaakte vorderingen.
De onderbouw toch voor de eerste brug, nl. die over de toevoersloot naar de Kostverloren Wetering, is gereed. Een aanvang is gemaakt met het baggeren en -uitgraven van den fundeeringsput voor de te leggen spoorbrug over die Wetering zelf, die daar ter plaatse veel breder gemaakt wordt. Deze brug zal bij voltooiing een mooi stuk werk te zien geven, te rekenen naar de kosten, die er aan besteed zullen worden, welke — naar men verneemt — alleen voor de onderbouw ruim f 65,000 zullen bedragen. Bovendien is een nieuwe hulpbrug gelegd over de zoogenaamde „Krommert", een breed water, waarvan de straks genoemde toevoersloot de voortzetting is; deze hulpbrug was nodig geworden in verband met de aanvang van de bouw der definitieve spoorbrug over die vaart.
Tevens kan gemeld worden, dat de sohuitenmakerswerf van de Heer J. Kersch ontruimd is geworden èn verplaatst is naar de Jacob Catskade, terwijl de alom bekende tolgaarderswoning aan het einde van het Lange Bleekerspad ónder sloopers handen is gevallen en de toegang tot de tolbrug (de enige in wier bezit Amsterdam zich nog verheugt?) gewijzigd is en nu loopt over een bemodderde, haast onbegaanbare weg, waarover in de laatste dagen echter enige planken gelegd zijn. — De zandaanvoer door de Baarsjespolder wordt geregeld voortgezet.

23-10-1903
Elektrische motortramwagens.
Bij de dezer dagen gehouden inschrijving naar de levering van de nog nodige motortramwagens is de laagste inschrijfster de firma Van der Zijpen en Charlier, te Keulen-Deutz, die bereid is de wagens te leveren voor een bedrag van ƒ 5,375 per wagen, terwijl de Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel, alhier, een prijs verlangt van f 6,700 per wagen.
De Directeur der Gemeentetram heeft voorgesteld de levering van 50 wagens op te dragen aan eerstgenoemde firma en de levering van 25 wagens aan de Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel, alhier, nadait hij zich eerst vergewist had, dat beide inschrijfsters met een aldus gesplitste levering genoegen zouden nemen. De Commissie van bijstand in het beheer der Gemeentebedrijven adviseerde te beslissen overeenkomstig het advies van de Directeur der Gemeentetram.
Bij de bespreking dezer zaak bleek het College van B. en W. niet tot overeenstemming te kunnen komen. Enerzijds was men van oordeel, dat een beslissing ten gunste van de Nederlandsche industrie, zooals door de directeur werd voorgesteld, niet was gewettigd, waar de inschrijvingen zo belangrijk uiteenliepen en een bedrag van 25 X ƒ 1,325 of ƒ 33,125 meer zou worden vereischt bij levering van 25 wagens door de Nederlandsche industrie. Anderzijds meende men, dat het voor de gemeente wel een financieel offer van genoemd bedrag waard moest zijn om aan de Nederlandsche industrie, die, door de grote protectie, welke de buitenlandse industrie in allerlei vormen geniet, daartegen moeilijk kan concurreren, deze levering op te dragen, te meer waar het betreft een fabriek hier ter stede gevestigd.
Waar omtrent een zoo belangrijke zaak de meningen in het college zozeer uiteenliepen, meenden B. en W. de beslissing aan de Gemeenteraad te moeten overlaten.

30-10-1903
GEMEENTERAAD, 28 oktober.
De Gemeenteraad heeft gisteren een middag- en een avondzitting gewijd aan enige voordrachten en ingekomen stukken, welke aan de behandeling van de begroting voor 1904 voorafgingen. Daaronder waren twee onderwerpen; waarover nog al het een en ander gesproken is. In de eerste plaats het voorstel van den directeur van de Gemeentetram inzake de bouw van nieuwe elektrische tramwagens. Er zijn nog 75 zulke wagens noodig. De minste inschrijver is geweest de firma van der Zijpen en Charlier, te Keulen-Deutz, die aanbood de wagens te leveren voor ƒ5.375 per stuk. De inschrijving van de Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmateriaal alhier was aanmerkelijk hoger: ƒ6,700 per wagen, een verschil dus van ƒ 1.325 per wagen. Niettegenstaande dat verschil heeft de directeur in het belang der Nederlandsche nijverheid voorgesteld, om toch een gedeelte van de leverantie te gunnen aan de Nederlandsche fabriek en wel de levering van 25 wagens. Dit kwam dus hierop neer, dat de Gemeente voor de geheele leverantie 25 X ƒ 1325 of ƒ33,125 meer betalen zou dan wanneer zij het geheele werk gunde aan de laagste inschrijfster: de Duitse fabriek. In het college van B. en W. was men over de zaak niet tot overeenstemming gekomen. De Wethouders Van Hall en Heemskerk hadden oren naar het voorstel, de Wethouder Blooker en de burgemeester niet. (De Heer Serrurier heeft zich als commissaris van de fabriek buiten alle inmenging gehouden). Was 't tot een stemming gekomen, dan zou tengevolge van de beslissende stem van den burgemeester het voorstel verworpen zijn, en daarom had de Heer Van Leeuwen voorgesteld, den Raad te laten beslissen, hetgeen zeker loyaal gehandeld was. De Raad nu heeft zich geschaard aan de zijde van de voorstanders en met 25 tegen 17 stemmen het voorstel van de directeur aangenomen, zodat de leverantie van 50 wagens zal worden opgedragen aan de Keulse en die van de 25 overige aan de Amsterdamse fabriek. Vóórdat dit besluit viel, was er, gelijk men begrijpen zal, heel wat te doen geweest over de verschillende punten, die met deze aangelegenheid verband hielden, als: de toestand der gemeente-financiën, het beginsel van protectie of vrijhandel, de sociaaleconomische zijde van het vraagstuk en wat dies meer zij.

Gemeenteraad, zitting van 28 oktober
Bouw van Tramwagens.
Aan de orde is
No. 936. Voordracht van B. en W. betreffende de gunning van de levering der nog benodigde 75 electrische motortramwagens. (De firma Van der Zijpen & Charlier, te Keulen-Deutz, heeft ingeschreven voor ƒ5.375 per wagen, de Nederl. Fabriek van Werktuigen èn Spoorwegmaterieel, alhier, voor f 6.700 per wagen. In het belang der Nederlandse industrie heeft de directeur van de Gemeentetram voorgesteld, om, niettegenstaande het erschil van ƒ1.325 per wagen, toch een deel van de leverantie, en wel 25 wagens, te gunnen aan de Nederl. Fabriek.
B. en W. wenschen de beslissing over te laten aan de Raad.
De Voorzitter zegt, dat deze voordracht een zeer ongewone is en daarom wel enige toelichting behoeft. Spr. deelt mede dat de prijs waarvoor de Ned. Fabriek inschreef niet belangrijk afweek van die van de andere inschrijvers, behalve de Keulsche fabriek. In het college van B. en W. wenste één lid over de zaak niet mede te discussiëren of te stemmen, zodat door de beslissende stem van de Voorzitter de doorslag zou zijn gegeven en de gunning van de 25 wagens aan de Nederlandsche Fabriek niet zou zijn geschied. Vandaar dat Spr. de beslissing wenste over te laten aan de Raad.
Spr. motiveert zijn afwijzende stem en betoogt dat door de te geven gunning aan die fabriek de ge- meente een verlies zou lijden van ƒ33,000. Een zo grote subsidie uit de Gemeentekas achtte spr. te groot, vooral omdat voor de wagendelen, die hier ter stede werkelijk gemaakt zullen worden voor die 25 wagens, slechts een som van f 1350 aan arbeidsloon zal worden verwerkt. Spr. wijst ook op het gevaar om precedenten te scheppen op dit terrein, daar 't hier eigenlijk zou zijn een verkapt subsidie, die nooit uit leningsgelden mag worden verstrekt en komen zou op de kapitaalstaat van de tram.
De Heer Heemskerk, Weth. voor de Fin., betoogt, dat als men de levering gunt aan de Ned. Fabriek de wagens door elkaar komen op ƒ5816, terwijl de Hongaarsche fabriek die vroeger de wagens leverde den wagen berekende op ƒ5759, welke prgs inderdaad zeer laag is. Hoe komt 't nu dat de gemiddelde prijs van ƒ 5816 werkelijk laag genoemd mag worden ? Omdat deze industrie in Duitsland zoo sterk wordt beschermd en de Keulse fabrikant dus voor zeer lage prijs inschrijven kan. Bovendien heeft de Nederlandsche industrie ondervonden dat hare mededinging in Duitsehland niet gewenst wordt. Welnu, dan behoeft men die van Duitsehland het ten onzent ook niet gemakkelijk te maken. Spr. eerbiedigt de mening van de voorzitter, maar toch meent hij dat het Gemeentebestuur niet afwijkt van de plicht der burgerdeugd als het tracht door gepaste middelen te verhinderen de ondergang van een industrie, die 't reeds tot zekere hoogte heef t gebracht. Er zijn nog andere voordelen met deze zaak gemoeid, nl. dat de ƒ33,000 b.v. verzekert het blijven bestaan, ook in de toekomst, van het huidige getal werklieden op de Nederl. Fabriek, waarvan er, zonder deze bestelling, zeker eerlang ongeveer 50 moeten worden ontslagen. Door verlies van dit geoefende personeel zal ook de fabriek zelf schade lijden, die nu eenmaal de werklieden voor dit speciale onderdeel van haar bedrijf had opgeleid.
De Heer H. Polak is evenmin als de voorzitter een voorstander van kunstmatige binnenlandse protectie, maar hij wijst er echter op, dat de Duitse maatschappij die overigens haar personeel goed behandelt, haar inschrijvingsprijs zoo laag kan stellen omdat zij haar export-prijs kunstmatig lager kan maken door kartelmacchinaties, van welker fijnheden een fatsoenlijk mens moeilijk een begrip kan krijgen. Waar zulke dingen bestaan, heeft spr. moeite zijn anti-protectische neigingen te volgen. Spr. vraagt de cijfers der andere inschrijvers te mogen vernemen, waaruit blijken kan in hoeverre dit juist is.
De Heer Nolting zegt, dat de arbeids-voorwaarden aan de Nederl. Fabriek niet gunstig zijn. De smeden hebben een gemiddeld loon van 18 a 19 cents. Spr. erkent, dat de Raad hier voor een zeer moeilijk geval staat, ls 't waar, wat de Weth. Heemskerk zeide, dat de niet-gunning aan de Nederl. Fabriek slechts zal komen te staan op het ontslag van 50 werklieden, dan zou spr. misschien vóór de niet gunning stemmen, maar hij heeft zijn besluit nog niet genomen en wenst meer licht.
De Heer Kamerlingh Onnes meent, dat de zaak minder bezwaarlijk zou zijn als men niet plotseling was gekomen met een zoo grote bestelling. Bij kleinere leveranties had de Nederl. Fabriek wellicht voor minder kunnen inschrijven dan thans het geval was. Nu dit niet is geschied, is ontstaan een unfaire concurrentie, welke de Gemeente niet in de hand mag werken. Spr. stelt voor om de Duitse fabriek 25 wagens te gunnen, 25 aan de Nederl. Eabriek en voor de overige 25 een nieuwe inschrijving te openen op gunstiger condities dan waarop deze heeft plaats gehad.
De Voorzitter betoogt dat geen bevoorrechting heeft plaats gehad.
De Heer Wiersma waarschuwt tegen een bescherming als hier wordt voorgesteld; zegt men met de Heer Heemskerk, dat 't hier geldt een zuiver Amsterdams belang, dan vraagt spr. waarom dan niet alle 75 wagens gegund werden aan de Nederl. Fabriek? Spr. wijst er op, dat de Duitsche fabriek, die zo veel groter bedrijf heeft, ook goedkoper leveren kan. Beschermt men nu de Amsterdamse nijverheid tegen de Duitsce, dan zal men morgen de Amsterdamse industrie beschermen b.v. tegen de Haarlemse enz. Spr. waarschuwt tegen deze precedenten.
De Heer Korthals Altes vindt de voordracht onnodig en onbehoorlijk en schaart zich geheel aan de zijde van de voorzitter.
De Heer Roelvink refereert zich aan hetgeen de Heer Heemskerk heeft gezegd. De voorzitter heeft hier het gemeentebelang kleiner voorgesteld dan het geval is. Het gaat hier niet om slechts 50 werklieden; dat is de kwestie niet. De wagenindustrie heeft in Duitsehland haar leerjaren reeds achter den rug, maar hier begint zij pas, en geelt men thans de Nederl. Fabriek deze gelegenheid, dan zal zij eerlijk de Duitsche concurrentie het hoofd kunnen bieden. Spr. wijst er op dat verschillende onzer steden, o. a. Rotterdam, er over denken om óók electrische trams te gaan aanleggen. Welnu laat men dan de inlandsche industrie in staat stellen zich voor al die leveranties voor te bereiden. Dat is een economisch belang, waarvoor wij wel ƒ 30,000 mogen over hebben. - Men geeft hier geen cadeau, maar weigert een cadeau te ontvangen van het buitenland, dat alleen door bijkomende omstandigheden zo goedkoop leveren kan, dat hier van een cadeau sprake kan zijn.
Nadat ook de Heer Smit gesproken had ten voordeele van de gunning aan de Nederl. Fabriek, wat hij een plicht der gemeente en in het algemeen belang der burgerij achtte, deelde de Heer Van den Bergh mede, dat de firma Siemens & Halske verklaard had dat zij, als haar de electrische installatie ware gegund, de Nederl. Fabriek had in staat gesteld om de wagens zoodanig te leveren dat het verschil niet ƒ33,000 maar slechts ƒ9000 zou bedragen hebben. Komende op het principe, wijst spr. er op dat niet alleen gevraagd moet worden naar de prijs waarvoor, maar ook naar de wijze waarop iets geleverd wordt. Spr. betoogt ten slotte dat hij over het bezwaar zou zijn heengetogen, als inderdaad het verschil slechts ƒ 9000 ware geweest. De Voorzitter zegt dat hem van een zodanige aanbieding niets bekend is, maar ware zij gedaan, dan zou hij haar niet hebben geaccepteerd als tegen de gewone usance gaande, waaraan de Weth. Heemskerk nog enige nadere inlichtingen toevoegde, waaruit bleek dat de firma Hermans hare aanbieding niet had gedaan aan de gemeente maar aan de Nederl. Fabriek.
De Heer Wormser zei dat wel veel is gesproken, maar dat dit alles niet veel licht verschaft. De Voorzitter heeft verklaard, dat hij hetgeen hier wordt voorgesteld, niet zou doen als 't zijn eigen zaak betrof; spr. meent dat de Raad zich ook op dit standpunt stellen moet en dat alleen hij anders mag handelen, die gewoon is in zijn particuliere zaken onnoodig 25 % te betalen boven hetgeen hij schuldig is.
De Heer IJzerman vindt 't vreemd dat men lage inschrijvers hun lage prijzen kwalijk neemt. Nederland is nu eenmaal geen industrieland. De Heer Kamerlingh Onnes : «Dan weet u van Nederland niets af!«
Dé Heer IJzerman voortgaande, betoogt dat 't niet aangaat, om, zoals de Heer H. Polak deed, laag neer te zien op de Keulse firma, die eenvoudig doet wat elke koopman doet. Spr. herinnert dat reeds vroeger de levering van tien wagens aan de Nederlandsche Fabriek is gegund en vindt er niets tegen om met dit opvoedingsproces voort te gaan. De Heer Caroli wijst er op, dat de gunning van deze tien wagens niet is geschied door de Raad, maar door B. en W., waar zij behoort en zo behoren deze ook thans de verantwoordelijkheid te dragen en niet de Raad. De Voorzitter deelde mede dat inderdaad aanvankelijk tien wagens aan de Nederl. Fabriek waren gegund, maar daaruit volgt niet dat nu ook alle overige door haar moeten geleverd worden. Door althans de levering te gunnen aan de Hongaarsche fabriek heelt de gemeente zich een som van f 280,000 bespaard. Op de debatten terugkomende, zegt spr., dat het Gemeentebestuur onmogelijk bij elke inschrijving kan nagaan of zij ook steunt op verkeerde machinaties. Volgens de redenering van de Heer Heemskerk wordt de middelprijs wel verlaagd, maar dat is niet al het voordeel wat de gemeente behalen kan. De Heer Schut verklaart zich vóór de gunning aan de Nederl. Fabriek; deze industrie die nog jong ia en goed op weg om vooruit te gaan, dient en mag op deze wijze gesteund worden. Er zijn hier behalve de financiele ook morele voordelen.
Daarna werd tot stemming overgegaan. De uitslag was dat vóór de gunning aan de Nederlandsche Fabriek werden uitgebracht 25 stemmen en 17 leden zich daartegen verklaarden. De gunning van 25 wagens was dus goedgekeurd.

