Mediatijdlijn van de Amsterdamse tram
Geheugen van de Amsterdamse tram

<< naar intro mediatijdlijn

door naar 1893 >>

Share |

MEDIATIJDLIJN AMSTERDAMSE TRAM 1892
door Cees Pot
e-mail:
ceespot@amsterdamsetrams.nl

1892

2-1-1892
Gedurende het 4e kwartaal 1891, zijn door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij vervoerd: (overstap en retourkaarten ook voor den 2e rit berekend) 4,306,775 passagiers, tegen 3,899,638 in hetzelfde tijdvak van 1890. Totaal van af 1 Januari 17,418,830 passagiers, tegen 16,221,071 in het vorige jaar.

De veelbesproken schutting, welke de toegang door de Hobbemastraat naar de P. C. Hooftstraat afsluit en die indertijd door een nog altijd onverklaarde oorzaak zover uit het lood was geraakt, dat er een nauwe doorgang ontstond, juist groot genoeg om een voetganger door te laten, is sedert een paar dagen geheel dichtgespijkerd, zodat de bewoners van de P. C. Hooftstraat zich een belang- rijke omweg moeten getroosten. Naar wij vernemen is deze hernieuwde afsluiting geschied op last van d „gerechtigden op het pad," die hiertoe in hunne algemene vergadering op Dinsdag jl. besloten. De gerechtigden moeten daarmee beoogd hebben, dat de onteigening van het pad door de gemeente met wat meer spoed ter hand genomen wordt. Met deze edelaardige bedoeling kunnen de bewoners van de P. C. Hooftstraat en verdere straten vrede hebben, al heeft het middel voorshands veel van een paardenmiddel. Curieus is 't dat zich te Rotterdam een soortgelijk geval voordoet, maar daar is het gemeentebestuur de boze man. Van gemeentewege is aldaar een hoge heining geplaatst in de Burgemeester-De Roosstraat, aan de zijde der Zwart-Janstraat, waardoor het verkeer in die straat gestremd is. Men wil met dit krasse middel enige huiseigenaren dwingen een gedeelte dier straat te verbeteren.

5-1-1892
Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij.
De Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij wendde zich in Augustus jl. tot de raad met het verzoek om verlof tot aanvaarding van een daarbij in afschrift overgelegde concessie, haar door Nieuwer-Amstel verleend, en welke concessie strekte ter vervanging van de door Nieuwer-Amstel aan de Maatschappij gegeven vergunningen tot het leggen en exploiteren van tramwegen in die gemeente. Die vergunningen hebben betrekking op het gedeelte Overtoom, tussen den gebiedpaal en het eindpunt, van de lijn Leidscheplein—Vondelkade, en op een gedeelte Amsteldijk, tussen den gebiedpaal en de remise der Maatschappij aldaar van de lijn Dam—Amsteldijk. Die beide verlengingen van Amsterdamsche lijnen zijn tezamen lang 1666 M., terwijl het gehele tramwegnet der Maatschappij op dit ogenblik een exploitatielengte aanwijst van 25.017 M.
Deze aanvraag werd in handen van B. en W. gesteld tot preadvies.
B. en W. hebben dit preadvies thans uitgebracht en zeggen daarin het volgende:
Uit de inzage van deze vergunningen blijkt, dat Nieuwer-Amstel zich bij het verlenen daarvan bepaald heeft tot het stellen van noodzakelijk te achten voorschriften nopens de aanleg en het onderhoud der voor de tramweg op haar grondgebied te maken werken, en tot het bedingen van een jaarlijkse retributie van ƒ300 voor beide lijnen tezamen, wegens beschikbaarstelling van de openbare Gemeenteweg, doch dat zij zich onthouden heeft van elke inmenging in de exploitatie, voor zoveel betreft het materieel, de trekkracht, de tarieven, het personeel, de dienstregeling, enz. De termijn van deze vergunningen loopt tot 1910, d. i. tot het jaar, waarin de oorspronkelijke concessie, door Amsterdam aan de Maatschappij verleend, mede een einde nam.
Vorm en inhoud der voormelde vergunningen zijn van dien aard, dat de verplichtingen, welke uit het gebruik maken daarvan voortvloeien, ook zo nodig door Amsterdam tegenover Nieuwer-Amstel konden nagekomen worden. Uit dit oogpunt beschouwd, waren dus de belangen van Amsterdam voldoende gewaarborgd geworden, indien de Maatsehappij van Nieuwer-Amstel had kunnen verkrijgen, wat art. 19 der Amsterdamsche concessie onderstelt, namelijk de erkenning der bevoegdheid van Amsterdam om, ingeval daartoe wegens naasting van de tramonderneming aanleiding bestaat, in de rechten te treden, welke de Maatschappij elders — in casu te Nieuwer-Amstel — mocht bezitten. De Maatschappij heeft dit, naar zij ons mededeelde, beproefd, doch is daarbij afgestuit op bezwaren bij het Gemeentebestuur van Nieuwer- Amstel, die niet voor oplossing vatbaar bleken dan door het treffen der nieuwe regeling omtrent de rechten en verplichtingen van de Maatschappij in die Gemeente, neergelegd in de concessie, waarvan zij thans goedkeuring door Amsterdam vraagt.
Aan die concessie liggen echter geheel andere beginselen ten grondslag als aan de vergunningen, die zij zal vervangen.
Zij voorziet inderdaad in de mogelijkheid, dat Amsterdam te eniger tijd zelve de exploitatie der tramlijnen zal ter hand nemen en die exploitatie ook over de in Nieuwer-Amstel gelegen verlengingen en eventueel te maken nieuwe lijnen zal willen uitbreiden door de bepaling van art. 8, krachtens welke de concessie voor dat geval door de Maatschappij aan deze Gemeente mag overgedragen worden. Daarmede zou dus aan het bezwaar, dat die overdracht thans ongeregeld is, worden tegemoet gekomen, ware het niet, dat het principiële en veel grotere bezwaar voor Amsterdam om op den voet van een concessie zich alsdan tegenover de naburige gemeente te bevinden en zich naar de daarin omsohreven voorwaarden jegens haar te gedragen, daarvoor in de plaats trad. Wij achten het niet nodig, die mening door een analyse van de bepalingen der concessie te staven, doch vertrouwen dat de kennisneming van de inhoud ook aan uwe vergadering de overtuiging zal schenken, dat het niet op de weg van Amsterdam kan liggen om verhoudingen, als daaruit zouden voortvloeien, door het verlenen der gevraagde goedkeuring in het leven te roepen.
Behalve dit bezwaar van principiële aard, waarvan het gewicht eerst zou drukken, wanneer de gemeente tot overneming van de tramexploitatie besloot, behelst de concessie verschillende bepalingen, die ook reeds tijdens de uitoefening van het bedrijf door de Maatschappij in botsing zouden komen met de gemeentebelangen. Wij vestigen — ons tot dit enkele punt bepalende — o. a. uwe aandacht op art. 9 der concessie.
Daarin wordt de voorwaarde gesteld, dat van 1 Januari 1892 af de uitkering ad 5 pCt. over de bruto ontvangsten van de Maatschappij, welke Amsterdam ontvangt, voortaan zal verdeeld worden over Amsterdam en Nieuwer-Amstel tezamen, en wel in verhouding van het aantal kilometers tramspoor, ten dienste der exploitatie onderscheidenlijk in beide gemeenten liggende.
Gaat men te rade met de hiervoor vermelde cijfers omtrent de exploitatielengte, en neemt men voorts in aanmerking, dat de blijkens art. 1 der concessie door Nieuwer-Amstel gewenste verlengingen van de lijnen Dam—Vondelstraat en Dam—P. C. Hooftstraat tot de Anna Vondelstraat en het tweede rondpoint in de Parkweg een uitbreiding van het tramnet zullen teweegbrengen van ruim 1000 Meter, waarvan 700 Meter zijn ontworpen in Nieuwer-Amstel, dan komt deze bepaling hierop neer, dat Amsterdam, naar de maatstaf van het gemiddelde der uitkeringen over de 3 laatste jaren, voortaan ruim ƒ 5000 van haar aandeel ten bate van Nieuwer-Amstel zal hebben prijs te geven. Daargelaten dat een zoodanig bedrag gelijk staat met het zeventienvoudige van hetgeen Nieuwer-Amstel thans van de Maatschappij ontvangt, en dat de berekening berust op het o. i. geheel te verwerpen beginsel van gelijkwaardigheid der tramkilometers in de hoofdstad en in Nieuwer-Amstel, zien wij niet in hoe er sprake van kan zijn om een vergoeding, — welke ook, — die Nieuwer-Amstel meent te kunnen vorderen, ten laste te brengen van Amsterdam, dat bij tramexploitatie buiten hare grenzen althans geen groter belang heeft, dan er wederkerig in gevonden wordt voor een naburige gemeente, die daarmede aan de hoofdstad wordt verbonden.
Ook andere bepalingen der voorgedragen concessie komen ons, als gezegd, onaannemelijk voor. Wij hebben het echter niet nodig geacht om aangaande de onderdelen der concessie en de mogelijkheid van wijziging daarvan met de Maatschappij nader overleg te plegen, omdat wij vertrouwden, dat de algemene bezwaren, die daartegen bestaan ook bij Uwe Vergadering genoeg zouden wegen om hare goedkeuring aan die concessie te onthouden. Wij kunnen daaraan toevoegen dat de Commissie van Bijstand in het beheer der Openbare Werken, wier advies omtrent deze zaak door ons is gevraagd, ons gevoelen deelt.
B. en W. stellen op grond van bovenstaande voor het gevraagde verlof te weigeren, en daarvan mededeling aan de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij te doen.

Een 20-jarig voerman, die verre van nuchter was en die in de Plantage Kerklaan een tramkoetsier mishandelde, is door de politie in bewaring genomen.

7-1-1892
Zitting van Woensdag 6 Januari ('s nam. 1 uur.) Voorzitter: de Burgemeester, Mr. S. A. Veningh Meinesz.
Tegenwoordig 31 leden. Afwezig de heren: v. td. Wall Bake, Berns, Daniëls, Dijkmans, Mees, Moltzer en Wüste. Na het uitspreken van het gebed en voorlezing van de notulen van het behandelde ter vorige zitting deelt de Voorzitter mede, dat, behalve de ter visie gelegde, nog zijn ingekomen de navolgende aan de raad gerichte stukken:
Adres van H. H. Timmer, waarbij hij de wenselijkheid betoogt, om aan de Amst. Omnibus-maatschappij niet te verkopen den grond, bedoeld bij de voordracht daaromtrent, doch haar die in huur te geven, desnoods voor de tijd, dat haar concessie nog duren zal. Te behandelen bij de voordracht.
(…………….)
735. Voordr. tot vaststelling van een plan van bebouwing der omgeving van de Willemspoort. (………..)
2. stellen B. en W. voor een in de omgeving van het Haarlemmerplein gelegen terrein, groot 890 M 2., te verkopen aan de A. O. M. voor ƒ 25,000, teneinde de Maatschappij gelegenheid te geven daarop een remise te bouwen; en (…………………..)
(……….) Bij punt 2 (verkoop grond aan de A. O. M.) werd het adres van H. H. Timmer behandeld.
De Heer Korthals Altes achtte het een hoog bedrag, dat aan de A. O. M. voor eventueel medegebruik van haar hier liggende aansluitingslijn zal gerestitueerd worden, (t.w.) ƒ 2.50 per jaar en per M2. De Heer v. Nierop wenst het terrein niet te verkopen, maar in erfpacht te geven, gedurende de duur der concessie. De Heer Treub sluit zich hierbij aan en meent ook dat ƒ2.50 bij medegebruik van tramsporen te hoog bedrag is.
De Heer Serrurier merkt op dat in dit speciaal geval geen gevaar bestond het terrein te verkopen. Bij naasting toch treedt de gemeente weder in het bezit van het terrein op goedkoper wijze dan wanneer de grond in erfpacht is gegeven. Spr. herinnert echter dat deze voordracht opgesteld is toen de kwestie van erfpacht nog niet in de fase was waarin zij zich thans bevindt. Anders hadden B. en W. waarschijnlijk een voorstel gedaan meer in de geest van de gemaakte opmerkingen.
Wat de bepaling van ƒ2.50 betreft merkt spr. op dat hierdoor niets geprejudicieerd wordt. De bepaling is opgenomen omdat het niet uitgemaakt is dat hier sprake is van een medegebruik in de zin van de concessie. Omdat in het betrokken lijntje een wissel ligt gelooft spr. echter dat de som van ƒ2.50 niet te hoog is.
De Heer v. Nierop merkt op dat de A. O. M. als zij wil het terrein zal kunnen verkopen voor een hoger bedrag dan zij betaald heeft, en in dit geval vervallen de billijke voorwaarden, waarop de Gemeente weder in het bezit zal komen van deze grond. Spr. meent dus dat hier niet moet worden verkocht, maar verhuurd of in erfpacht gegeven. Hij stelt voor dat B. en W. de voordracht terugnemen en een nieuwe zullen indienen.
De Heer Pijnappel meent, dat, om verkeerde gevolgtrekkingen te voorkomen, de voordracht verduidelijking nodig heeft wat betreft de voorwaarden. Deze dienen beter te doen uitkomen, dat het terrein door de A. O. M. niet verkocht mag worden.
De Voorzitter doet een verduidelijking aan de hand, waarbij de boete van ƒ 10,000 wordt opgelegd, wanneer in de gewraakte zin de concessie overtreden wordt.
De Heer Gerritsen merkt op, dat het betalen van deze som wel eens de .moeite waard kon wezen voor de A. O. M. om als men vreest de bepalingen te overtreden.
De Weth. v. P. W. merkt op dat B. en W. het voorstel-Van Nierop niet kunnen overnemen, zonder eerst met de A. O. M opnieuw overlegd te hebben. De voordracht wordt daarna in stemming gebracht en verworpen met 23 tegen 7 stemmen.
(…………)
(De zitting duurt voort).