31-10-1903
Ter Secretarie is ter lezing gelegd:
Tram tarief.
Verslag van de rapporteurs der afdelingen van de Gemeenteraad, naar aanleiding van de in bahandeling zijnde voorstellen in zake het tramtarief.
Aan het verslag is het volgende ontleend:
Het voorstel van B. en W. vond slechts bij enkele leden bijval. Opgemerkt werd, dat een verlaging, zooals B. en W. die voorstellen, weinig te betekenen heeft, en dat de vereenvoudiging in het systeem van B. en W. zowel als in dat van de directeur der Gemeentetram, niet groot is. In beide gevallen zullen nog steeds 8 a 9 verschillende soorten van kaartjes nodig zijn, terwijl het publiek moet rekening houden met 5 à 6 verschillende soorten van prijzen, ongerekend de verschillende abonnementen en vroegritkaarten.
Enkele leden waren daarentegen van mening, dat het stelsel van B. en W. niet gecompliceerd kan worden genoemd. Men zal daarbij hebben een uniformtarief van 7½ cent met overstapkaartjes van 10 cent, terwijl op slechts enkele korte lijnen, als : Dam—Centraal-Station—lJ-veer, Cruquiusweg—lJ-veer en Mariniersplein—Markenplein, de prijs 5 cents zal bedragen. Juist om reden van eenvoudigheid is het aan te bevelen voor de lange lijnen het tarief van 7½ cent te behouden en dit niet te brengen op 10 cent. Bovendien maakte men de opmerking, dat het de voorkeur verdient eerst de resultaten van de invoering der tarieven van Burg. en Weth. af te wachten, alvorens tot verdere verlaging van het tarief over be gaan. Deze leden achten de stap, die de directeur wil nemen (een 5-centstarief), vooralsnog te gewaagd. Door anderen werd daarentegen opgemerkt, dat de raming van de directeur betreffende het aantal te vervoeren passagiers juister is dan die van Burg. en Weth.
Vele leden waren dan ook van oordeel, dat het tarief van de directeur meerdere aanbeveling verdient dan dat van B. en W. Zij delen volkomen de verwachting van de directeur, dat het tramverkeer zich in die mate zal uitbreiden, dat de rentabiliteit van het bedrijf gewaarborgd wordt. Vooral menen zij die verwachting te mogen koesteren, omdat de directeur in zijn toelichting blijk geeft van buitengewoon ernstige bestudering van het vraagstuk en zijn berekeningen gebaseerd zijn, niet op gissingen, maar op de ondervinding in andere plaateen opgedaan en op uitspraken van de meestbevoegde deskundigen.
Sommigen meenden, dat, waar voorzichtigheid in het algemeen is aan te bevelen, het toch niet roekeloos zou zijn reeds thans een 5-cents-tarief in te voeren; zij wijzen er op, dat bij de Posterijen nooit zulke grote winsten zouden worden gemaakt, indien niet de tarieven zeer laag waren gesteld. Ook wees men op de Telefoon, die, bij een verlaagd tarief, bij iedere uitbreiding meer winst oplevert. Daarentegen werd door een ander lid gezegd, dat de vergelijking met andere (Duitsche) steden niet zulk een gunstigen indruk op hem maakte. Hij wees or op, dat daar 6 cents per rit als minimum wordt geheven, zoodat, bij een verveer van 50,000,000 passagiers, de ontvangsten bij de invoering van een 5-cents-tarief een half miljoen gulden minder zouden bedragen. Deze mening werd weer bestreden onder verwijzing naar de uitkomsten in verschillende steden van Engeland verkregen door do invoering yan een laag tarief. Te Manchester is o.a. een ontzaglijke stijging in het vervoer verkregen door de invoering van een standaardtarief van één penny.
Het voorstel-J. ter Haar Jr. (6-cents-tarief) vond in drie der afdelingen min of meer grote bestrijding. In een andere afdeling werd tegen het vöorstel-Ter Haar het bezwaar geopperd, dat het tarief niet gemakkelijk to betalen is met dei gebruikelijke pasmunt. Had men hier een muntstukje, zooals het 10-pfennigstuk in Duitsland, dan kon men met dat voorstel meegaan, doch nu zeker niet.
Daartegen werd van verschillende zijden de opmerking gemaakt, dat het voorstel-Ter Haar aanbeveling verdient. Door de aanneming van dit voorstel, het invoeren van een uniform-tarief van 6 cents op alle lijnen, zal verkregen worden een zeer grote „eenvoudigheid" in de toepassing, een der voorwaarden, door het congres te Parijs noodzakelijk geacht voor het welslagen der exploitatie van een tramwegnet. In het systeem-Ter Haar kent men slechts één soort van kaartjes en één soort van contramerken.
Tegenover het in verschillende afdelingen beweerde, dat het fooienstelsel niet is te verdedigen en zo spoedig mogelijk behoorde te worden afgeschaft en dat men liever hoger loon moest betalen, dan de inkomsten van het trampersoneel gedeeltelijk afhankelijk te stellen van de te ontvangen fooien, werd van andere zijde gewezen op de omstandigheid, dat de afschaffing van fooien de rentabiliteit van het voorstel van de directeur enigszins verzwakt, want daarvoor zal in de plaats moeten treden verhoging van salaris.
In twee afdelingen wordt door leden de wens uitgesproken om de Dam als middel- en uitgangspunt voor de trams te handhaven. Is het Centraal-Station uitgangspunt, dan komen de wagens gewoonlijk vol op de Dam en is daar geen gelegenheid om mee te rijden. Door anderen wordt daartegen opgemerkt, dat het juist gewenscht is een opeenhoping van tramwagens op de Dam te voorkomen en acht men de mogelijkheid, van op de Dam geen plaats te krijgen, niet groot, waar de meeste lijnen de Dam passeren en bij het Centraal-Station reeds een schifting van passagiers voor de verschillende lijnen heeft plaats gehad, terwijl de electrische tractie ook het meevoeren van bijwagens toelaat.
Met sympathie wordt door allen de proefneming met de invoering van vroegtritten tegen verlaagd tarief begroet. Door meerderen wordt echter de vrees geuit, dat de proefneming met één lijn (Oosterpark—Lirmaeusstraat—Dam—IJ-veer) zal uitlopen op een mislukking. Afgescheiden van de vraag, of de keus van de lijn in dezen wel gelukkig is, zou men die proefneming wel willen uitbreiden tot 2 of 3 lijnen, bijv. lijn 5 (Spaamdammerplein—Weesperzijde). Door enige leden werd 't wenselijk geacht, om de trams 's morgens vroeger en 's avonds. later te doen rijden, met het oog op de velen, die publieke vermakelijkheden, vergaderingen enz. bezoeken, en op de reizigers, die met laatste treinen aankomen. Men vraagt, welke plannen daaromtrent bij B. en W. bestaan. Aangedrongen werd op het in voorraad houden van een voldoend aantal wagens, opdat personen die wensen mee te rijden, steeds plaats kunnen vinden. Men vroeg, of bij het grote vervoer, door de directeur verwacht, wel gerekend is op een voldoend aantal wagens.
Enkele leden bepleitten de invoering van een volledig abonnementstelsel voor één of meer, of voor alle lijnen. Zij vragen welke bezwaren bij B. en W. bestaan tegen de onmiddellijke invoering daarvan en achten het een uitstekende maatregel ter bevordering van het tramverkeer. De ervaring, elders opgedaan, pleit voor die invoering. Een lid wenste afschaffing van het contramerk-systeem, wat de vereenvoudiging ten zeerste zal bevorderen. Hij wees er op, dat de Amstardamsche Omnibus-Maatschappij gedurende al de jaren van haar bestaan dit systeem niet noodzakelijk heeft geacht. Enige leden, voorstanders van het tarief, door de directeur voorgesteld, konden zich niet verenigen met zijn stelsel, om de verkoop van kaartjes geheel af te schaffen. Tegen verkoop op de openbare weg, in de vorm, zooals hij nu geschiedt, hadden zij ernstig bezwaar, evenals vele andere leden, die een der andere voorstellen verdedigden. Dit euvel zal evenwel niet worden weggenomen door het uitsluitend verkrijgbaar stellen der kaartjes in tramwagens, aangezien men dan op de openbare weg wat anders te koop zal aanbieden. De ondervinding leert, dat velen de voorkeur geven aan boekjes of kaartjes boven het telkens betalen in de tram. Vooral voor vrouwen is dit lastig. De verkoop van boekjes en kaartjes levert ook dit financieel voordeel op, dat men een belangrijk bedrag vooraf ontvangt.
Met het oog op de omstandigheid, dat op de lijnen waarvan een gedeelte uit enkel spoor bestaat en dus vermeerdering van het aantal wagens groot bezwaar bij een geregeld verkeer ondervindt, werd door een lid in overweging gegeven de prijs voor die lijnen te verhogen, teneinde het vervoer daarover te ontlasten.
Weer een ander lid vroeg, of invoering van een tweeklassensysteem niet aanbeveling zou verdienen. Daartegen was men van meening, dat een dergelijk stelsel niet zou bijdragen tot verhoging van de populariteit van onze tram.

3-11-1903
Gemeenteraad, zitting van 31 oktober.
Bruggen.
933. Voorstel van het Raadslid Harmsen, om deze post te verminderen met ƒ44.000, zijnde het bedrag, nodig voor de ombouw van de brug aan de Zoutkêetsgracht en alzo het tramwegplan in die zin te wijzigen, dat het eindpunt van de lijn Marnixstraat blijft aan de Zoutkeetsgracht. Tevens is aan de orde: Verzoek van de Stoom-Meelfabriek «Holland» c.s., om het voorstel van B. en W., om de nieuw te maken brug over de Zoutkeetsgracht beweegbaar te doen zijn, aan te nemen.
De Heer Harmsen begrijpt de betekenis niet van het doortrekken van de lijn Marnixstraat, een klein eindje over de brug over de Zoutkeetsgracht; het vervoer tot aan die gracht is uiterst gering. Men zegt, dat de bedoeling is de haveninrichtingen met de tram te verbinden, .maar spr. merkt op, dat de grootste van die inrichtingen, n.l. de Houthaven, toch nog een heel eind van het eindpunt verwijderd blijft. Spr. gelooft, dat 't verstandig zal zijn het tramplan in dit opzicht te wijzigen, hetgeen een besparing van f 60,000 zal opleveren.
De Heer Sutorius zegt dat het kapitaal in de tram gestoken buiten alle verwachting groot wordt; de tram wordt nu ook al beschouwd als een melkkoetje voor de industrie. Nu zal er nog een gedeeltelijk onproductieve lijn bijkomen en 't is op die grond dat spr. stemmen zal vóór het voorstel-Harmsen.
De Heer v. d. Velden gelooft dat het eindpunt van de lijn Marnixstraat van de aanvang af verkeerd gelegd is; dat zal anders zijn, als de lijn wordt doorgetrokken tot de Westerdoksdijk, en op die grond noemt spr. het voorstel-Harmsen verkeerde zuinigheid.
De Weth. Serrurier zegt, dat de brug over de Zoutkeetsgracht niet alleen voor de tram verbouwd wordt; de verbouwing is ook nodig voor het gewone verkeer, en v/ijst er nog op, dat dicht bij het toekomstige eindpunt gebouwd worden de nieuwe steigers voor de Amerika-lijn. De Heer Harmsen zegt, dat de gehele handelsbeweging uit deze richting gaat naar de Korte Prinsengracht, hetgeen dus ook het geval zal zijn met de boten van de Amerika-lijn.
De Heer Kamerlingh Onnes zal, na de wethouder gehoord te hebben, stemmen vóór het voorstel-Harmsen; nu het verkeer naar de Westelijke handelsinrichtingen waarschijnlijk wijziging zal ondergaan ten gevolge van verschillende omstandigheden, ziet spr. het belang van de doortrekking tot het bedoelde punt niet in. De Heer Korthals Altes wenst verbouwing van de brug uit te stellen, totdat de vernieuwing dringend nodig is.
De Weth. Heemskerk meent, dat de Heer Sutorius zijn ergernis over de 25 tramwagens had moeten luchten toen die zaak behandeld werd; dat is beter dan het geven van speldeprikken na de behandeling, al kan spr. er best tegen. Over de zaak zelf sprekende, zegt spr., dat de directeur van de tram de doortrekking beschouwt als een trambelang, waaraan spr. nog toevoegt, dat hierbij ook is gemoeid een belang van algemeen verkeer, waarop reeds door de Heer Serrurier gewezen werd, daar de brug over de Zoutkeetsgracht werkelijk geen ideale brug is. Ook de Heer Bijvoet betoogt, dat het handelsverkeer uitsluitend de richting Korte Prinsengracht neemt, dus is de doortrekking tot de Westerdoksdijk uit dien hoofde overbodig en zal spreker stemmen vóór liet voorstel-Harmsen.
Hierna werd tot stemming overgegaan en het voorstel-Harmsen met 32 tegen 9 stemmen aangenomen, zoodat het eindpunt van de tram Leidscheplein — Marnixstraat — Planciusstraat blijft vóór de Zoutkeetsgracht.

4-11-1903
De Gemeentetram heeft van 1 Januari tot 31 October jl. 22,562,083 passagiers vervoerd tegen 21,831,726 van 1 Jan.—31 Oct. 1902.