9-1-1892
Omstreeks half zes gisteravond begon het te sneeuwen, eerst weinig, maar gaandeweg in groter vlokken, steeds dichter en sneller, totdat de gehele dampkring vervuld was van vallende sneeuw en de stad binnen een uur tijd met een wit kleed was bedekt. (……) Het verkeer ondervond grote vertraging. (……………) Het tramverkeer werd nergens gestaakt, maar op alle lijnen werd het aantal wagens verminderd en het gespan verdubbeld. Een half uur nadat de eerste sneeuw viel reden de pekelwagens reeds in alle richtingen, zodat de verschillende lijnen vrij goed berijdbaar bleven en de wagens nergens behoefden op te houden. Het gewone personeel der Stadsreiniging werd in de laten avond met 120 losse werklieden versterkt, die de gehele nacht werkten aan de opruiming op de drukste gedeelten en zand strooiden op de bruggen. Hedenmorgen waren in het geheel ongeveer 300 losse arbeiders in dienst genomen, die het werk met kracht voortzetten, terwijl langs enkele grote wegen de sneeuwploegen de ontruiming begonnen. De Omnibusmaatschappij behield nog de gehele voormiddag overal de halve dienst.

11-1-1892
Ter Secretarie zijn ter lezing neergelegd:
TRAM NAAR HET JACOB VAN LENNEPKWARTIER.
Nr. 14. Preadvies van B. en W. naar aanleiding van het in hun handen tot preadvies gesteld adres van H. Fernantzen c. s., waarin zij onder verwijzing naar het adres, door de Vereniging „Jacob van Lennep" aangeboden, aandringen op een tramverbinding van het „Jacob van Lennepkwartier" met de binnenstad.
B. en W. zeggen hieromtrent het volgende: Op bovenbedoeld adres van de Vereniging ”Jacob van Lennep" werd nog geen preadvies uitgebracht, omdat wij meenden eerst de beslissing van de raad omtrent de tramvoordracht van 25 Augustus jl. en, bijaldien dienovereenkomstig werd besloten, de afloop der daarop volgende inschrijvingen te moeten afwachten. Nu echter de behandeling van die voordracht voorlopig is aangehouden, menen wij met een preadvies niet langer te moeten wachten. De Vereniging „Jacob van Lennep" wenst, dat aan haar bezwaren wordt tegemoet gekomen door de aanlwg van een tramlijn van de Westermarkt langs de gedempte Rozengracht naar het einde der Bilderdijkstraat, hetzij over de nieuw te maken brug bij de molen „de Victor", hetzij over de Kinkerbrug, en wenst, dat de gemeente daartoe aan de Amsterdamsche Omnibus-maatschappij order geeft. De bepalingen der concessie geven aan de Gemeente daartoe echter geen recht.
Wanneer de lijn van de Dam tot de Marnixstraat gereed is, kan de Gemeente de Amsterdamsche Omnibus-maatschappij gelasten, in plaats van de lijn over het verlengde van de Westelijke verkeersweg (de gedempte Bleekerssloot) tot de Bilderdijkstraat door te trekken, die volgens het traject Marnixstraat, Kinkerbrug en Kinkerstraat tot de Bilderdijkstraat aan te leggen. Voordat echter de lijn met de Dam in verbinding staat, kan dergelijke lastgeving niet worden verstrekt.
Daarenboven zou die lijn slecht passen in het door de raad aangenomen plan van tramlijnen in de buitenstad. Een voorlopige verbinding van het Jacob van Lennepkwartier met de Dam (een verbinding met de Westermarkt zou o. i. slechts tot teleurstelling aanleiding geven) zou te maken zijn door het leggen van een tramspoor van de Bilderdijkstraat door de Kinkerstraat en over de Kinkerbrug, aansluitende met de lijn Marnixtraat, wanneer daarop dan door de Amsterdamsche Omnibus-maatschappij een dienst werd georganiseerd naar het Leidscheplein in aansluiting met de lijnen van daar naar de Dam.
Kunnen de belanghebbenden de Amsterdamsche Omnibus-maatschappij van het nut van een dusdanige verbinding overtuigen, zo zou er naar onze mening en naar die van de commissie van bijstand in het beheer der Publieke Werken geen bezwaar bestaan daartoe vergunning te verlenen; van een lastgeving een dergelijke lijn aan te leggen, kan echter niet wel sprake zijn.
Na de opstelling van bovenstaande, stelde de raad alsnog in onze handen tot preadvies een adres van A. Paans c.s., houdende het verzoek, dat de tramverbinding over de Rozengracht via Westermarkt naar de Dam spoedig tot stand wordt gebracht. Sedert de gemeente te dien opzichte heeft gedaan wat binnen haar bereik lag, namelijk het aanvragen van een onteigeningswet voor de nieuwe westelijke verkeersweg, berust de zaak thans bij de Hoge Regering ter verdere behandeling. De gemeente kan nu niet anders dan het resultaat daarvan afwachten.
Wij stellen u dus voor, ons te machtigen de verschillende adressanten overeenkomstig het bovenstaande, ieder voor zooveel hem aangaat, te antwoorden.

15-1-1892
Correspopndentie
L. te A. — Een tramconducteur, die u een uitbrander geeft omdat u door een “ho!'' uw begeerte om in te stappen hebt kenbaar gemaakt, achten wij met u wel wat rijkelijk gevoelig voor zijne betrekking. Het zal altijd een min of meer gebiedend klinkend eenlettergrepig woord moeten wezen, geen afgeronde zin die met een beleefd vraagteken eindigt, waarmee men doet „stoppen." Maar uw man achten wij toch een hoge uitzondering op het wegens vele deugden te goeder faam (bekend) staand personeel.

20-1-1892
De Vereniging Jacob van Lennep heeft, naar aanleiding van het preadvies van B. en W., in zake de adressen tramlijn Dam—Bilderdijkstraat een nader adres aan het Dagelijks Bestuur gericht, waarin zij aanvoert:
-Dat de vereniging geen nieuwe lijn beoogt, doch alleen bespoediging van de aanleg van een geconcessioneerde lijn.
-Dat de door B. en W. aangegeven route, in aansluiting met de lijnen op het Leidscheplein, niet doeltreffend zal blijken te zijn, wegens veel te grote omweg, daar juist de kortste verbinding met de Dam een levenskwestie is voor het kwartier.
-Dat aanleg tot op de Westermarkt minder teleurstelling zal geven dan het Dagelijks Bestuur meent.
-Dat na een hernieuwd onderhoud, de heer directeur der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij zich bereid heeft verklaard tot onmiddellijke aanleg van de navolgende lijn : Bilderdijkstraat, aanvangende bij de Jacob van Lennepkade, Potgieterstraat, Nassaukade, over de te maken brug bij den molen „de Victor," Rozengracht, Westermarkt.
-Dat, al moge de te maken lijn slecht passen in het door de Raad aangenomen plan voor tramlijnen in de buitenwijken, zulks toch geen bezwaar kan opleveren, daar de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij, krachtens de voorwaarden van concessie, het berijden van haar lijnen door anderen moet toestaan.

22-1-1892
GEMEENTERAAD.
Zittlng van Woensdag 20 Jan.
Preadvies van B. en W., om afwijzend te beschikken op een adres van de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij, om verlof tot aanvaarding van een haar door de gemeente Nieuwer-Amstel verleende concessie ter vervanging van de bestaande.
De Heer v. Nierop meent dat de enige oplossing van moeilijkheden als hier rijzen is : een grenswijziging van N.-Amstel. Hoe nodig dit is ten opzichte van het stadsgedeelte van N.-Amstel blijkt ook thans weer. Spr. vraagt als deze zaak van de baan is of het dan niet mogelijk is, dat de tramlijn van de P. C. Hooftstraat zal doorgetrokken worden tot aan het Concertgebouw ? De Voorzitter, de spreker beantwoordende, zegt omtrent de kwestie der grensregeling iets dat voor de verslaggevers geheel onverstaanbaar is. Omtrent het doortrekken van de lijn van de P. C. Hooftstraat naar het Concertgebouw zegt hij dat dit I vooralsnog zeer bezwaarlijk gaan zal, waaraan de Heer Serrurier, Weth. van P. W., toevoegt dat de moeilijkheid hierin gelegen is, dat er voor de A. O. M. geen aanleiding is deze lijn naar het Concertgebouw, de grens der gemeente, te verleggen, zolang met N.-Amstel geen overeenstemming is verkregen. Het preadvies om afwijzend te beschikken werd daarna goedgekeurd.

27-1-1892
Een 14-jarige jongen, die met nog twee deugnieten bij een sigarenhandelaar op het Damrak 1000 tramkaartjes ontvreemdde is door de politie gepakt. Zijn beide jeugdige medehelpers wisten zich uit de voeten te maken.

30-1-1892
De tramplannen voor Nieuwer- Amstel beginnen op te dagen. De Heer Alb. L. H. Theijse, oud-ambtenaar der Staatsspoorwegen, thans te Amsterdam, heeft zich in verbinding gesteld met de Gemeenteraad van Nieuwer-Amstel, om die gemeente van een tramwegnet te voorzien, indien de onderhandelingen met de A. O. M. tot geen gunstige uitslag leiden.

17-2-1892
De Amsterdamsche Omnibus-maatschappij is begonnen met een maatregel, waarbij, tegen de zomer, enige der oudsten van haar koetsiers en conducteurs hun vrije dag om de andere Zondag zullen hebben. Genoemde beambten — voorlopig een tiental — zullen op die Zondag vervangen worden door losse werklieden. Het voornemen bestaat de maatregel gaandeweg uit te breiden.

19-2-1892
De sneeuw, die gistermiddag begon te vallen, is in de avond en de nacht tot een vrij grote massa aangegroeid; de tram moest gisteravond den dienst al inkrimpen tot op de helft, terwijl de pekelwagens langs de verschillende lijnen werden gezonden om de sporen schoon te maken. Zo ook in den loop van de ochtend.
Vanmorgen vroeg werd van stadswege begonnen met het opruimen van de sneeuw. (…….)

25-2-1892
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 24 Febr.
Verzoek van de Vereniging „Jacob van Lennep" om, naar aanleiding van een schrijven der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij, de nodige vergunning te verlenen tot aanleg van de daarbij bedoelde tramlijn Westermarkt—Nassaukade—Potgieterstraat-Bilderdijkstraat-Vondelkade. Gesteld in handen van B. en W. tot preadvies.

26-2-1892
Gisteren is reeds in den Gemeenteraad met een enkel woord gewag gemaakt van de ontvangst van een missive betreffende een tramverbinding van het Jacob van Lennepkwartier met het midden van de stad. Wij vernamen dat daarin de Amst. Omnibus-Maatschappij zich bereid verklaart, aan te leggen een tramlijn Westermarkt—Nassaukade—Potgieterstraat-Bilderdijkstraat—Vondelkade (wat het gedeelte Nassaukade—Vondelkade betreft desnoods op een opzegbare vergunning) mits de gemeente de voor dubbel spoor benodigde wegbaan ter beschikking van de maatschappij stelt en de kosten van het op hoogte houden van die baan, van de bestrating of van de herstrating na eventuele verwijdering der sporen, niet voor haar rekening komen.

11-3-1892
Vanmorgen, omstreeks half negen viel in de Beursstraat bij de Dam, door het breken van een as, een grote kar om, die zwaar beladen was met zakken steenkolen en cokes. Ongelukkig kwam het gebroken voertuig juist op de tramrails terecht, en daar er heel wat tijd mee heen ging vóór alles was opgeruimd, kregen de trams een belangrijk oponthoud. Verscheidene reizigers, die naar het Centraal Station moesten, zagen zich genoodzaakt de weg daarheen te voet af te leggen.

15-3-1892
Door de directie der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij is Zaterdag in het Café Panorama alhier in het openbaar aanbesteed: Het bouwen van een remise voor tramwagens naast de bestaande stallen aan de Brouwersgracht. Ingekomen 22 biljetten; hoogste inschrijving ƒ 19,910; laagste van D. Verbeek en Zoon, alhier à ƒ14,679.

29-3-1892
Zaterdag is de verbreding van de Prins Hendrikkade ter hoogte van de Schreierstoren voor het verkeer geopend. De scherpe bocht is nu weggenomen, terwijl de helling veel minder sterk is. Bovendien behoeven de tramwagens op deze plaats niet langer te wachten door het dubbele spoor. De oorspronkelijke bestrating ligt thans nog een Meter hoger dan de nieuwe weg en zal nu worden afgegraven en daarna opnieuw bestraat. Een gevolg daarvan zal zijn, dat de Schreierstoren, schijnbaar althans, hoger wordt.

2-4-1892
Gedurende het 1e kwartaal 1892 zijn door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij vervoerd : 3,928,384 passagiers, tegen 3,504,329 in hetzelfde tijdvak van 1891.