7-11-1903
Gemeenteraad, zitting van 5 november.
De Heer Hendrix ondersteunt het adres van winkeliers uit de Vijzelstraat, om bij de werken voor de tram te wachten tot na St.-Nicolaas, zo mogelijk na Kerstmis. Dat behoeft geen invloed te hebben op de oplevering van de tram. Spr. zegt het verzoek te ondersteunen, omdat gebleken is, dat de directeuren van afdeelingen een alles behalve open oog hebben voor de belangen der winkeliers. De Weth. Heemskerk zegt, dat 't hem bevreemdt, dat de winkeliers uit de Vijzelstraat zich niet eerst eens hebben gewend tot B. en W., want dan zouden zij hebben vernomen, dat er geen plan bestaat om vóór Januari met tramwerken in de Vijzelstraat aan te vangen. {Gelach.)

12-11-1903
Gemeenteraad, middagzitting van 11 november.
Ingekomen Stukken.
Verzoek van de Vereeniging «Algemeen Belang, Buurt YY, om het tramtarief volgens het voorstel van den directeur te wiilen bepalen op 5 cents per rit, subsidiair het voorstel-Ter Haar, zijnde 6 cents per rit, te willen aannemen. Te behandelen bij de desbetreffende voordracht.

Er bestaat een moeilijkheid bij het aanleggen van de elektrische tramlijn Plantage—Roeterstraat—Leidscheplein. Deze lijn toch gaat langs het Natuurkundig Laboratorium van Prof. Van der Waals, aan de Plantage Muidergracht en het is een feit, dat de door de rails gaande electrische stroom een storende invloed zal hebben op de gevoelige instrumenten in dat laboratorium, telkens wanneer een tramwagen daar passeert. Er zijn tussen Prof. van der Waals en het Gemeentebestuur onderhandelingen gaande om het bezwaar te ondervangen. De hoogleraar heelt een drietal oplossingen aan de hand gedaan. De eerste is gelegen in een omlegging van de lijn door de Middenaan, waarbij de invloed van de stroom op voldoende afstand van het Laboratorium verwijderd zal worden gehouden; de beide andere komen neer op een, over een gedeelte van de lijn onderbreken van de benedenstroom, zodat daar ter plaatse een dubbele luchtdraad zal moeten worden aangebracht.
Er bestaat tussen Prof. Van der Waals en het Gemeentebestuur volkomen overeenstemming omtrent de wenselijkheid om de moeilijkheid uit de weg te ruinen en wij mochten dan ook uit de mond van aen hoogleraar zelf vernemen, dat het bericht van De Telegraaf, als zou hij met een aanvraag om ontslag hebben gedreigd, ten eenenmale onwaar is.

13-11-1903
Gemeenteraad, middagzitting van 11 november.
Zondagsrust voor het Trampersoneel.
988. Voorstel van de Raadsleden Prof. D. P. D. Fabius, D. Schut, J. Douwes Jr. en A. Harmsen Jr., om B. en W. uit te nodigen te onderzoeken, in hoeverre door beperking van de Zondagsdienst meer vrije tijd voor het trampersoneel te verkrijgen is. De lieer Fabius licht dit voorstel kort toe door erop te wijzen, dat tegenwoordig een algemene drang bestaat om de Zondagsdienst te beperken ; dit dient gewaardeerd te worden, omdat men daarmede de mensen een grote dienst bewijst. Er zijn toch weinig zaken die de mensen zo zeer materialiseren als het wegnemen van de vrije Zondag. Absoluut kan niet aile werk op Zondag worden gestaakt. Er blijkt echter uit een staat, spr. door de Weth. voor de P. W. verstrekt, dat de koetsiers en conducteurs slechts vier geheel vrije Zondagen per jaar hebben, benevens 18 Zondagen waarop zij des middags dienst hebben van 12 tot 4 uur om de anderen gelegenheid te geven te gaan eten. Spr. wijst er op dat op deze wijze van kerkgaan voor deze mensen geen sprake kan zijn. Spr. zegt, dat 't niet de bedoeling is van het voorstel om reservepersoneel aan te stellen; men wil de wijze van regeling geheel overlaten aan het resultaat van het onderzoek van B. en W. Spr. meent, dat de oplossing wellicht hierin kan gevonden worden dat 't publiek zich een opoffering zal dienen te getroosten. De meerderheid der burgerij zal nog wel zo gezind zijn, dat zij tot een klein betoon van mensenliefde bereid zal gevonden worden. Het kon — meent spr. — geschieden op twee wijzen b.v. zooals te Christiania, waar op Zondag het tramverkeer eerst te één uur begint; de andere manier is dat er minder wagens rijden op Zondag. Misschien is er nog een derde weg; doch zoals gezegd de regeling, indien mogelijk, iaten de voorstellers gaarne aan B. en W. over.
De Heer Wormser zegt groot voorstander te zijn van Zondagsrust; toch is er in dit voorstel iets wat nadere toelichting behoeft. De heren moeten komen met een uitgewerkt voorstel, waarvan de praktische uitvoering vaststaat; dat is bij hun voorstel, dat slechts een beginsel uitspreekt, niet het geval. Wat toch zal geschieden als Burg. en Weth. verklaren, dat 't niet mogelijk is wat de heren zo in 't algemeen verlangen ? Dan zullen zij, die er vóór gestemd hebben, bij de kiezers in een gunstig licht verschijnen en de tegenstemmers — die de uitvoering niet mogelijk achtten — allicht in een minder gunstig, welke conclusie toch verkeerd zou zijn. Toch zal spreker voor het voorstel stemmen, omdat B. en W. misschien een deur op een kier zien staan waar spreker slechts een blinde muur ziet; maar liever ziet hij dat de voorstellers hun voorstel intrekken, omdat, als het zoals 't daar ligt niet aannemelijk blijkt, daaruit verkeerde conclusies zullen worden getrokken, n.l. dat de Raad en B. en W. niet voor Zondagsrust zouden gestemd zijn.
De Heer Nolting zegt, dat de Heer Fabius voorop stelt, dat het personeel niet moet worden uitgebreid; dat is onvolledig, want wil men alle conducteurs en koetsiers slechts in de gelegenheid stellen ter kerke te gaan, dan zal het tramverkeer eerst te half-twee kunnen aanvangen. Het personeel verlangt een geheel vrije Zondag en dat is niet mogelijk zonder uitbreiding van het personeel. Het tramverkeer kan niet beperkt worden; het bezwaar is juist dat het tramverkeer hier ter stede te laat begint en 's avonds te vroeg eindigt. Spr. hoopt dat men niet alleen zal rekening houden met hen die ter kerke willen gaan, maar ook met de belangen van het publiek.
De Heer Heemskerk zegt als Raadslid en niet namens B. en W. te spreken. Hij erkent, dat het voorstel niet veel leiddraad geeft aan B. en W. en enigszins dubbelzinnig is. Toch acht hij hetgeen daarin wordt gevraagd, niet geheel onuitvoerbaar. Men moet ook het beginsel onder de ogen zien, want men kan wel principieel zijn in deze kwestie zonder te erkennen, dat alle werk op Zondag zal stil staan. Men mag noodzakelijke arbeid vorderen, óók op Zondag. Hierop komt 't aan. En nu vraagt spr. of 't voor al die mensen, die Zondags trammen, noodzakelijk is, dat zij dit doen. Hij gelooft 't niet en daarom mag wel degelijk overwogen worden of 't tramverkeer op Zondag dient beperkt te worden; men mag hier niet zeggen: de gemeente verdient zoveel geld op Zondag en daarom kan 't niet. 't Is bovendien best mogelijk dat in de week met de tram meer wordt verdiend dan op Zondagen. Op deze gronden zal spr. stemmen vóór het voorstei-Fabius c.s. Ten slotte deelt spr. mede, dat het trampersoneel heeft 213 volledige dienstdagen, 104 dagen van 12 tot 4 uur, 18 aflosdagen (van 12 tot 4) op Zondag, 26 volledig vrije werkdagen en 4 geheel vrije Zondagen per jaar.
De Heer Van Hall is 't met de Heer Heemskerk eens dat het voorstel dubbelzinnig is; daar men naar waarheid beperking van den Zondagsdienst en niet in de eerste plaats Zondagsrust verlangt. Bij alle liefde voor het trampersoneel meent spr. toch dat de tram er is niet voor het personeel, maar omgekeerd: het personeel voor de tram, en men zou door de tramdienst op deze wijze te beperken schade doen aan de velen, die alleen des Zondags van dit vervoermiddel voor gepaste doeleinden gebruik kunnen maken. Zij die dus werkelijk gestemd zijn voor Zondagsrust moeten zich tegen dit voorstel verklaren.
De Voorzitter ontraadt de Raad het doen van deze stap; men eist toch van de burgerij dat 't van een bepaald vervoermiddel haar gebruik zal maken; nu heeft spr. veel eerbied voor hen, die de Zondag doorbrengen met overpeinzingen tehuis, maar hij eist ook eerbied voor hen, die de Zondag in de vrije natuur willen doorbrengen omdat zij dit in de week op geen enkele andere dag kunnen doen. Spr. wijst ook op het feit dat als hun dit genoegen wordt onthouden, velen van deze mensen allicht hun vermaak zullen zoeken op een wijze die zeer zeker ook niet goedgekeurd zal worden door de hh. Fabius c. s. De Heer Douwes (mede-ondertekenaar van het voorstel) betoogt, dat, zo iemand, de Heer Fabius recht voor zijn opinie uitkomt.'t Is dan ook volstrekt de bedoeling niet om het tramverkeer op Zondag te beperken, maar alleen om zonder financiële opoffering het personeel meer vrijheid te geven op die dag. Nog zegt spr., dat 't een uitzondering is als de werkman met zijn gezin ‘s Zondags in de vroegte van de tram gebruik maakt; dat gebeurt, als 't geschiedt, eerst in de middaguren, want na de late Zaterdagavond is 't werkmansgezin Zondags niet zo vroeg.
De Heer Fabius beantwoordt de gemaakte bedenkingen. Hij herinnert dat de zaak is ter sprake gekomen in de afdelingen bij de begrotingsbehandeling en dat het voorstel daarvan de eenvoudige weerklank is. Nu heeft men dat voorstel dubbelzinnig genoemd, maar dan begrijpt men 't niet; de bedoeling is zo scherp mogelijk uitgesproken; die bedoeling is: vrije tijd op Zondag en dat staat er ook duidelijk in uitgedrukt. Men wil dit verkrijgen door beperking van de dienst. De zaak is dus zo zuiver mogelijk voorgesteld. Wie geen enkele tramwagen wil prijsgeven, stemme tegen, maar die in die richting wel wensen mee te gaan kunnen voorstemmen. Waar men nu zegt, dat het voorstel te vaag is, wijst spr. er op dat de uitvoering toch inderdaad moet worden overgelaten aan B. en W., die alleen over de nodige gegevens beschikken Men beweert dat een groot deel der burgerij de tram op Zondag niet kan missen. Ook niet, vraagt spr., als men daarmede schade doet aan anderen, het trampersoneel? De Voorzitter heeft gesproken van eerbied voor de overtuiging van anderen! Maar, vraagt spreker, heeft iemands overtuiging iets te maken met de eis dat hij elke drie minuten een tram te zijner beschikking heeft '? Zijn er zulke onzinnige overtuigingen en moeten die geëerbiedigd worden? Men heeft ook gesproken — 't was de Wethouder voor Onderwijs — van het opzetten van een “dompertje” maar spr. gelooft toch dat de tijden voorbij zijn dat men met zulke woorden, die ganschelijk geen argumenten zijn, iets uitwerkt.
Daarna werd tot stemming overgegaan en het voorstel-Fabius verworpen met 27 tegen 15 stemmen.
De 15 voorstemmers behoorden, op de heren Sutorius en Van Lennep na, allen tot de groep van anti-revolutionnaire, Christ.-Historische en Katholieke raadsleden.