4-4-1892
Stadsnieuws.
De heren Bos c. s. hebben aan Burgemeester en Wethouders der gemeenten Nieuwer-Amstel en Uithoorn aangevraagd de concessie tot het exploiteren van een stoom- of paardentram van de Rustenburgerstraat (Amsteldijk) langs het Concertgebouw, via Amstelveen tot Uithoorn en terug, tot het vervoeren van passagiers, vracht- en koopmansgoederen.

De verbreding der Prins Hendrikkade nabij de Schreierstoren is nagenoeg voltooid. De aanvulling achter de nieuwe walmuur heeft tot de volle hoogte plaats gehad, waarna is aangevangen met het verleggen van de tramrails; ook de leuningen zijn geplaatst, zodat thans kan worden waargenomen welke grote verbetering het te dier plaatse door deze verbreding zal ondergaan.

13-4-1892
De verbreding van de Prins Hendrikkade nabij de Schreierstoren is nagenoeg voltooid. De trams bewegen zich reeds over het op het verbrede gedeelte gelegde dubbel spoor. Men is nog bezig om door het vergraven van de bestaande weg deze met het zoveel lager gelegen nieuwe gedeelte in overeenstemming te brengen.

16-4-1892
De St. Antoniesbreestraat is opgebroken, het ondergrondse buizennet verlegd, met het leggen van de rails voor de tram komt men deze week gereed en met de asfaltering zal na Pasen begonnen worden. Men beeft in die druk bezochte winkelstraat met lofwaardige spoed gewerkt en de communicatie was, met het oog vooral op de belangen der winkeliers, weinig of niets gestoord.

18-4-1892
Officiële Kennisgeving
Ter secretarie zijn ter lezing gelegd:
……………………………
263. Voordracht tot financiële regeling van het door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij, ingevolge art. 5 der concessie, aan de gemeente uit te keren bedrag voor de werken, ten behoeve van den oostelijke en westelijke verkeersweg uit te voeren.
De uitgaven wegens aankoop der percelen Nienwezijds Voorburgwal, nodig voor de aanleg van de westelijke verkeersweg, ad ƒ75,500, en die voor het dempen der Rozengracht, ten bedrage van f 175.000, worden geregeld uit opbrengst gemeente-eigendommen en door af- en overschrijving uit e post Schulddelging, dienst 1889.
Daarentegen werd de eerste uitkering ad ƒ150,000 van het vermelde, door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij verschuldigde bedrag ad ƒ 1,500.000, geregeld op den post Schulddelging, dienst 1890.
In verband hiermede hebben B. en W. op de suppletoire begroting, tegenover het resterende bedrag ad f 1,350,000 in ontvangst, in uitgaaf gesteld alsnog een bedrag van ƒ 100,500 voor schulddelging, en de som van ƒ 1,249,500 voor de overige ingevolge de aan de Maatschappij verleende concessie uit te voeren werken.

20-5-1892
GEMEENTERAAD.
(Zitting van Woensdag 18 mei, 's nam. 1 uur) (Vervolg.)
De Voorzitter deelde hierna mede, (……..)
Alsnu kwam de Agenda aan de orde.
(…………….)
263. Voordracht tot financiële regeling van het door de Amsterdamsclie Omnibus-Maatschappij aan de gemeente uit to keeren bedrag voor de werken, ten behoeve van den oostelijke en westelijke verkeersweg uit te voeren. Van het door de A. O. M. verschuldigde beding ad ƒ1,500,000 was de eerste uitkering ad ƒ 150,000 tot schulddelging aangewend.B. en W. stellen voor van het resterende bedrag ad ƒ 1,350,000 een bedrag van ƒ 100,500 te besteden tot schulddelging en de som van ƒ 1,249,500 voor de overige ingevolge de aan de Maatschappij verleende concessie uit te voeren werken. Aangenomen.
(………)

2-6-1892
In verband met de weldra aan te vangen asfaltering van de Haarlemmerdijk is men begonnen met het leggen van hulpsporen voor de tram.

Maandagmiddag is een klein meisje op de hoek van Spuistraat en Paleisstraat bij de rails gevallen, juist toen er een tram aankwam. Het kind werd door het paard geraakt, maar kwam niet onder de wagen, doordat de koetsier nog tijdig met alle kracht remde. Een geneesheer, die in de nabijheid voor zijn raam ooggetuige was van het geval, verbond het meisje, dat gelukkig alleen aan een been een weinig ernstig was gekwetst en in een naburige slagerswinkel was gebracht, waarna het door den vader naar de ouderlijke woning op de Warmoesgracht werd gedragen.
Dit moge andere ouders een les zijn om hun kinderen op deze drukke hoek niet zonder toezicht te laten.

3-6-1892
Ter secretarie zijn ter lezing gelegd:
No. 336. Voordracht om, ingevolge een klacht, door bewoners van de St. Anthoniesbreestraat tot B. en W. gericht over de bezwaren, die zij van de tramaanleg zullen ondervinden bij het lossen en laden van goederen in de bergplaatsen van hun percelen, over te gaan tot het leggen van een vaste brug van het uiteinde der Snoekjesgracht naar de Gedempte Rotterdammer Sloot. Daardoor wordt dan tevens het voordeel verkregen, dat dit geheel afgesloten deel van de openbaren weg goed bereikbaar wordt.

De P. C. Hooftstraat vlagt niet, hoewel er enige reden voor zou wezen: de schutting in de Hobbemastraat is weggebroken en een aantal werklieden is bezig de weg in goede toestand te brengen.

10-6-1892
Gedurende de Pinksterdagen werd door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij vervoerd: des Zondags 67,000, des Maandags 99,608 personen. Door de Hollandsche Spoor werden van hier op beide dagen vervoerd 60,000 reizigers. Per Staatsspoor vertrokken van het Centraalstation 8465 personen. Op de lijnen der Noord-Hollandsche Tramweg- Maatschappij werden gedurende beide dagen vervoerd 3490 reizigers.

11-6-1892
Naar aanleiding van een advertentie (zie boven), in dit nummer voorkomende, omtrent de nieuwe tramlijn Centraal-Station—Weesperzijde, die Zaterdag a. s. geopend wordt, en het tarief, dat voor die lijn is vastgesteld, delen wij het volgende mede.
Ongeveer elke 6 minuten zal in beide richtingen een tramwagen vertrekken: van het Centraal-Station van 's morgens 8.20 tot 's avonds 11.30 en van de Weesperzijde van 's morgens 8 tot 's avonds 11.10 uur. Het tarief op de lijn zelf is 10 cent per rit (of een tramkaartje van 6 ½ cent) en 12 ½ cent voor een retour of overstapkaartje. Voor het traject Weesperzijde—Amstelhotel blijft het tarief van 5 cent van kracht, terwijl voor het verkeer Weesperzijde—Sarphatistraat—Dam speciale abonnementskaartjes in boekjes van 25 stuks verkrijgbaar zijn. Deze kaartjes zijn dubbel en gelden alleen op dit traject; de prijs ervan is ook 6 ½ cent. In 't vervolg kan men dus niet meer met een gewoon kaartje van de Dam naar Schollenbrug trammen, doch alleen met een speciaal dubbel kaartje, ook natuurlijk tegen betaling van 10 cents. Speciale dubbele retourkaarten zijn voor 12 ½ cent eveneens op dit traject verkrijgbaar.
De laatste proefrit op de nieuwe lijn had hedenmorgen in tegenwoordigheid van enkele gemeenteautoriteiten plaats; hij slaagde, evenals de vorige proefritten, naar wens.