Tramtarief.
Verschenen is de Memorie van Beantwoording van het Verslag der afdelingen van de Gemeenteraad naar aanleiding van de Voordracht van Burg. en Weth., tot het vaststellen van een tarief voor het vervoer door de gemeentetram en van het voorstel van het Raadslid Jan ter Haar Jr.
B. en W. handhaven met nadruk hun gevoelen, dat het door hen voorgestelde tarief niet gecompliceerd kan worden genoemd. Op de voorgrond is bij dit tarief het grondbeginsel gesteld, dat Dam en Centraal-Station van alle buitenwijken voor de grondprijs van 7½ cent bereikt moeten kunnen worden, terwijl voor het afleggen van één lijn, hetzij geheel, hetzij voor een gedeelte, steeds die grondprijs verschuldigd moet zijn. Op laatstgenoemde regel zijn echter 3 uitzonderingen toegelaten en wel voor de afstanden Dam—Stationsplein, Mariniersplein—Markenplein en Cruquiusweg—Mauritskade, die voor 5 cent kunnen worden afgelegd.
Om behalve bovengenoemde uitzonderingen voor 3 zeer korte afstanden, nog een afwijking van de regel, dat voor het afleggen van één lijn steeds het grondtarief van 7½ cent verschuldigd is, voor enkele zeer lange lijnen voor te stellen, kwam B. en W. niet geraden voor. Bijna niemand zal behoefte hebben die lange lijnen in haar geheel af te leggen. Het bezwaar, dat men juist die lijnen 's zomers zal uitkiezen, om te toeren in de open wagens, komt ook hun overdreven voor.
Dat men een retourkaart of tweeritskaart voor 10 cent kan verkrijgen en in plaats van 7½ cent een kaartje in betaling kan geven, dat, bij 10 of 25 tegelijk gekocht, slechts 6½ cent kost, maakt het tarief niet ingewikkeld of moeilijk om daarin de weg te vinden.
De mening der leden, die de stap, die de directeur wil nemen, (5-cents tarief), te gewaagd vonden, wordt door B. en W. gedeeld. Teneinde enig denkbeeld te hebben van een vervoer van 50 millioen passagiers per jaar, houde men in 't oog, dat zulks betekent, een gemiddeld vervoer per dag (138,000 passagiers) als voorgekomen is op de 2e Pinksterdag van dit jaar. Een gemiddelde toevloed van passagiers, gedurende de gehele dag, als op de drukste twee uren van 2e Pinksterdag is voorgekomen, zou een vervoer opleveren van 149,000 passagiers per dag, of 54,3 miljoen passagiers per jaar. B. en W. aarzelen niet de verwachting, dat een vervoer van 50 mijioen passagiers zal worden bereikt, bij een tarief als door de directeur wordt voorgesteld, te optimistisch te noemen.
B. en W. sluiten zich gaarne aan bij de hulde, aan de directeur gebracht, wegens de ernstige studie van het vraagstuk, maar zij kunnen niet toegeven, dat de meegedeelde gegevens de conclusie wettigen, dat tot een zo aanmerkelijke tariefsverlaging, als door de directeur wordt voorgesteld, zou kunnen wonden overgegaan.
De financiële uitkomsten van een onderneming zullen steeds voor een belangrijk deel beoordeeld moeten worden in verband met het daarin gestoken kapitaal, en het tramverkeer en de werking der tarieven hangt samen met de plaatselijke eigenaardigheden van iedere stad. De ervaring in verscheidene andere steden levert overigens alle grond op, om in deze voorzichtig te zijn. Het komt er hier op aan, of er inderdaad grond bestaat voor de verwachting, dat het verkeer, tengevolge van het door de directeur ontworpen tarief, ongeveer verdubbelen zal. Voor die verwachting ontbreken op dit ogenblik voldoende gegevens.
De mogelijkheid bestaat, dat later, nadat eenmaal de elektrische tractie volledig in werking zal zijn getreden, zodanige gegevens zullen aanwezig zijn. Dan kan nagegaan worden, of men tot een tarief in de geest van het ontwerp van de directeur veilig kan besluiten.
Inmiddels is het hoogst ongeraden door een tarief tot een te laag uniform bedrag zich daartoe de pas af te snijden.
Over het fooienstelsel menen B. en W. bij deze gelegenheid niet te moeten uitweiden. Hoe groot de invloed moge zijn vam het geven van fooien, toch mag een tariefsregeling huns inziens deze niet tot uitgangspunt hebben.
Het handhaven van de Dam als middel- en uitgangspunt van de trams zou overwegende bezwaren hebban. Niet alleen zou daarvoor een veel ingewikkelder sporen- en dradenaanleg nodig zijn, dan waarmede thans kan worden volstaan; niet alleen zou het stationneren van een aantal motor- en bijwagens op de Dam storend voor het gewone verkeer zijn; maar vooral zouden de Paleisstraat en de Mozes- en Aaronstraat met veel meer tramverkeer dan thans moeten worden belast, en zou het overstappen op de Dam door personen, wier bestemming het Centraal-Station is, zeker ernstige klachten tengevolge hebben. Er zal voor gezorgd moeten worden, dat men, al komen de wagens van het Stationsplein, toch op de Dam gelegenheid zal vinden mede tr rijden. B. en W. zullen de proef met de vroegritten zoo deugdelijk mogelijk nemen.
Met belangstelling namen B. en W. kennis van de wenken, met betrekking tot een nieuwe dienstregeling gegeven. Omtrent dit onderwerp kunnen zij meedeelen, dat wijzigingen in voorbereiding zijn en dat bij de nieuwe regeling de uren voor de vroegritten zó vroeg zullen gesteld worden, als met het oog op het jaargetijde doelmatig is. Een verschuiving van het einde der vroegritten tot 8 uur achten B. en W_ niet gewenst.
Het ligt toch in de bedoeling, de gewone dienstregeling te halfacht uur te doen beginnen, waardoor dat tijdstip als vanzelf voor het einde der vroegritten is aangewezen.
Omtrent de arbeidsduur van het personeel, menen B. en W. thans geen bepaalde toezegging te mogen doen. Daartoe zouden zij de financiële gevolgen van een en ander eerst meer volledig moeten hebben kunnen overzien dan thans nog het geval is. Alleen willen zij er op wijzen, dat natuurlijk niet van een beambte, die 's ochtends zeer vroeg in dienst is gekomen, zal worden verlangd, dat hij tot middernacht dienst doet. Al wordt daarbij een twee-ploegenstelsel, hetwelk bij de tram nergens bestaat, niet ingevoerd, zo zal op de behoefte aan nachtrust, vrije dagen en ook vrije Zondagen, binnen de grenzen van het bereikbare, worden acht gegeven.
Een voorlopige, afwachtende houding ten aanzien van het stelsel van volledige abonnementen, achten B. en W. alleszins gewettigd.
Ofschoon het vraagstuk van de controle der betaald hebbende passagiers (de zgn. contramerken) thans niet aan de orde is, willen B. en W. wel meedeelen, dat zij overtuigd blijven van de noodzakelijkheid, dat iedere passagier voorzien is van een behoorlijk plaatsbewijs. Dat de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij bedoeld systeem, waarvan zij kon voorzien, dat het niet zeer in de smaak zbu vallen, niet heeft toegepast, komt alleen daaruit voort, dat zij het door onvoldoende controle geleden verlies niet zeer hoog schatte.
Het invoeren van twee klassen, een stelsel, hetwelk hier zelden bij tramwegen voorkomt, zou geen aanbeveling verdienen. Bij de hier gebruikelijke ruime wagens, wordt de behoeft daaraan inderdaad nog minder dan elders ingezien.
Ten slotte bespraken B. en W. het voorstel-Ter Haar (6-eents-tarief), waarvan zij de eenvoudigheid te duur gekocht achten. Ook met een te amenderen voorstel-Ter Haar, waarbij daaraan tweeritskaarten werden toegevoegd, zouden zij niet kunnen medegaan. Handhaving van het beginsel, dat het centrum voor het grondtarief van alle buitenwijken moet kunnen worden bereikt, zal, naar het oordeel van B. en W., bij het tarief op de voorgrond moeten staan. Mocht het de bedoeling zijn om in het tarief van B. en W. de prijzen van 7½ en van 5 cent te veranderen in 6 cent, dan zouden zij ook dit voiarstol, met het oog op de rentabiliteit van het bedrijf, ernstig willen ontraden. De verlaging van de grondprijs van 7½ tot 6 cent zal, naar hun mening, een aanzienlijk lagere opbrengst ten gevolge hebben, terwijl de verhoging van 5 cent op 6 cent voor de 3 hiervoren genoemde kleine afstanden, van zeer geringe invloed zal zijn. Bij de Memorie is gevoegd een Nota van de directeur der tram, bevattende opmerkingen naar aanleiding van het in de afdelingen verhandelde over het door hem aanbevolen tarief, dat hij blijft handhaven.

18-11-1903
Tram tarief.
Door de Raadsleden H. van Lennep, J. P. Korthals Altes, J. A. Wormser, J. N. Hendrix, Mr. J. P. A. N. Caroli en Mr. Z. van den Bergh is een voorstel bij de Raad ingediend, om het tarief op alle lijnen, zoals die in het door B. en W. voorgesteld concepttarief zijn aangegeven, vast te stellen op 6 cents per rit. In de plaats van geld kunnen voor de betaling van vracht kaartjes worden gebruikt, op door B. en W. aan te wijzen plaatsen en bij de conducteurs der wagens voor dat doel tegen de volle prijs verkrijgbaar gesteld, bijeengevoegd in pakjes van 5 stroken, elk van 5 stuks, en — of — in boekjes van 10 en van 25 kaartjes. Voorts om uit te geven:
a. tweeritskaarten ad 10 cents, geldig op de dag der afgifte op dezelfde lijn of op een der andere lijnen;
b. vroegritkaarten ad 2½ cents op werkdagen, op een of meer door B. en W. aan te wijzen lijnen, voor iedere passagier, die voor 7½ uur 's voormiddags instapt. Houders van deze vroegritten zullen tegen afgifte daarvan op dezelfde lijn en op denzelfden dag, mits tusschen 6 en 8 uur 's namiddags, een retourrit kunnen maken tegen betaling opnieuw van 2½ cent;
c. abonnementskaarten met inachtneming van de door B. en W. in hun concept-tarief voorgestelde of nog te stellen voorwaarden ;
d. scholierkaarten met inachtneming van de door B. en W. in hun concept-tarief voorgestelde of nog te stellen voorwaarden.
Kinderen beneden 3 jaar worden, wanneer zij op schoot zitten en dus geen eigen plaats innemen, kosteloos vervoerd.
De bedoeling is een en ander te doen ingaan op de tijdstippen, door B. en W. vast te stellen, al naarmate de voortgang der werkzaamheden aan het elektrisoh te exploiteren tramwegnet zulks mogelijk zal maken. In de toelichting tot dit voorstel wordt een zo goedkoop mogelijk uniform tarief wenselijk geacht. De voorstellers menen, dat het voorstel van B. en W. daarin niet voldoende voorziet. Waar door B. en W. het grondbeginsel op de voorgrond wordt gesteld, dat Dam en Centraal-Station van alle buitenwijken voor de grondprijs van 7½ cent bereikt moeten kunnen worden, terwijl voor het afleggen van een lijn, hetzij geheel, hetzij voor een gedeelte, steeds die grondprijs verschuldigd moet zijn, wordt door hen over het hoofd gezien, dat een groot deel der passagiers, en wel het meer bemiddelde publiek, dat voorzien is van kaartjes of boekjes, onder hun tarief niet 7½ cent doch 6½ cent betaalt, terwijl het meer onbemiddelde publiek, dat per rit betaalt, de hogere prijs van 7½ cent moet voldoen. Is hierin een onbillijkheid gelegen, ook blijkt hieruit, dat het gevaar voor ongenoegzame rentabiliteit bij een uniform tarief van 6 cent niet zoveel groter is, dan bij het door B. en W. voorgestelde tarief van 7½ cent, waar dit in vele gevallen maar 6½ cent per passagier in de Gemeentekas doet vloeien. B. en W. zien geen verwerpelijke complicatie in het toepassen van een 5-cents-tarief op de afstanden Dam—Stationsplein, IJveer, Cruquiusweg—Mauritskade en Mariniersplein—Markenplein. Waar de eerste twee trajecten geen afzonderlijke lijnen uitmaken, doch gedeelten zijn van langere lijnen, zien de voorstellers niet in, waarom daarvoor een afzonderlijk tarief van 5 cent moet worden geheven, dat dan met evenveel recht op andere gedeelten van hoofdlijnen zou kunnen worden toegepast. Wat de vroegritten betreft en de daarop betrekking hebbende retourritten, menen zij, dat indien daarvoor, en hun inziens terecht, beperkende bepalingen worden nodig geacht, die meer gezocht moeten worden op het punt van tijdsbepaling dan op dat van plaatsneming in bijwagens. In de vooravond is op de meeste lijnen het drukste verkeer gewoonlijk waar te nemen tussen 5 en 6 uur, waarna het tijdelijk afneemt: zij wensen de retourritten daarom te stellen tussen 6 en 8 uur 's avonds. Ten behoeve van degenen, die vóór 6 uur of na 8 uur van hun bezigheden komen en dus niet meer van het goedkopere tarief kunnen profiteren, geldt de bepaling, dat de retourrit eerst betaald wordt gedurende die rit op vertoon van het 's morgens ontvangen contramerk, dus niet betaald als men niet kan meerijden.
De voorstellers menen, dat hun voorstel, wat rentabiliteit betreft, zo het niet voordeliger is, dan toch zeker niet ver achterstaat bij dat van B. en Wv en de voorkeur verdient boven het door de directeur der gemeentetram voorgestelde tarief, dat hun voor het ogenblik te ver gaat en bovendien te ingewikkeld voorkomt. Wat eenvoud betreft, staat het slechts weinig achter bij het door de Heer Jan ter Haar Jr. voorgestelde tarief, terwijl de daartegen ingebrachte bezwaren door dit voorstel grotendeels zijn ondervangen.

Aanbestedingen.
B. en W. 1e. (………………); 2e. evering van 22,515 ton balk U, TL ijzer en vlakke platen voor het versterken van 6 vaste bruggen ten behoeve van de gem. tram, 2 inschrijvingen ; minste van Dekema en Chabot, Rotterdam, ƒ 61.50 per ton dooreen.

23-11-1903
Vergadering Kamer van Koophandel van 20 november.
Bij de rondvraag herinnerde de Heer Hubrecht aan het raadsbesluit om de vervaardiging van 25 motorwagens voor de tram te gunnen aan een Nederlandse fabriek, hoewel een buitenlandse dat werk voor ƒ 33,000 minder heeft willen doen. Hij zou dit besluit, dat hij achtte te zijn noch in het belang der gemeente, noch in dat van de nijverheid, niet verder bespreken, doch hij wenste de aandacht te vestigen op een hiermede verband houdend feit, n.l. de omstandigheid dat door de gemeenten de bestekken voor grote werken worden ingericht op een wijze, die 't hoogst moeilijk maakt voor de Nederlandse nijverheid om mede te dingen. De electrische nijverheid is in ons land pas in haar opkomst en nu kan zij onmogelijk doen wat aan de grote consortiums van het buitenland gemakkelijk valt: inschrijven voor het gehele werk. En op dit laatste nu wordt 't in de bestekken toegelegd. Men wil op die wijze de verantwoordelijkheid voor de levering geheel van zich schuiven en overbrengen op de aannemer. Daardoor zijn de bestekken vaag en zoveel omvattend, dat alleen zeer grote firma's kunnen inschrijven. Ware 't anders, werden de onderdelen af zonderlijk aanbesteed, dan zouden ook de Nederlandse fabrikanten kunnen mededingen. Men had b.v. met betrekking tot de tram de ijzeren masten, het draad enz., al welke zaken best hier in 't land konden gemaakt worden, afzonderlijk kunnen aanbesteden. Spr. erkent dat 't voor Amsterdam te laat is om in dit opzicht tot een ander stelsel over te gaan, maar daar vele steden op het punt staan de elektriciteit ook te gaan toepassen, achtte hij 't in het belang van de nijverheid als zodanig op deze zaak de aandacht te vestigen. Wellicht kan een commissie worden benoemd om dit punt nader onder de ogen te zien. De Voorzitter zei, dat hij het gewicht van het onderwerp inzag en het met de Commissie voor de Nijverheid zal bespreken, waarna de vergadering werd gesloten.

24-11-1903
Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd:
Tramtarief.
Door de Raadsleden Spakler, Kamerlingh Onnes en Wiersma is een tramtarief voorgesteld, dat overeenkomt met dat van de directeur (5-centstarief). In hun toelichting zeggen de voorstellers te kunnen verwijzen naar diens zeer zaakkundige toelichting, waaruit blijkt, op welke gronden hij meent, dat de exploitatie volgens zijn tarief zal leiden tot een zo groot mogelijk passagiersvervoer en daardoor tot de gunstigst mogelijke financiële opbrengst in verband met de minst mogelijke exploitatiekosten.
B. en W. menen het zo hoog nodige grootere tramverkeer (in verband met de rentabiliteit) te zullen bereiken door grotendeels het thans bestaande tarief van 7½ cent per rit te handhaven, maar dan voor langere trajecten dan tot nu.
De voorstanders zijn overtuigd, dat voordelige en juiste exploitatie alleen kan bereikt wordon, door de gelegenheid te openen om het tramverkeer zo hoog mogelijk op te voeren, wat slechts dan kan bereikt worden, door het aannemen van een (in verband met de rentabiliteit) zo laag mogelijk tarief, en waardoor het tramverkeer gebracht zal worden onder het bereik der grote massa, en een ieder, ook voor zeer korte afstanden, zich van de tram kan en zal bedienen.
En nu de tramtarieven gezien uit een oogpunt van eenvoudigheid en billijkheid: Een sectie-tarief is het rechtvaardigst, maar is lastig voor het verkeer. Een uniform-tarief is het eenvoudigst, maar kan nadelig zijn voor de rentabiliteit. Welnu, het project-tarief van de directeur der gemeentetram heeft beide factoren zo verenigd, dat het eenvoudige en voor een ieder begrijpelijke uniform-tarief daarin deelt voor: 90 procent en het sectie-tarief voor 10 procent. Dat het tarief niet ingewikkeld is, blijkt wel hieruit, dat met het uniform-tarief van 5 cent men van alle punten aan de omtrek van de stad naar het middelpunt — de Dam — kan komen, dat is dus een uniform-tarief voor 90 pCt. van het totale vervoer, terwijl voor de overige 10 pCt. gemakkelijke combinatiën zijn gemaakt, waarbij het juiste begrip in 't oog is gehouden, dat voor langere trajecten ook hoger tarief moet gelden. En daar volgens buitenlandse ondervinding een gecombineerd tariefstelsel geen bezwaren ondervindt — zal zulks ook hier niet gevoeld behoeven te worden. Ten slotte wijzen zij er op, hoe de grote massa der passagiers, ook die van kleinere draagkracht, bij het aangegeven tarief gebaat zullen zijn. De 53 trajecten volgens het project-tarief van de directeur wijzen aan: 34 trajecten van 5 cent, 16 trajecten van 7½ cent, 3 trajecten van 10 cent, terwijl de 26 trajecten volgens het voorstel van Burg. en Weth. verdeeld zijn in slechts 9 trajecten van 5 oent en 17 trajecten van 7½ cent, en voor alle overstapjes of tweeritskaarten 10 cent.
Er bestaat, naar de mening van de heren Spakler c.s. geen reden, dat, waar in Berlijn met een hoogste aantal van 129 ritten per inwoner, en in München met het laagste aantal van 95 ritten per inwoner, Amsterdam het cijfer van 92 ritten niet zou halen, waardoor, naar de berekeningen van de directeur, een behoorlijk evenwicht zou ontstaan tussen een gewenste rentabiliteit bij de exploitatie en het tot zijn volle recht komen van ons tramverkeer.
Door de Heer Wijnmalen wordt voorgesteld het nieuwe tramtarief van B. en W. uiterlijk 31 December 1906 te herzien. De voorsteller wijst er op, dat op die wijze de directeur een vol jaar de tijd en de gelegenheid heeft om de ontwikkeling van het bedrijf in haar geheel na te gaan, om daarna de gegevens omtrent het meerdere personenvervoer aan de Raad over te leggen. Dan zal de Raad met meerdere kennis van zaken kunnen beoordelen, welk van de thans voorgestelde tarieven men verder wil toepassen.

25-11-1903
STADSNIEUWS.
Ter Seretarie is ter lezing gelegd:
Tramtarief.
Voorstel van de Raadsleden J. B. van Dijk en C. H. van der Velden, om in het voorstel van de Heer Jan ter Haar Jr. te lezen:
Het tarief op alle lijnen van de Gemeentetram, zoals die door B. en W. zijn aangegeven, vast te stellen op 6 cents per rit, met uitzondering van den na te noemen vroegrit- en abonnementskaarten.
a. Het tarief voor vroegritten vast te stellen op 2½ cent op werkdagen, op één of meer door B. en W. aan te wijzen lijnen, voor iederen passagier, die vóór 7½ uur 's voormiddags instapt;
b. het tarief voor vroegritten met retourkaarten vast te stellen op 5 cents, geldig op werkdagen, op dezelfde dag, voor één rit 's namiddags tusschen 6 en 8 uur.
Abonnementskaarten verkrijgbaar te stellen, met inachtneming van de door B. en W. gestelde en nog te stellen voorwaarden, geldig voor één rit, beginnende vóór 's morgens 10 uur;

Van Voor 1 lijn Voor 2 aansluitende lijnen
1 januari – 31 december ƒ 10.— ƒ 12.50
1 februari – 31 december ƒ 9.25 ƒ 11,50
1 maart – 31 december ƒ 8.25 ƒ 10.50
1 april – 31 december ƒ 7.50 ƒ 9.50
1 mei – 31 december ƒ 6.50 ƒ 8.50
1 juni – 31 december ƒ 5.75 ƒ 7.50
1 juli – 31 december ƒ 5,-- ƒ 6,50
1 augustus – 31 december ƒ 4,25 ƒ 5,50
1 september – 31 december ƒ 3,50 ƒ 4,50
1 oktober – 31 december ƒ 2,50 ƒ 3,50
1 november – 31 december ƒ 1,75 ƒ 2,50
1 december – 31 december ƒ 1,-- ƒ 1,50

Scholierkaarten verkrijgbaar te stellen met inachtneming van de door B. en W. gestelde of nog te stellen voorwaarden, geldig voor jongelieden, niet ouder dan 18 jaar en hun geleiders, voor 1 rit op de werkdagen, beginnende voor ’s morgens 10 uur:
Van Voor 1 lijn Voor 2 aansluitende lijnen
15 augustus – 14 augutus ƒ 6,00 ƒ 7,50
15 september – 14 augustus ƒ 5,50 ƒ 6,90
15 oktober – 14 augustus ƒ 5,00 ƒ 6,25
15 november – 14 augustus ƒ 4,50 ƒ 5,65
15 december – 14 augustus ƒ 4,00 ƒ 5,00
15 januari – 14 augustus ƒ 3,50 ƒ 4,40
15 februari – 14 augustus ƒ 3,00 ƒ 3,75
15 maart – 14 augustus ƒ 3,50 ƒ 3,15
15 april – 14 augustus ƒ 2,00 ƒ 2,50
15 mei – 14 augustus ƒ 1,50 ƒ 1,90
15 juni – 14 augustus ƒ 1.00 ƒ 1,65
15 juli – 14 augustus ƒ 0,50 ƒ 0,65

27-11-1903
STADSNIEUWS. GEMEENTERAAD.
Wij krijgen in de eersten tijd nog geen verlaagd tramtarief. Men wil eerst eens een anderhalf jaar zien hoe 't gaat met de elektrische drijfkracht en dat is zeker voorzichtig; maar, na al wat in de laatste tijd over dat tarief in officiële stukken is meegedeeld, na het toch inderdaad niet onvoorzichtige voorstel van B. en W., dat een 7½ cents-tarief behouden wilde, met verlaging van de overstapjes en retours tot 10 cents, hetgeen voorlopig had kunnen worden toegepast, had de burgerij toch iets meer positiefs verwacht. De schuld ligt bij het grote getal amendementen, dat een soort van vertwijfeling bracht over de leden van de Raad, zodat 't de meesten ging als de Heer Sutorius, die verklaarde dat het tariefvraagstuk hem duisterder werd naarmate hij er zich meer in verdiepte. In die stemming was de Raad ontvankelijk voor de motie van orde, voorgesteld door de Heer Kruseman en vier andere Raadsleden, om het bestaande tarief te handhaven tot 30 Juni 1905 en dan verder te zien. In die tijd zal men ervaring hebben opgedaan omtrent het effect van electrische tractie op de vermeerdering van het getal passagiers, zonder dat altijd enigszins gevaarlijke proefnemingen met het tarief daarmee gepaard gaan. Een omstandigheid, welke zeer zeker ook tot het nemen van dit besluit heeft medegewerkt, was de mededeeling, dat in Duitsland een goedkoop uniform tarief allerwege fiasco heeft gemaakt; dat was de dood voor het voorstel-Ter Haar, waarbij zulk een tarief à 6 cents verdedigd werd. De toestand blijft dus bij het oude tot 30 Juni 1905; de proef met vroegritten (arbeiderstrams) zal echter doorgaan.

Gemeenteraad, middagzitting van 25 november
Ingekomen o.a.
Adres van de afd. Amsterdam van de Nat. Bond van Handels- en Kantoorbedienden in Nederland, om de vroegntkaartjes van de tram geldig te verklaren tot 8½ uur , en de abonnementskaarten ook tussen 5 en 8 uur ‘s namiddags. Bij de voordracht.
(……..)
877. Voordracht van B. en W. tot vaststelling van een nieuw tramtarief, met de daarop ingediende voorstellen. De voordracht van B. en W. strekt tot behoud van het 7½ cents-tarief. Voor dat tarief zullen de Dam en het Centraal-Station van alle buitenwijken af bereikbaar zijn. Een tweeritskaartje (retour of overstap) zal 10 cents kosten. (Op enkele korte lijnen zooals: Mariniersplein—Markenplein, Dam—Stationseiland wordt een 5-centstarief ingevoerd). Er zullen arbeiderstrams lopen op werkdagen vóór half-acht 's-morgéns a 2 ½ cent per rit; retour 5 cents, van welk retourbiljet gebruik kan gemaakt worden 's namiddags tussen 5 en 8 uur, mits de bezitter plaats neemt in een bijwagen (voorlopig bij wijze van proef op de lijn Oosterpark—Linnaeusstraat—-Dam—IJveer). Inplaats van met geld zal betaald kunnen worden met kaartjes à 6 ½ cent. Verder zullen verkrijgbaar zijn: abonnementskaarten, geldig voor een rit vóór 's morgens 10 uur a ƒ 10 voor één lijn en ƒ 12.50 voor twee aansluittramlijnen; benevens scholierkaarten voor dezelfde uren ad ƒ 6 en ƒ 7.50.
Door de Heer Ter Haar wordt voorgesteld: het tarief voor elke lijn vast te stellen op 6 cent per rit en de tweeritskaarten te doen vervallen. Dat voorstel wordt aangevuld door de h.h. Van Dijk en Van der Velden met de bepaling, dat vóór 7½ uur 's morgens vroegritten (arbeiderstrammen) zullen worden toegestaan à 2½ cent, retourbiljetten voor dat doel à 5 cent, geldig tusschen 6 en 8 uur des avonds. Abonnements- en scholierkaarten als bij B. en W.
Door de h.h. Van Lennep, Korthals Altes, Wormser, Hendrix, Caroli en v. d. Bergh wordt voorgesteld: een tarief van 6 cents per rit, met tweeritskaarten a 10 cents. Arbeiderstrams als bij B. en W. met dit verschil, dat degeen die, daarvan des morgens heeft gebruik gemaakt, op dezelfde lijn, des middags tusschen 6 en 8 uur, tegen betaling van opnieuw 2½ cent kan terugrijden. Abonnements- en scholierkaarten als bij B. en W.
Door de h.h. Spakler, Kamerlingh Onnes en Wiersma wordt voorgesteld een tarief van 5 cent. (Het systeem van de directeur der tram). Men zal voor die prijs kunnen rijden op 34 trajecten (voor 16 lange trajecten wordt 7½ cent en voor 3 (nog langere) 10 cents berekend. Voorts arbeiderstrams als bij de h.h Van Lennep c.s. Abonnements- en scholierkaarten als bij B. en W.
De Heer Wijnmalen heeft voorgesteld, het tarief van B. en W., indien aangenomen, uiterlijk 31 Dec. 1906 te herzien.
De Heer Smit heeft voorgesteld de vroegritten een uur later te stellen, dus toe te laten tot 8½ uur en de abonnementsritten óók tussen de uren 5 en 8 ‘s avonds.
De algemeene beraadslagingen worden geopend. De Heer Spakler zegt; dat 't niet gemakkelijk valt een juist tarief vast te stellen, maar hij meent dat de vaststelling daarvan reeds thans nodig is. Men moet hierbij uitgaan van de beginselen, dat de rentabiliteit van het bedrijl verzekerd is, de dienst goed is en een behoorlijke vergoeding aan de Gemeente wordt uitgekeerd. Aan die voorwaarden nu voldoet z. i. niet het tarief van B. en W. Anders is 't met het voorstel van de directeur, dat op ervaring steunt en nog het voordeei heeft van de gedeeltelijke invoering van een sectie stelsel. Spr. nu meent dat B. en W. te voorzichtig zijn geweest en dat tegen aanneming van een verlaagd tarief — in hoofdzaak van 5 cents — geen bezwaar kan bestaan; hij beveelt daarom invoering van dat tarief ten zeerste aan.
De Heer Ter Haar licht zijn voorstel — een uniformtarief van 6 cents — toe. Hij betoogt dat volgens zijn tarief ongeveer ƒ 117.000 per jaar meer ontvangen zal worden dan bij dat van B. en W. Het tarief is bovendien eenvoudig zowel voor het publiek als voor het personeel, dat niet meer te maken zal hebben met zoveel verschillende kaartjes als bij het tarief van B. en W.; nog zullen behouden blijven. Spr. is tegen verlaging van de prijs voor vroegritten (arbeiderstram), omdat deze ritten de kosten niet zullen dekken, hetgeen verschillende steden in. Duitschland, waar men er proeven mede genomen heeft, bewijzen. Op die zelfde grond is spr. ook tegen abonnements- en scholierkaarten, verlaging van de prijs bij het nemen van boekjes, m.a.w. tegen alles wat inbreuk maakt op het uniformtarief. Spr. gelooft, dat bij toepassmg van een 6-centstarief voor elke lijn en voor alle passagiers zal blijken, dat men wellicht tot 5 cents zal kunhen overgaan.
De Heer Van Dijk verdedigt de uitbreiding, welke hij en de Heer v. d. Velden aan het voorstel Ter Haar wensen te geven en betreurt 't, dat de Heer Ter Haar niet wenst mede te gaan met de invoering van arbeiderstrams, wat spr. een sociale plicht noemt, waaraan de Gemeente zich niet langer onttrekken kan.
De Heer v. Wijnmalen, zegt dat alle voorgestelde amendementen berusten op hypothesen: men weet niet in welke mate het aantal passagiers bij elektrische drijfkracht zal vooruitgaan, welke lijnen zullen dienen gewijzigd te worden, enz. Spr. wil over dit alles de ervaring laten beslissen; blijkt het tarief van B. en W. te hoog, dan kan 't verlaagd worden, maar dit moet werkelijk eerst gebleken zijn. Daarom is spr. er voor dat nu reeds bepaald zal worden dat het tarief op een bepaalde tijd zal moeten worden herzien, een tijd, lang genoeg om over de resultaten te, kunnen oordelen. Spr. zou dus tegen alle voorstellers van amendementen willen zeggen: houdt uw voorstellen nog een paar jaar in portefeuille en wacht de uitkomsten van het tarief van B. en W. af. De Heer Van Lennep zegt, dat hij en zijn medevoorstellers hun amendement hebben ingediend uit vrees voor de aanneming van het 5-centstarief van de directeur, dat z. i. voor het ogenblik veel te ver gaat. 't Zal later gemakkelijker zijn een te hoog tarief te verlagen dan omgekeerd een te laag te verhogen.
De heer Kruseman dient ook namens de heeren Roelvink, Schut, IJzerman en Jos. Jitta een voorstel in om: de voordracht van B. en W. en vele daarop ingediende voorstellen aan te houden tot 31 Dec. 1904 en het bestaande tarief tot die tijd te handhaven. Spr. wijst er op, dat men alleen op die wijze vaste grond onder de voeten zal kunnen krijgen, omdat na een jaar, als van alle lijnen de elektrische tractie zal zijn toegepast, slechts kan geoordeeld worden over het effect van die verandering. Hij acht 't gevaarlijk het trambedrijf te gaan blootstellen aan grote schokken wat de rentabiliteit betreft; want de heer Wijnmalen heeft 't terecht gezegd: alle berekeningen in deze berusten op hypothesen. Men dient eerst te hebben een jaar, in het bijzonder een zomer, van elektrische exploitatie, vóór men zo iets als een vaste basis van berekening heeft. Spr. betwist dat de urgentie van tariefsverlaging zo groot is als beweerd wordt en voegt hier nog bij, dat, na de gereedkoming van het gehele elektrische net, sommige lijnen veel langer zullen zijn dan onder het huidige tarief; voor die gevallen zullen enige tijdelijke wijzigingen nodig zijn, tot het vaststellen waarvan B. en W. worden uitgenodigd. Tevens zegt spr., dat 't de bedoeling is van de voorstellers, dat wel nog in het komende jaar een proef zal genomen worden met vroegritten (arbeiderstrams).
De heer Zeehandelaar meent, dat uitstel geen zin heeft en dat niet is bewezen, dat het cijfer van de directeur onjuist zou zijn. B. en W. zeggen daarentegen, dat het vervoer op de beide Pinksterdagen het grootst is geweest en dat zelfs dit grote vervoer niet voldoende is om de verwachtingen van de directeur te motiveren; maar spr. meent dat men vergeet dat op beide Pinksterdagen het vervoer in werkelijkheid groter zou zijn geweest als men maar meer wagens nad gehad, want honderden passagiers moesten blijven staan; de Heer Kruseman heeft gezegd, dat in het trambedrijf zo’n groot kapitaal is gestoken; maar juist daarom, meent spreker, moet men dat bedrijf rendabel maken en dat kan alleen door tariefsverlaging waarmede men ook bij de gasfabrieken groot succes heeft behaald. (De Heer Kamerlingh Onnes komt ter verg.) –
De Heer Sutorius vraagt of B. en W. grote bezwaren, hebben tegen de motie van orde, door de heeren Kruseman c.s. voorgesteld. Spr. vraagt dit omdat hij, hoe meer hij de tramzaak bestudeerde er hoe langer hoe minder van begon te begrijpen. Spr. heeft in dit opzicht onze stad vergeleken met andere, haar wat bevolking betreft overeenkomende steden in 't buitenland. Maar men krijgt telkens uitkomsten, met betrekking tot elektrische exploitatie, die kant noch wal raken. Op dit gebied liggen overal voetangels en klemmen, en daarom kan alleen de ervaring — een voor elk geval afzonderlijke — hier licht geven. De Heer H. Polak vraagt of de Raad op 31 Dec. 1904 de kennis van zaken zal hebben die bij thans nog mist? Spr. betwijfelt dit en zal daarom stemmen tegen het voorstel-Kruseman c.s., al erkent ook hij dat 't moeilijk is uit de verschillende voorstellen, welke spr. bij mooie St. Nicolaas-étalages vergelijkt, een keuze te doen.
De Heer 'Smit verklaarde zich mede tegen de motie-Kruseman en raadt aan de voordracht van B. en W. aan te nemen, die toch voorzichtig genoeg geraamd is.
De Heer Nolting zou met de motie-Kruseman kunnen medegaan, indien daarbij bepaaldelijk geëist werd een proef met vroegritten en indien besloten wordt de tramdienst in 't algemeen vroeger aan te vangen en later te doen eindigen; want half twaalf is voor een stad als Amsterdam te vroeg.
De Heer Heemskerk, Weth. voor de Gemeentebedrijven, gelooft dat men verkeerd doet met te beweren dat uit de behandeling in de afdelingen is gebleken, dat de meerderheid van de raad een uniformtarief zou wensen. Spr. wijst op het gevoelen van een autoriteit van betekenis, de secretaris-generaal van de Hamburger Tram, die beweert, dat het uniform tarief in Duitsland in de praktijk is te kort geschoten, en wiens mening door een gehele vergadering van deskundigen is onderschreven. Steden als München en Düsseldorf hebben dan ook haar uniform tarief ingetrokken. Onder deze omstandigheden zou 't onverantwoordelijk zijn voor Amsterdam om het in te voeren, in dit opzicht staat het voorstel van de directeur dichter bij dat van B. en W. Maar wat is de fout van dat voorstel? Dat 't gebouwd is op de hypothese van 50 miljoen passagiers. En waar haalt de directeur .dat hypotbesiscli cijfer vandaan ? Uit een vergelijking met München; maar hij vergeet, dat aldaar het hooge cijfer verkregen is met een tarief dat veel te laag is gebleken en dat men dan ook weer heeft moeten verhogen. Nu beroept men zich wel op Amerika ten bewijze dat een uniformtarief mogelijk is, maar spr. meent dat de toestanden daar niet met die van Europa vergelijkbaar zijn. Waar men Engeland noemt ais bewijs dat een 6-cents tarief mogelijk is, wijst spr. er op dat voor die prijs niet zo ver gereden wordt, als bij ons, gemiddeld maar 5 K.M. Ten slotte zegt spr., dat B. en W. geen bezwaar hebben tegen de motie-Kruseman c. s., evenmin om de termijn van een jaar enigszins te verlengen, als deze te kort wordt geacht. De proef met de vroegritten willen B. en W. reeds thans nemen, maar geheel gelijk deze door hen wordt voorgesteld.
De Heer Kamerlingh Onnes meent, dat er niet het minste bezwaar is om op het voorstel van de directeur in te gaan; bij het verlaagde tarief zal wel degelijk kunnen worden gerekend op een uitbreiding van het aantal passagiers als door hem geschat is. De Heer Wiersma verklaart zich tegen de motie-Kruseman.
De Heer Van den Bergh vestigt er de aandacht op, dat te elfder ure door B. en W. nieuwe gegevens in het debat gebracht worden als de mededeling dat een goedkoop uniformtarief zo gevaarlijk is gebleken; Voorts betoogt spr., dat aanneming van de motie-Kruseman (uitstel) ons niets verder zal brengen; als de komende zomer b.v. slecht is, weet men nog niets ten opzichte van de vermeerdering van het getal passagiers. Spr. zou wensen dat een proef wordt genomen met de voordracht van B. en W.
De Heer Kruseman deelt mede, dat hij zijn motiewijzigt en de termijn van 31 Dec. 1904 uitbreidt tot uiterlijk 30 Juni 1905. Daarna werd overgegaan tot stemming over de motie-Kruseman c.s. Zij werd aangenomen met 32 tegen 9 stemmen, zodat besloten is het bestaande tarief te handhaven tot uiterlijk 30 Juni 1905 met aanvulling van dat tarief voor zover de in de lijnen gebrachte wijzigingen dit vereisen. Alle voorstellen'werden dus aangehouden.