15-6-1892
Men maakt ons opmerkzaam op de wenselijkheid van het oprichten van een wachthuisje op het Tulpplein, ten behoeve van de personen die op deze tochtige hoek een aansluitende tram afwachten. Wij twijfelen niet, dat de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappy het hare zal doen om aan deze wens gehoor te geven.

20-6-1892
BRIEVENBUS.
Een bewoner van de Weesperzijde drukt zijn vreugde uit over de laatste uitbreiding van het net der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij. Vooral juicht hij de bepaling toe, dat men nu van Schulpbrug naar het Centraal-Station kan rijden voor een gewoon abonnementskaartje.
Daar staat tegenover, dat hij zeer teleurgesteld is door de omstandigheid, dat men nu niet eveneens van de Weesperzijde naar de Dam kan rijden onder een gelijk tarief, tenzij men een boekje koopt met 25 coupons voor ƒ 1.62½. De kleine burgerman koopt zulk een boekje niet, omdat hij zoveel geld niet tegelijk kan missen, en wordt dus gedwongen een kaartje van 10 cent in de tram te kopen.
Hij is overtuigd uit veler naam te spreken door er op aan te dringen, dat de directie de bepaling laat vervallen, „dat de kaartjes uit het couponboekje door de conducteur moeten worden gescheurd."
Voorts hoopt hij, dat de maatschappij er toe zal besluiten, ook een gewoon kaartje voldoende te verklaren voor een rit van de Weesperzijde naar het Leidscheplein.
Het is de inzender wellicht niet bekend, dat de directie intussen een andere wijziging bracht in het tarief, doordat nu in beide richtingen retourkaartjes worden afgegeven op het traject Dam— Weesperzijde. Vroeger kon dit alleen in de richting Weesperzijde—Dam. Voor de bewoners van de middenstad is dit een verbetering.

22-6-1892
Verplaatsing markt van Nieuwmarkt naar Waterlooplein.
B. en W. schrijven in hun voorstel dienaangaande: “Nu de tramlijn Centraalstation—Weesperzijde geopend is, meenden wij, ook met het oog op de veiligheid van het verkeer langs de overvolle Nieuwmarkt, de verplaatsing niet langer te mogen uitstellen en hebben wij daarom tot die verplaatsing op 4 Juli e. k. besloten.”, en “Van de nieuwe tramdienst Centraal Station— Weesperzijde wordt druk gebruik gemaakt, wel een bewijs dat daaraan behoefte bestond.”

24-6-1892
Door de heren A. W. de Flines en J. F. von Glahn is een brochure uitgegeven, waarin opnieuw de aandacht gevestigd wordt op het ontbreken van flinke verkeerswegen in Amsterdam. Zij hebben in hun fraai uitgevoerde brochure (verschenen bij Scheltema en Holkema's Boekhandel), onder de titel: “De Amsterdamsche boulevards”, hun denkbeelden uiteengezet over een brede verbindingsweg, lopend van de Museumterreinen tot het Centraalstation. Dat zou zijn de Museumstraat, lopende van het Museum door de Spiegelstraten, dwars door de Kalverstraat, naar het Rokin tegenover de Nederl. Bank, en verder over het (gedempte) Rokin en Damrak, als Stationsboulevard naar het station.
Dit zou een uitgaaf van ongeveer 3 miljoen vereisen. Een tweetal plattegronden, een van deze hoofdweg afzonderlijk, en een andere, bevattende het algemeen plan van hervorming, waarin ook deze weg voorkomt, zijn aan het boekje toegevoegd. De schrijvers hebben op deze door hen geschapen verkeersweg zich ook een tram gedacht, en wel een electrische tram.