Sneeuw.
— 't Is wel vreemd met de weersgesteldheid in de laatste dagen. Had ‘t er iets van met die telkens afwisselende bewolking, de regen vlagen, hagelbuien en gisteren in de vooravond nog het onophoudelijk weerlichten, of we midden in de maand Maait zaten, vanmorgen was het echt winterweer. Eeü geducht pak sneeuw is neergekomen. In de verwachting ”eenigszins buiig met kans op neerslag” is men dus niet teleurgesteld geworden. Doch slechts enkele ogenblikken maar heeft men van een heerlijk wintergezicht kunnen genieten. De groote vlokken vermengden zich vlugger nog dan anders met de modder van de straten, die toen door de brijachtige chocoladekleurige massa bijna onbegaanbaar werden. Wel rukten de pekelwagens van de Gemeente- Tram uit, doch alleen om de rails schoon te vegen. Tegen de middag toog de Stadsreiniging aan het werk en met de bekende vlugheid, geholpen door veegmachines en eene schare losse mannen, zagen de hoofdstraten en pleinen er spoedig weer toonbaar uit. In de loop van de dag werd de reinigingsdienst met 250 losse krachten versterkt; twaalf veegmachinei rukten uit.

2-12-1903
Ter Secretarie is ter lezing gelegd:
Vroegritten Gemeentetram.
Door het raadslid Henri Polak is een voorstel bij de raad ingediend, waarin hij zegt, zich niet te kunnen verenigen met het voorgestelde betreffende de proef met de invoering van vroegritten bij de gemeentetram.
De bepaling, dat de vroegritten alleen op werkdagen zullen plaats hebben, dient z. i. niet te worden gemaakt, daar de Zondag voor een goed deel van onze burgerij een werkdag is, namelijk voor het Israëlitische deel, dat bij handhaving van de voorgestelde maatregel, één dag per week minder zou profiteren van de vroegritten, dan het niet-Israëlitische deel.
In de tweede plaats is het aanvangsuur van de dienst tegen het gewone tarief, op de lijnen, waarmee de proef zal worden genarn-an, te vroeg gesteld. Immers, na 7 ½ uur des morgens begeven zich nog duizendtallen arbeiders, kantoorbedienden, ambtenaren, onderwijzers en geëmployeerden van allerlei aard naar hun werk, die, bij aanneming van het voorstel van B. en W., verstoken zouden zijn van het gemak, dat de vroegritten aanbieden. Wat de vroegritten met retour aangaat, zou hij, met het oog op het winkelpersoneel, op vele kantoorbedienden, enz., wier arbeidstijd na 8 uur s avonds eindigt, de gelegenheid opengesteld rwillen zien, om ook na de door B. en AV. voorgestelde tijd van de vroegrits-retourkaarten gebruik te maken.
Eindelijk zou hij wenschen, dat de „verplichting om, zo mogelijk, plaats te nemen in een bijwagen, niet wordt geschapen. Er zit iets stuitends in dat voorschrift. De tram is een democratisch vervoermiddel, dat geen onderscheid van rang, stand of klasse kent, noch kennen most.
Op grond van deze overwegingen stelt de Heer Polak voor de bepalingen nopens de vroegritten te doen luiden als volgt:
„Vroegritten, op één of meer door B. en W. aan te wijzen lijnen, voor iedere passagier, die vóór 8 ¼ uur instapt, f 0.02½.”
„Vroegritten met retour, geldig, behalve als boven, ook nog voor één rit 's middags, tusschen 5 en 10½ uur, door een passagier, die op dezelfde dag een vroegrit heeft gedaan, f 0.05.”

Openbare Aanbesteding.
B. en W. zullen op Maandag 14 December, te 12 uur, ten Stadbuize in het openbaar aanbesteden: HET BOUWEN VAN EENE WONING BOVEN DE BIJREMISE DER GEMEENTE-TRAM AAN DE WILLEMSPARKWEG. De voorwaarden dezer aanbesteding zijn te verkrijgen ter Stadsdrukkerij tegen betaling van ƒ 1.75 (met twee tekeningen). Inlichtingen worden gegeven aan de directiekeet aan de Tollensstraat van 2—4 uur, gedurende de laatste vijf werkdagen vóór de dag der aanbesteding. Aanwijzing in loco wordt gegeven op Maandag 7 December a.s. te 11 uur.

3-12-1903
De gemeente-tram heeft van 1 Januari tot 30 November 24J24,094 passagiers vervoerd, tegen 23,835,446 over hetzelfde tijdperk in 1902]

5-12-1903
Het Rijverkeer in Amsterdam.
In een vergadering van de Amsterdamsche Vereeniging van Werkgevers in het Stalhoudersbedrijf is ter sprake gekomen de groote slijtage aan wagens en rijtuigen, veroorzaakt door de zeer slechte bestrating in Amsterdam, weike hoofdzakelijk ontstaan is door het verleggen en vernieuwen van tramrails gedurende dit jaar. (………….)Voorts zijn door belanghebbenden bij het vervoer per as te dezer stede (stalhouders, bierbrouwerijen enz.) nog twee andere adressen aan den Raad verzonden. In het eerste wordt er op gewezen dat het zandetrooien bij ongunstige weersgesteldheid onvoldoende is en eigenlijk alleen geschiedt op wegen waarover de paardentram loopt, hetgeen naar adressanten vrezen geheel zal ophouden, als het trambedrijf geheel door electriciteit zal worden gedreven. Zij verzoeken daarom, dat het zandstrooien op de rijwegen onmiddellijk zal geschieden zodra de weersgesteldheid dit vereischt. (…………..) In het tweede adres wordt geklaagd over de bepaling, dat sinds de verlegging van de tramrails in de Vijzelstraat, in het gedeelte tusschen Singel en Heerengracht niet sneller dan stapvoets gereden mag worden. Adressanten wijzen erop, dat deze bepaling zeer hinderlijk is, daar de Vijzelstraat de voornaamste verbindingsweg vormt tusschen een zeer belangrijk en bevolkt stadsdeel met de Dam en het Centraalstation ; zij verzoeken alzo het verbod, dat ook niet geldt voor de gemeentetram, in te trekken.
Voorts menen adressanten, dat de borden, geplaatst aan de Weteringschans bij het Weteringplantsoen, welke het verkeer op de tramrails beperken tot rijtuigen en handwagens van de gemeentetram, geen zeer duidelijk opschrift dragen, waarom zij in overweging geven de bedoelde opschriften te wijzigen b.v. als volgt: Verboden rijweg, behalve voor rijtuigen in draf en voor handkarren behoorende tot de Gemeentetram.

7-12-1903
De Tram.
Bij het hedenmorgen in gebruik stellen van de nieuwe Overtoomlijn is de halte aan de Gerard Brandstraat opgeheven. Als trechter voor de Helmers- en de vele daarachter gelegen straten, was 't een vaste stopplaats voor elke tramwagen. Wanneer de directie even de conducteurs geraadpleegd had was 't niet gebeurd.
Uw abonnee,
B.
Amsterdam, 4 Dec. 1903.

De werkzaamheden voor de Elektrische Tram langs de straatweg Amsterdam—Haarlem zijn gisteren wegena de sneeuwval gestaakt moeten worden.

8-12-1903
Tramtarief.
Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd:
Gelijk men weet, werd in de jongste Raadszitting besloten de voordracht tot herziening van het Tramtarief en alle daarmede samenhangende voorstellen aan te houden; het tegenwoordige tarief te handhaven tot uiterlijk 30 Juni 1905, doch met aanvulling daarvan, voor zoverre de wijzigingen in de lijnen dit vereisen. B. en W. werden uitgenodigd, zo spoedig mogelijk een voolrstel tot aanvulling in te dienen. Aan die uitnodiging hebben B. en W. thans voldaan, door de indiening van een concept-regeling.
In dit concept wordt in een enigszins andere vorm het bestaande tarief gehandhaafd en worden daarin slechts die aanvullingen gebracht, die wegens de gewijzigde toestand van het net noodzakelijk zijn. De omstandigheden, die hierbij in het oog moesten worden gehouden, betreffen:
1e. het doorlopen van een aantal lijnen van de Dam tot de Stationseilanden;
2e. het exploiteren als één lijn van de tot dusverre als 2 lijnen geëxploiteerde lijnen Amstelveenscheweg en Czaar Peterstraat; Weesperzijde— Stationsplein—Spaarndammerplein en Zoutkeetsgracht—Weteringschans—Doklaan;
3e. het tot stand komen van de nieuwe lijnen: Station Weeeperpoort—Ceintuurbaan—Overtoom— Dam—IJ-veer en Station Muiderpoort—Weteringschans—Kinkerstraat.
Het eerste punt behoeft in het tarief geen wijziging te brengen. Voor het afleggen van het gehele traject zal, evenals nu, een prijs verschuldigd zijn van 12½ cent, gelijkstaande aan die van een tweeritskaartje. Hetzelfde is het geval met de in het 2e punt genoemde twee eerste lijnen. Op de lijn Zoutkeetsgracht—Doklaan menen B. en W. echter, evenals ook op de onder 3e. genoemde twee andene periferische lijnen, dat de splitsing in secties uit het voorstel van de directeur der Gemeentetram kan worden overgenomen, doch met vervanging, wat het tarief aangaat, van de bedragen van 5 en 7½ cent door 7½ en 12½ cent. Indien er voor de lijn Zoutkeetsgracht—Doklaan nog enige redenen kunnen worden gevonden, om deze op het Leidscheplein voor het tarief in twee delen te splitsen, omdat het publiek tot dusverre gewend is aldaar over te stappen, zo is dit niet het geval voor de nieuwe lijnen, onder 3e. genoemd, op welke de scheiding tusschen de twee deelen geheel willekeurig zou zijn en tot klachten aanleiding geven. Het voorgestelde stelsel komt aan deze bezwaren voor een groot deel .tegemoet.
In het concept-tarief is dezelfde regeling der vroegritten opgenomen als vroeger door B. en W. was voorgesteld. De bovenbedoelde wijzigingen betreffen dus de volgende lijnen:
Zoutkeetsgracht—Marnixstraat-Weteringschans—Plantage—station Muiderpoort—Doklaan 12½ c. Zoutkeetsgracht—Haarlemmerpl.—Dam (overstapp.: •Haarlemmerpl.) 7½ c.
Zoutkeetsgracht—Frederiksplein 7½ c.
Leidsoheplein—Plantage—station Muiderpoort—Doklaan 7½ c.
Weesperpleih—Kruising Rozengracht 7½ c.
Zoutkeetsgr.—Rozengr.—Const. Huygensstr. (overstapp. Rozengr.) 10 c.
Station Weesperpoort—Sarphatistr.—Weesperz.— Ceintuurbaan—Van Baerlestraat—Leidscheboschje— Overtoom—Const. Huygensstraat—Dam—Stationsplein—IJ-veer 12½ c.
Station Weesperpoort—Kruising—Marnixstr. 7½ c.
IJ-veer Oost. De Ruyterkade (Stationsplein)—Leidscheboschje 7½ c.
IJ-veer Oost. De Ruyterkade (Stationsplein)—Dam) 7½ c.
Hoek Ferdinand Bolstraat—Dam 7½ c.
Dam—Rozengracht (Zoutkeetsgracht, Leidscheplein) overstappen Rozengracht 10 c.
Station Muiderpoort—Weteringschans—Kinkerstraat 12½ c.
Station Muiderp.—Plantage—Dam (overstappen Mauritskade) 7½ c.
Station Muiderpoort—Plantage—Dam—lJ-veer(overstappen Mauritskade) 12½ c.
Station Muiderpoort—Leidsoheplein 7½ c.
Kinkerstraat—Bitderdijkstraat—Dam (overstappen Bilderdijkstraat) 7½ c.
Kinkerstr.—Bilderdijkstr.—Dam—lJ-veer (overstappen Bilderdijkstraat) 12½ c.
Kinkerstraat—Weesperplein 7½ c.

14-12-1903
GEMEENTERAAD.
De Gemeenteraad houdt Woensdag 16 Dec. 's nam. 1¼ uur een openbare vergadering ter behandeling van:
………..
— 1065. Voordracht van B. en W. tot vaststelling van een tramtarief, geldig tot uiterlijk 30 Juni 1905;

14-12-1903
Aanbestedingen.
Gemeentetram. Maken van een wachthuis je aan de De Ruijterkade bij het IJ-veer. 12 inschrijvingen. Minste van S. Hos, alhier, ƒ2640.

16-12-1903
Aanbestedingen.
B. en W. Bouwen van een woning boven de bijremise der gemeente tram van de Willemsparkweg. 13 inschrijvingen. Minste van F. Smulders, Oosterwijk, ƒ 18.860.

17-12-1903
Door den hoofdinspecteur van de gemeentetram, den Heer Boon, zijn gisteren een groot aantal sollicitanten opgeroepen, die zich aangemeld hadden om dienst te doen op de electrische tram alleen voor des Zondags.

Gemeenteraad, vergadering van 16 december
Ingekomen stukken
………
Verzoek van de Amsterdamsche Vereeniging van Werkgevers in het Stalhoudersbedrijf c.s., tot wijziging van de bepalingen omtrent het berijden van het deel der Vijzelstraat tusschen Heerengracht en Reguliersdwarsstraat en van de tramrails langs de Weteringschans bij het Weteringplantsoen. In handen van B. en W. ter afdoening.
………
Voorstel van het Raadslid Henri Polak, tot wijziging van de bepalingen nopens de vroegritten in het door Burgemeester en Wethouders voorgestelde tramtarief. Bij de voordracht.
…………
Adres van de Vereniging van Conducteurs en Koetsiers der Gemeentetram «Ons Belang,» tot betuiging van sympathie met het adres in zake werkeloosheid van de Amsterdamse Bestuurdersbond. Te behandelen bü het te verwachten preadvies.
…………
1065. Voordracht van B. en W. tot vaststelling van een tramtarief, geldig tot uiterlijk 30 Juni 1905. In het voorgestelde tarief wordt in een enigszins anderen vorm het bestaande tarief gehandhaafd en worden daarin slechts die aanvullingen gebracht, die, door de gewijzigden toestand van het net, noodzakelijk zijn. Deze wijzigingen betreffen de volgende lijnen:
Zoutkeetsgracht—Marnixstraat—Weteringschans—Plantage—station Muiderpoort—Doklaan 12½ c. Zoutkeetsgracht—Haarlemmerpl.—Dam (overstapp Haarlemmerpl.) 7½ c.
Zoutkeetsgracht—Frederiksplein 7½ c.
Leidscheplein—Plantage—station Muiderpoort-Doklaan 7½ c.
Weesperplein—Kruising Rozengracht 7½ c.
Zoutkeetsgr.—Rozengr.—Const. Huijgensstr. (overstapp. Rozengr.) 10 c.
Station Weesperpoort—Sarphatistr.—Weesperz.— Ceintuurbaan—Van Baerlestraat—Leidscheboschje— Overtoom—Const. Huijgensstraat—Dam—Stationsplein—lJ-veer 12½ c.
Station Weesperpoort—Kruising—Marnixstr. 7½ c.
IJ-veer Oost. De Ruyterkade (Stationsplein)—Leidscheboschje 7½ c.
IJ-veer Oost. De Ruyterkade (Stationsplein)—Dam) 7½ c.
Hoek Ferdinand Bolstraat—Dam 7½ c.
Dam—Rozengracht (Zoutkeetsgracht, Leidscheplein) overstappen Rozengracht 10 c.
Station Muiderpoort—Weteringschans—Kinkerstraat 12½ c.
Station Muiderp.—Plantage—Dam (overstappen Mauritskade) 7½ c.
Station Muiderpoort—Plantage—Dam—lJveer(overstappen Mauritskade) 12½ c.
Station Muiderpoort—Leidscheplein 7½ c.
Kinkerstraat—Bilderdijkstraat—Dam (overstappen Bilderdijkstraat) 7½ c.
Kinkerstr.—Bilderdijkstr.—Dam—lJ-veer (overstappen Bilderdijkstraat) 12½ c.
Kinkerstraat—Weesperplein 7 ½ c.
Voorts wordt omtrent arbeidstrams (vroegritten) het volgende voorgesteld:
Vroegritten, op werkdagen op een of meer door B. en W. aan te wijzen lijnen voor iedere passagier, die vóór 7½ uur 's voormiddags instapt, 2 ½ c.
Vroegritten met retour op idem, geldig, behalve als boven, ook nog voor één rit's namiddags beginnende tussen 5 en 8 uur, door een passagier, die op dezelfde dag een vroegrit heeft gedaan en onder verplichting om, zo mogelijk, plaats te nemen in een bijwagen, 5 cent.
Verder zullen verkrijgbaar zijn: abonnementskaarten, geldig voor een rit vóór 's morgens 10 uur à ƒ 10 voor één lijn en ƒ12.50 voor twee aansluitende tramlijnen;
benevens scholierkaarten voor dezelde uren ad ƒ6 en ƒ7.50. (De zitting duurt voort)

18-12-1903
GEMEENTERAAD.
Er is in de Raadszitting van gisteren niet veel nieuws over de zogenaamde arbeiderstram
te berde gebracht. Besloten is, gelijk reeds in de vorige zitting in beginsel was uitgemaakt, het bestaande tramtarief nog 1 ½ jaar te handhaven en thans alleen die kleine wijzigingen aan te brengen, welke de nieuwe exploitatie noodzakelijk maakt. Er zal tegelijkertijd een proef worden genomen met arbeiders- of vroegtrams. Dit zal geschieden op de lijn Oosterpark—Linnaeusstraat—Dam—lJveer. Deze trams zullen op werkdagen rijden in de zomermaanden ‘s morgens van 5 uur tot 7½ uur (het aanvangsuur van de gewone dienst) en in de wintermaanden van 6—7½ uur.
Van. iederen passagier zal 2½ cent gevorderd worden; voor 5 cents zal men een retourkaartje kunnen ontvangen, waarmede ‘s avonds, tusschen 5 en 8 uur, de terugrit kan gedaan worden, echter onder verplichting, om zo rnogelijk van een bijwagen gebruik te maken. De Heer H. Polak had hierop eenige amendementen ingediend. Hij wilde deze laatste verplichting schrappen; voorts de maatregel ook toepassen op de Zondagen, die voor verschillende werklieden, Joodse en anderen, óók een werkdag is en eindelijk verandering brengen in de bovengenoemde uren, zoodat de trams des morgens tot half negen in plaats van tot half acht zouden rijden en des avonds van de retourbüjetten gebruik zou kunnen gemaakt worden tob half elf in plaats van tot acht uur, dit laatste vooral met het oog op winkelbedienden. Al deze amendementen werden echter verworpen. De Raad vreesde dat op die wijze het gewone verkeer en de financiële resultaten van de tram te veel zouden geschaad worden.

GEMEENTERAAD. Zitting van Woensdag 16 Dec, 's nam. 1 u. (Vervolg van gisteren).
Tramtarief.
De Heer Ter Haar, 't betreurende, dat in de vorige zitting besloten is het tegenwoordige tarief nog 1½ jaar te handhaven, doch verklarende daarin te zullen berusten, wenst evenwel de prijs van 5 cent. voor de lijnen, waar thans reeds dit tarief geldt, te behouden, dit zijn de lijntjes Dam—Centraal-station—IJveer. Voorts wil spr. de kaartjes van 6½ cent afschaffen, daar behoud hiervan neerkomt op ongemotiveerde winstderving.
De Heer Smit, besprekende het voorgestelde omtrent de vroegritten, stelde voor de tijd voor die ritten te verlengen tot 8½ uur, opdat ook kantoorbedienden daarvan kunnen gebruik maken. Spr. vindt 't niet erg, dat daaraan de verplichting wordt verbonden, dat men moet plaats nemen in de bijwagens.
De Heer H. Polak gelooft niet, dat in die proefritten een financieel bezwaar schuilt, de ondervinding elders, b. v. in Londen, waar men voor 2½ cents grote afstanden aflegt, leert het tegendeel. Die ondervinding zal men ook hier opdoen, mits men de proef maar goed neemt. Men dient b.v. die vroegtrams óók op Zondag te laten loopen en niet als B. en W. willen alleen op werkdagen. Er zijn toch, behalve de Joodse werklieden, nog andere catagorieën werklieden die Zondags werken, b.v. werklieden op de suikerfabrieken, spoorarbeiders enz. Ook moet men de vroegtrams laten rijden tot 8½ uur. (hieromtrent sluit spreker zich aan bij de Heer Smit), en voor retourritten de tijd tusschen 8 en 11 uur stellen. Hierbij zullen b.v. de winkelbedienden gebaat zijn. De uren tusschsn 5 en 8, als B. en W. willen, acht spr. onvoldoende. Wat nu betreft de vraag of de gebruikers van arbeiderstrams in de bijwagens moeten plaats nemen, merkt spr. op dat dit afkeuring verdient; men schept een 2e klassesysteem waaraan toch een bijsmaakje is. Ook op de sporen stopt men de houders van werkmanskaarten niet in afzonderlijke wagens. Bovendien kan men de gebruikers van arbeiderstrams beschouwen als houders van goedkope abonnementskaarten, die men niet op andere voet dan de andere passagiers mag behandelen. In de geest van het door hem gesprokene dient spr. voorstellen in.
De Heer Fabius wijst er op, dat 't nog maar de bedoeling is, met de “vroegtrams” een proef te nemen. Hij herinnert daaraan omdat de zaak wel eens een algemene tariefsverlaging zou kunnen belemmeren. Spr. voelt niets voor vroegtrams, als men bedoelt mensen die wat minder geld hebben, om deze reden een voordeeltje te verschaften; hij voelt er alleen wat voor in verband met woningtoestanden. Spr. is er tegen om de vroegtrams ook op Zondag te doen rijden. De Heer Polak heeft zich beroepen op de Joden, maar spr. merkt op, dat de Joden tegenwoordig dikwijls geutiliseerd worden om alle Christelijk karakter aan de Zondag te ontnemen, iets wat niet in de bedoeling kan liggen van die Joden, welke dit meer zijn dan alleen in naam, van Joden, die nog aan godsdienst hechten.
De Heer Korthals Altes vraagt, wat betekent de uitdrukking, dat de scholierkaarten geldig zijn voor scholieren «en hunne geleiders», iets wat in het bestaande tarief niet voorkomt.
Da Heer Sutorius merkt op, dat in de vorige zitting besloten is voorlopig geen ingrijpende wijzigingen te brengen in het tarief, iets waarmede de voorstellen van den Heer H. Polak in strijd zijn. Door diens 2½-cents-passagiers toch zullen de inkomsten niet. zeer toenemen in de overgangsperiode waarin de tram verkeert; daarop is de tram-exploitatie thans nog niet berekend. Spr. wil dus niet verder gaan dan de proef, gelijk B. en W. haar willen nemen. De Heer Bruinwold Riedel wil voorloopig ook niet verder gaan dan de proef van B. en W.; de vraag is of de werklieden van de vroegtrams gebruik zutllen maken of niet, en indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, kan men altijd nog zien, of 't wenselijk is de vroegtrams ook op Zondag te doen lopen. Spr. vindt 't zeer overdreven als de Heer Fabius zegt, dat het Christelijk karakter van ons volk wordt aangetast door het laten lopen van vroegtrams op Zondag. Dat is een verdediging van de Christelijkheid, welke spr. bedenkelijk voorkomt.
De Weth. Heemskerkmerkt op, dat het woord «geleiden» in het tarief is opgenomen, omdat 't ook op de abonnementskaarten vermeld staat. In zoverre wordt dus een bestaande toestand gehandhaafd. Daarom bestreed spreker de voorstellen van de Heer H. Polak, en verdedigde hij de proef met vroegritten, gelijk B. en W. die willen, ook in verband met woningstoestanden. De vraag of de proef geslaagd is of niet zal afhangen van de financiële resultaten, en in de al of niet belemmering van het verkeer. Waar de heeren Polak en Smit de vroegritten willen laten duren tot 8½ uur, merkt spr. op, dat dit bezwaarlijk gaan zal, omdat om 7½ uur de gewone dienst aanvangt en men dan geen onderscheid kan maken. Nog merkt spr. op, dat als men 's morgens de uren uitbreidt, het getal terugkerenden ‘s avonds ook zoveel groter zal zijn, en dat wel op de drukste uren, zoodat juist dit een aanleiding zou kunnen worden om de maatregel in te trekken. Ditzelfde argument geldt als men de verplichting om in dë bijwagens plaats te nemen schrapt. Het gewone verkeer kan dus zeer bemoeilijkt worden door het laten vervallen van deze bepaling. Spr. is tegen het laten rijden van vroegtrams op Zondag, omdat 't regel is, dat werklieden alleen op werkdagen werken; ‘s Zondags zouden zij nodeloos het gewone verkeer verzwaren.
De Heer Nolting sluit zich aan bij het voorgestelde door de hh. Polak—Smit om de vroegritten één uur later te doen eindigen, met het oog op kantoorbedienden en winkeljuffrouwen; ook het moeten plaatsnemen in de bijwagens verwerpt spr.; de werklieden, wier kleeding zulks nodig maakt (b.v. een stucadoor), zullen uit eigen beweging niet plaats nemen bij de gewone passagiers. Wie er anders over denkt, kent de werklieden niet. Nog wijst spr. er op, dat men met een retourkaart in de laatste tram kan komen, en dan, omdat zij vol is, daarvan geen gebruik kan maken. Dat acht spr. onbillijk; men moet in zo’n geval de volgende dag nog van het retourtje kunnen gebruik maken.
De Voorzitter merkt op, dat met de verplichting om in de bijwagen plaats te nemen volstrekt niets vernederends voor de werkman bedoeld is; 't is alleen een maatregel om te voorkomen, dat het gewone verkeer belemmering van de nieuwe maatregel zal ondervinden.
Nog zegt spr., dat hij niet in discussie zal treden met de Heer Fabius, die heeft gezegd, dat het voorstel-Polak om de vroegtrams ook op Zondag te laten rijden de consequentie is van sprekers tegenwerpingen tegen het verworpen, voorstel van de Heer Fabius om de tramdienst op Zondag te beperken. Den Heer Fabius hierin te bestrijden, zou zijn meer waarde hechten aan diens beweringen dan deze zelf daaraan zal. toekennen.
(De Heer Kamerlingh Onnes komt ter vergadering.) De Heer v. d. Berg zal stemmen vóór de bijwagen, omdat in de verordening volstrekt niet van werklieden gesproken wordt, de verplichting geldt dus, voor iedereen. Maar daarom ook kon men zijn voor verruiming van de tijd gedurende welke de vróegtrams rijden. Spr. is tegen het rijden op Zondag, dat de Heer H. Polak wil, voornamelijk ten behoeve van de Joden; maar spr. meent dat een kleine categorie van het volk zich heeft neer te leggen bij hetgeen voorgesteld wordt in het algemeen belang, en zulk een belang is het rijden op Zondag niet.
De Heer H. Polak merkte in zijn weerlegging van de gemaakte bedenkingen op, dat hij niet begrijpt wat de Heer Fabius bedoelt als deze spreekt van het “Christelijk karakter van het openbare leven”. Daarvan heeft hij nooit iets bemerkt, en als spreker de Israëlieten heeft genoemd, dan is dat alleen geweest, omdat zij het voorbeeld zijn van ingezetenen voor wie de Zondag een werkdag is; bovendien heeft spr. nog andere categorieën van op Zondag arbeidende stadgenoten genoemd, te wier bate vroegtrams ook ‘s Zondags zouden moeten rijden. (De heeren Wijnmalen en Schut komen ter verg.) De Heer Fabius zegt, dat de Heer H. Polak het Christelijk karakter van ons volk kan leren kennen b.v. door ‘s Zondags eens naar het Stadhuis te gaan. Hij zal dan zien, dat. dit er dan geheel anders uitziet dan in de week. Voorts zegt spr. niet te begrijpen hoe de Heer Bruinwold Riedel »protesteeren« kan tegen sprekers bewering, dat ons volk zulk een Christelijk karakter bezit. Dat is toch ongeveer alsof men protesteert tegen de waarheid, dat wij tot de Noordelijke volkeren behoren! Tenslotte moet spr. ook opkomen tegen het. gezegde van de Voorzitter, dat onlangs in de Tweede Kamer de nationale tijd zou vermorst zijn met soortgelijke discussies. Spr. meent, dat een dergelijke uitdrukking in den mond van de Voorzitter niet paste. Spreekt men zodanig over de Tweede Kamer, dan zou een dergelijke toon ook over de Eerste Kamer op haar plaats zijn.
Hierna werd tot stemming overgaan. De uitslag daarvan was, dat al de amendementen van de Heer H. Polak werden verworpen en het tarief van B. en W. (inbegrepen het daarbij voorgestelde omtrent de vroegtrams) werd goedgekeurd gelijk was voorgesteld.
Daarna ging de raad over tot het doen van ……………………….