29-6-1892
De Amsterdamse Boulevards.
In de brochure van de heren A. W. de Flines en J. F. von Glahn (zie bij 24-6), onder bovenstaande titel uitgegeven bij Scheltema en Holkema's Boekhandel, wordt in hoofdzaak het denkbeeld ontwikkeld om grote en brede verkeerswegen aan te leggen, omdat daardoor alleen de nieuwe wijken in nauw verband zullen blijven met de oude stad. Thans is geen enkele nieuwe wijk door een behoorlijke toegang met de middenstad verbonden, waar evenmin voldoende verkeerswegen zijn. Het gemeentebestuur behoort bij de aanleg van nieuwe wijken in de eerste plaats te zorgen voor goede verkeerswegen, want daardoor alleen zullen de wijken fraaier en grootser worden. Wanneer men er later toe overgaat zijn de prijzen zeer gestegen en zal alleen door onteigening kunnen worden verkregen, wat vroeger vanzelf had kunnen geschieden.
Hiervan uitgaande hebben de schrijvers op de plattegrond van Amsterdam een viertal grote wegen aangegeven. In de eerste plaats herinneren zij aan de zoogenaamde westelijke verkeersweg, waardoor een behoorlijke communicatie zou worden verkregen met de schier afgesloten wijk buiten de Raampoort. Volgens dit plan, dat, zoals men weet, reeds een gedeeltelijke uitvoering kreeg door den bouw van de Kinkerbrug en de demping der Elandsgracht, zullen de Raam- en Rosmarijnstegen moeten verbreed worden. De schrijvers wensen dezen weg echter niet, zoals men vroeger voorstelde, te laten eindigen op de Voorburgwal. Dit zou een misplaatste zuinigheid zijn. De St. Luciënsteeg immers, met hare trottoirs, juist breed genoeg voor één baan, heeft zeker verbreding nodig en de Duifjessteeg, met een breedte van 1.76 M., is zeker geen voldoende verkeersweg. Zij stellen daarom voor, de weg te verlengen tot het Rokin, de toekomstige Stations-boulevard, die de slagader van het verkeer moet worden in hun plan.
Het is duidelijk, dat de andere aanstaande verkeersweg, die over de Rozengracht door de toekomstige Raadhuisstraat tot achter het Paleis, volkomen in dit plan past.
Intussen moet ook het verkeer in oostelijke richting verbeterd worden, en daartoe stellen zij een nieuwe breden weg voor, lopende van het Rokin over het Rusland naar de Plantage en aldaar samen vallende met een noordwestelijke boulevard, welke begint in de Westerstraat, de drie grachten loodrecht snijdt en ten slotte op het Damrak, ter hoogte van de Oudebrugsteeg, uitkomt, om vandaar weer in rechte lijn te worden voortgezet langs de Oude Waal, om ongeveer bij de Parkschouwburg te eindigen. De Plantage wordt op deze wijze langs twee verschillende wegen met het hart der stad verbonden en vandaar verder met het zuidwesten, het westen en het noorden.
Hoofdzaak in het gehele plan is natuurlijk de grote weg, welke de Museumwijk met het middengedeelte der stad moet verbinden, om daar aan te sluiten aan de Stationsboulevard Rokin-Damrak. De ene is dan een voortzetting van de andere weg en tezamen vormen zij de kortste verbinding tussen de beide bouwwerken van Dr. Cuypers.
De weg is toch niet volkomen recht, maar heeft flauwe bochten. Hij begint op het Rokin tegenover de Nederlandse Bank en heeft daar een breedte van 25 meter, zodat de kruising van de Kalverstraat door een tram geen bezwaar zal opleveren. Tussen Kalverstraat en Singel zal een wenselijke opruiming worden gehouden in de steegjes van het Klooster, en de gevangenis komt aan de achterzijde aan een brede straat te liggen. Na overbrugging van het Singel en doorbraak tot aan de Heerengracht, met overbrugging dezer gracht, is hiermede de directe verbinding reeds tot stand gebracht, ook zonder verbreding der Spiegelstraten, al zou het wenselijk zijn, daartoe reeds onmiddellijk over te gaan onder andere omdat daardoor langs den gehele weg dubbel tramspoor kon worden gelegd en de weg een fraaier karakter zal verkrijgen. Technische bezwaren zijn hiertegen niet in te brengen, menen de schrijvers, maar de financiële bezwaren ontveinzen zij zich niet. Zij willen daarom de kosten voor de grotere werken verdelen. zoals ook geschiedt bij de westelijke verkeersweg, waar de Gemeente, het Rijk en de Arnsterdamsche Omnibus-Maatschappij als direct belanghebbenden bijdragen.
De schrijvers trachten met sprekende voorbeelden aan te tonen, dat een directe tramverbinding van de Museumterreinen met de Oude stad en het Centraalstation wel degelijk reden van bestaan heeft, omdat de tegenwoordige verbinding veel tijdverlies veroorzaakt door de omwegen en het grote aantal wisselplaatsen in nauwe straten als de Leidschestraat en de Vijzelstraat. Voor de nieuwe grote Stationsboulevard hebben zij het oog op een verbinding van elektrische trams en stellen zich voor, dat de hoofdweg door Amsterdam eenmaal over zijn gehele lengte elektrisch zal worden verlicht, en wel op kosten der Trammaatschappij.
In een afzonderlijk hoofdstuk geven de schrijvers financiële beschouwingen, waarin zij o. a. berekenen, dat voor de aanleg der nieuwe straat ongeveer 3 miljoen gulden zal worden vereist, aangenomen dat de onteigeningskosten zullen bedragen ruim 2 miljoen (vermeerderd met ongeveer f 180,000 aan opbrengst van bouwterrein), terwijl de aanleg van de Stations-boulevard zal kosten circa f 333,000 en van de Museumstraat circa f 577,450, waarbij nog wordt gevoegd: aankoop van grond en bouw van een elektrisch station f 45,000 en onvoorziene onkosten tot een gelijk bedrag. De schrijvers erkennen dankbaar, dat er reeds stappen in de goede richting werden gedaan. Aan de plantsoenen wordt meer zorg besteed dan vroeger. De aanleg van het Westerpark kwam gereed en voor die van het Oosterpark heeft men ernstige voornemens. De gapingen in de boombeplanting werden aangevuld. Het asfaltnet werd reeds belangrijk uitgebreid, terwijl daarmede nog geleidelijk wordt voortgegaan. De Rozengracht werd gedempt en de tramkwestie in dat stadsdeel opgelost. De Elandsgracht werd eveneens gedempt en aan de Marnixstraat is de nieuwe Groentemarkt in aanleg. De Museumterreinen zullen in exploitatie komen, zelfs de Beurskwestie werd opgelost, en de entree der stad zal herschapen worden in een sierlijke avenue. „Er is dus verbetering merkbaar, de wagen is aan het rollen, maar nu worden alle krachten vereist om haar rijdende te houden. „De Damrakavenue echter doorkruist slechts een vierde gedeelte der stad; de door ons voorgestelde weg — zeggen de schrijvers van deze zeer lezenswaardige brochure — doorsnijdt haar geheel".

1-7-1892
Gisteravond hield de kiesvereniging: „Burgerplicht," ln het Gebouw der Maatschappij voor de Werkende Stand, onder leiding van den Heer A. C. Wertheim, een vergadering, ter behandeling van het onderwerp: „de tramverbinding van het centrum der stad met de buurten XX en YY.''
Deze zaak is onlangs in afdeling VIII ter sprake gebracht; toen werd een motie aangenomen, waarin de noodzakelijkheid werd uitgesproken van een rechtstreekse tramverbinding van het Van Lennepkwartier en de omgeving van het Sarphatipark met de Dam en een onderlinge tramverbinding van beide wijken, en het Gemeentebestuur werd uitgenodigd, om de beide tramlijnen zo spoedig mogelijk tot stand te doen komen. Ingevolge een verzoek van de genoemde afdeling werd de zaak gisteravond in een algemene vergadering behandeld.
De heren Van Niftrik en Jacobs gaven een toelichting van de motie, waarin zij er o. a. op wezen, dat buurt XX 18,650 en buurt YY 36,427, dus beide buurten tezamen ruim 55,000 inwoners tellen, dat is meer dan 1/10e van de gehele bevolking van Amsterdam. Een stadsgedeelte met zulk een zielental, gevormd door personen, die meestal hun werkkring in de oude stad hebben, kan niet langer van een doelmatige tramverbinding met het centrum verstoken blijven. Het is een fout van het Gemeentebestuur, dat het niet reeds, evenals alle grote steden, in deze behoefte voorzien heeft, door de bestaande verkeerswegen in de oude stad, die aansluiten aan de nieuwere gedeelten, te verbreden en zo het leggen van tramlijnen mogelijk te maken. Dit is een verkeerde zuinigheid, waarmede in het algemeen belang, d. w. z. in het belang zowel van bewoners van de oude als van de nieuwe stad, gebroken moet worden. De spr. drongen er op aan, dat de vergadering de motie van afd. VIII bekrachtigen zou en haar daarna opzenden naar het Gemeentebestuur. De Voorzitter herinnerde er aan, dat het tot stand komen van de verbinding v. Lennepkwartier met de Dam reeds in voorbereiding was en alleen wachtte op de nodige onteigeningswetten. Daarom diende deze lijn wel afgescheiden te worden van de andere in de motie gevraagde verbinding Amsteldijk—Haarlemmerpoort. Door verschillende sprekers, meest bewoners van de wijken XX en YY, werd hierna het woord gevoerd. De meesten waren van oordeel, dat de hoofdzaak was het tot stand komen van een onderlinge verbinding van die buurten. Men meende, dat de moeilijkheid om te geraken tot een directe verbinding van de Amsteldijk met de Haarlemmerpoort gelegen was in het improductieve van deze lijn, waarvoor bezwaarlijk een concessionaris te vinden zou zijn en waarom dus de gemeente de A. O. M. moest gelasten haar aan te leggen. Van andere zijden werden bezwaren aangevoerd tegen het doen van dergelijke besliste eisen aan de gemeente, met welke zienswijze het bestuur het eens was, waarom de Heer Wertheim dan ook voorstelde, dat de vergadering aan het bestuur zou opdragen om — daar toch over de wenselijkheid en de noodzakelijkheid van de bedoelde verbindingen, zoowel die met het centrum als van de buitenwijken onderling, allen het eens waren — zich in die geest tot het Gemeentebestuur te wenden.
Dat voorstel mocht, na nog enig debat, de goedkeuring wegdragen, zodat het bestuur van „Burgerplicht" zich tot de Raad zal wenden met het verzoek, om zo spoedig mogelijk alles in het werk te stellen, wat strekken kan om een tramverbinding van de buurten XX en YY onderling en van elk dezer buurten met het centrum der stad tot stand te brengen.