19-12-1903
De Tram.
— Onlangs deelden we mede, dat aan het einde dezer maand, vermoedelijk 28 December, eenige honderden paarden van de gemeentetram verkocht zouden worden. De datum van dezen verkoop is thans vastgesteld op 4 Januari. De veiling geschiedt in de remise aan de Linnaeusstraat. Tegen de genoemde datum zal dus de Elektrische Centrale stroom leveren en de tram op de lijnen, waar dit mogelijk is, rijden met elektrische beweegkracht. Vermoedelijk in het laatst van deze maand al op de lijnen Dam—Koninginneweg en Dam—Linnaeusstraat. Dezer dagen worden proefritten genomen.

23-12-1903
Amsterdam, 19 Dec.
Mijnheer de Redacteur!
Nu het tramtarief toch aan de orde is, zou ik gaarne in overweging willen geven, de abonnementskaarten voor 1 en 2 lijnen, geldig tot 10 uur 's morgens, ook voor terug verkrijgbaar te stellen, b.v. geldig na 5 uur 's middags en dan te rekenen voor 1 lijn ƒ 20 en voor 2 lijnen ƒ 25 per jaar. Ik geloof dat dit voordelig zou zijn zoowel voor de exploitatie als het publiek, daar velen, die nu terug lopen, hiervan zouden willen profiteren. Uw dankzeggend voor de verleende plaatsruimte, Hoogachtend,
Uw dw. dnr. Een Abonnee.

24-12-1903
Proefritten Elektrische tram.
In den afgelopen nacht zijn op twee nieuwe lijnen proefritten gedaan met elektrische trams. Tussen 12 en 1 uur is de lijn Oosterpark—Linnaeusstraat— Dam geprobeerd en daarna de lijn Dam—Koninginneweg. Ds directeur van de tram, de Heer Neiszen, en enige van zijn ambtenaren maakten de ritten mede. Alles ging goed, alleen had men op de laatstgenoemde lijn aanvankelijk enige hinder van de ijzel, die zich tegen de geleidedraad had afgezet, en oorzaak werd dat enige keren het licht uitging; ook bleek op deze baan de weg naast de rails hier en daar wat te hoog te zijn, hetgeen tot enige wrijving aanleiding gaf, een kwaad dat spoedig verholpen zal zijn. Voor de lijn—Linnaeusstraat werd de elektriciteit geleverd door de Centrale van de hydraulische inrichting aan de Handelskade, voor de lijn—Koninginneweg door die aan de Brouwersgracht. Waarschijnlijk zal de dienst op beide lijnen de volgende week aanvangen.

In de Marnixstraat kwamen gisteren een electrische tramwagen en een bespannen vrachtkar met elkaar in botsing. De bestuurder van de tram, die het ongeval voorzag, had herhaaldelijk gewaarschuwd en gebeld, doch de koetsier deed alsof hij niets hoorde' en was dan ook niet spoedig genoeg van de trambaan af om een botsing te voorkomen. Gelukkig gebeurden er geen persoonlijke ongelukken; de lantaarn van de tram werd verbrijzeld. Toch is tegen de vrachtrijder door de politie proces-verbaal opgemaakt.

29-12-1903
Onze Tram.
Amsterdam is heden weer twee grote stappen genaderd tot de voltooiing van het electrisch tramnet. Twee nieume lijnen zijn, te beginnen met heden, electrisch geworden; 't zijn de lijnen Dam-Willemsparkweg-Koninginneweg en Dam-Linnaeusstraat. 't Is een grote verbetering; de wagens zijn groter en comfortabeler ingericht en de snelheid is groter, tenminste op brede verkeerswegen, als b. v. de N. Z. Voorburgwal, de Plantage, de Parkweg, waar de grote wagens met een flinke vaart langs de gladde sporen voortschuiven. De schok, waarmede de wagens zich in beweging zetten, is nog een onconvenient, vooral voor de passagiers op de voor- en achterhalcons. Maar misschien is daar nog wel wat op te vinden. Een maatregel, die vroeger reeds werd toegepast op de lijn door de Marnixstraat, heeft ook hier toepassing gevonden, n.l. hst aanbrengen van grote cijfers op de contactbeugel, waardoor men al van verre kan herkennen tot welke lijn een aankomende wagen behoort. De rijtuigen, van de lijn Koninginneweg dragen alle het cijfer 2, die van de Linnaeusstraat, voorloopig afrijdende van het Rokin bij de Dam, het cijfer 9.

30-12-1903
De Tram te Amsterdam.
Nu het electrisch bedrijf langzamerhand tot alle lijnen van het tramwegliet wordt uitgebreid denkt men vanzelf terug aan de tijd toen ook de paaadentram een nieuwigheid was in Amsterdam. Hier onder geven we een beschrijving voorkomende in de jaargang 1875 van”Eigen Haard", Het stuk ging vergezeld van een plaatje, dat ons heden al even naief lijkt als het stuk,
HET OMNIBUSVERKEER TE AMSTERDAM.
De belangrijke uitbreiding, welke Amsterdam in de laatste jaren ondergaat, heeft het gevolg gehad, dat de afstanden aldaar te groot zijn geworden om deze zonder behulp van vervoermiddelen af te leggen. Vóór een drietal jaren liepen in Amsterdam alleen omnibussen (en dan nog welke!) naar de stations van de Rhijn- en Hollandsche spoorwegen, waarmede een paar honderd passagiers per dag vervoerd werden. En nu, drie jaren later, lopen er naar alle hoofdwijken, met korte tussenpozen, zoveel omnibussen, dat door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij gedurende het jaar 1874 niet minder dan 1.688,575 personen vervoerd werden (1). De afbeelding van een tram- of paardenspoorwagen, welke in dit nummer voorkomt, is genomen naar een der rijtuigen, welke dezer dagen door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij in werking zijn gebracht.
Door deze Maatschappij is concessie gevraagd tot het leggen van tramways in Amsterdam, en als eerste of proeflijn is nu gereed de lijn, welke van de Plantage langs het Rhijnspoor, Amstel-Hótel en Paleis voor Volksvlijt loopt naar het Leidsche plein, met het onmiddellijk daaraan grenzende Vondelspark-kwartier.
Deze baan heeft een lengte van ongeveer 2700 Meter en zal bereden worden met wagens, welke, bij een vervoervermogen van 30 passagiers, getrokken worden door één paard. Voor sterke hellingen, zoals bij het beklimmen van de Hooge Sluis, wordt een tweede paard bijgespannen. Het paard loopt geheel vrij voor de wagen en is alleen door twee strengen daaraan verbonden. Het paard kan de wagen dus niet tegenhouden. Er zijn sterk werkende remtoestellen aangebracht, welke door de koetsier bediend worden. De wagens zijn vóór en achter geheel gelijk. Is men aan het einde der baan gekomen, dan verspant men het paard xan het ene uiteinde naar het andeire, en koetsier en conducteur verwisselen van plaats. De verdeling der plaatsen voor de passagiers is als volgt: 16 personen zitten in het afgesloten gedeelte, 7 personen staan bij de koetsier, en een gelijk getal bij de conducteur. Het tarief voor de gehele rit, welke bijna 20 minuten duurt, is 15 cent.
Het is misschien onze lezers niet onaangegenaam enige bijzonderheden te vernemen omtrent de organisatie van het omnibusverkeer te Amsterdam. Wij ontlenen de gegevens aan het tegenwoordige verkeer met omnibussen, omdat de exploitatie van het paardenspoor, als pas in werking zijnde, niet alleen nog geen vaste organisatie heeft, doch ook in hoofdzaken geheel overeenstemt met die der omnibussen. De Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij bezit stallen en koetshuizen in verschillende gedeelten der stad, zoveel mogelijk in de nabijheid der eindstations. De zorg voor de paarden is toevertrouwd aan stalchefs, welke de nodige stalknechts onder hun bevelen hebben Iedere omnibus, welke de gehele dag dienst doet, vereist een koetsier, een conducteur en een stalknecht. Voor _ omnibussen zijn echter 5 koetsiers en conducteurs, zodat de vijfde zijn vier kameraads in de gelegenheid stelt te gaan middagmalen en elke vijfde dag een halve dag vrij te hebben. Voor de bediening van elke omnibus zijn in de regel 10 paarden nodig, welke allen dagelijks dienst doen. Op die lijnen, waar de stal in de onmiddellijke nabijheid van het eindstation ligt, doen de paarden hun dienst op 2 verschillende tijdstippen van de dag, zodat hetzelfde span paarden tweemaal op één dag in dienst komt. Dit geeft dus bij 10 paarden of 6 span tien verwisselingen van paarden op één dag voor elke omnibus. In de regel wordt van elk paard niet meer dan 2 uren dienst daags geëist. De voeding der paarden is zeer sterk. Elk paard krijgt per dag 8 kilo hooi en 9 kilo (of ruim 1,5 mud per week) haver, bonen of maïs. Dit voedsel wordt aan de hoofdmagazijnen op het Roeterseiland (waar tevens de kantoren, de wagenmakerij, smederijen en zadelmakerij gevestigd zijn) door middel van door stoom in beweging gebrachte machines gesneden, gebroken, geplet en dooreen gemengd; — waarna dit zogenaamd kort of gesneden voer in de vereiste hoeveelheden dagelijks naar de verschillende stallen gebracht wordt.
Een der grootste bezwaren, waarmede het omnibusverkeer tot heden in Amsterdam te kampen had, de hoge stenen bruggen, wordt uit de weg geruimd. Volgens besluit van de gemeenteraad worden — bij andere verbeteringen — ook vele van die verouderde gevaarten afgebroken en door brede, nagenoeg vlakke bruggen vervangen.
Het tegenwoordige bestuur der hoofdstad is op zijn qui-vive. Het ziet hoe Amsterdam zich ontwikkelt en uitbreidt en het verloren terrein wil inhalen; welnu, het gemeentebestuur is op zijn post en stelt zich aan het hoofd van de vooruitgang. Nog enige jaren, en men zal zich niet meer kunnen voorstellen, dat een beroemd dichter (2) — en nog wel met veler instemming — aan de “couragie" van de hoofdstad durfde twijfelen.

(1) In het jaar 1902 werden door de Gemeente-tram vervoerd ruim 26½ miljoen personen. Gemiddeld werden in dat jaar vervoerd per dag 72,634 en per rit 14,3 personen.

(2) Bedoeld is E. J. Potgieter

 

<< naar intro mediatijdlijn

door naar 1904 >>

Verantwoording en disclaimer:
Cees Pot heeft voor de totstandkoming van deze tijdlijn de database van de website "Historische kranten in beeld" geraadpleegd. Deze website is een initiatief van de Koninklijke Bibliotheek. Deze instantie heeft ons toestemming verleend voor publicatie op deze wijze.

* Soms komen er in de artikelen fouten en onjuistheden voor. Om wille van de authenticiteit is besloten deze ongewijzigd te laten.

laat een berichtje achter

omhoog

 
 

 

Bezoekersteller

eXTReMe Tracker