2-7-1892
Gedurende het 2e kwartaal van 1892 zijn door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij vervoerd: 4,815,092 passagiers, tegen 4,507,507 in hetzelfde tijdvak van 1891. Totaal van 1 Januari af 8,743,476 passagiers, tegen 8,011,883 in het vorige jaar.

Omstreeks half twaalf werd in de Hoogstraat …….. een troepje volk door de politie uiteengejaagd en ontstond enig gedrang, toen de politie, ongeveer twaalf agenten sterk een dronken koetsier wilde meenemen, die echter door de menigte werd vastgehouden en ontzet.
Kort te voren was op het Rokin nog een samenscholing ontstaan tengevolge van het springen van een soort voetzoeker, welke op de tramrails was gelegd en die met een luiden knal ontbrandde, toen een der laatste tramwagens daarover reed, een geval, dat intussen meer vrolijkheid dan ontsteltenis veroorzaakte.

5-7-1892
Uit het (gemeentelijk) jaarverslag over 1891:
Vermeldde het vorig jaarverslag (dat over 1890 dus), dat de met het asfalteren der Reguliersbreestraat genomen proef goede uitkomsten heeft gegeven, zo heeft ook de asfaltaanleg in de Leidschestraat in 1891 geen bezwaren opgeleverd voor het tram- en gewone rijverkeer.

8-7-1892
Ter Secretarie zijn ter lezing neergelegd :
No. 402. Voordracht van B. en W., om goed te keuren een nieuwe concessie door de gemeente Nieuwer-Amstel aan de A. O. M. te verlenen, en in verband hiermede aan de A. O. M. machtiging te verlenen tot het verlengen en wijzigen van de tramlijnen: a. Dam—Vondelstraat met dubbel spoor langs de R. C. Kerk tot aan de grens der gemeente in de Vondelstraat; b Dam—P. C. Hooftstraat door de Van Baerlestraat en de Willemsparkweg, met dubbel spoor tot aan de grens der gemeente m laatstgenoemde weg.

14-7-1892
GEMEENTERAAD.
(Zitting van Woensdag 13 Juli ’s nam. 1½ uur).
Bij de ingekomen stukken is een exemplaar der brochure van A. W. de Flines en J. F. von Glahn, getiteld: „de Amsterdamsche Boulevards."
De Heer Ankersmit vestigt de aandacht van B. en W. op deze brochure en verzocht dat zij in handen wordt gesteld van de hoofdambtenaren van P. W. De Voorzitter verzekert, dat de inhoud van de brochure niet aan de aandacht van B. en W. ontgaan is.
Besloten werd de brochure ter visie te leggen.

Verder een mededeling door de Kiesvereniging „Burgerplicht" van een in een vergadering van die vereniging aangenomen motie betreffende het openen van een rechtstreekse tramverbinding, niet alleen met het centrum der stad, maar ook onderling tussen de verschillende buitenwijken. Besloten werd deze te behandelen bij de desbetreffende voordracht.

15-7-1892
GEMEENTERAAD.
(Vervolg der Middagzitting.)
402. Voordracht om 1. de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij te machtigen tot het aanvaarden van een concessie, haar onder zekere voorwaarden door de gemeente Nieuwer-Amstel verleend, en 2. de tramlijnen Dam—Vondelstraat en Dam—P. C. Hooftstraat te verlengen en te wijzigen. Goedgekeurd.

18-7-1892
Het adres, door het personeel van de Amst. Omnibus-Maatschappij aan de Directie gericht, luidt als volgt:
(Aan) De Weledele Heer K. H. Schadd, Directeur der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij, Alhier.
WelEdele Heer!
De ondergetekenden, allen conducteurs en koetsiers der „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij," veroorloven zich met bescheidenheid enige ogenblikken uw aandacht te verzoeken voor de navolgende regelen, overtuigd van uw belangstelling voor hun belangen, zo nauw verwant aan die van uw Maatschappij. Prijs stellende op hun betrekking, meenden zij nochtans enkele grieven onder uw aandacht te mogen brengen en besloten daarom tot het houden van een bijeenkomst, ten einde door onderlinge bespreking te komen tot het gewenste doel.
Donderdagavond, na afloop van de dienst, heeft die bijeenkomst in het lokaal “D' Geelvinck" plaats gehad ; zij leidde tot het nemen van een besluit, om met bescheidenheid, maar met de meesten ernst tot u te komen met het beleefd verzoek enige verandering, beter gezegd : verbetering, te willen brengen in hun dienst. Zij gronden dit verzoek op de volgende overwegingen :
1°. Dat zij sedert begin Juni slechts één, sommigen van hun in het geheel geen vrije dag hebben gehad,
2°. Dat zij in 1891 vrij geregeld konden rekenen op drie vrije dagen in de maand, voorzeker niet te versmaden na een dagtaak, die hen noopt des ochtends te 7.15 hunne woning te verlaten, binnen welke zij, op zijn vroegst, te circa middernacht terugkeren, behoudens de schafttijd van p. m. 90 minuten, terwijl zij om de vier dagen van 12 tot 4.30 uur des namiddags moeten aflossen.
Beleefdelijk menen zij daarom u te mogen verzoeken de dienst zodanig te willen regelen, dat zij :
a. Na 2 dagen rijden, de derde dag slechts drie wagens behoeven af te lossen, de zesde dag eveneens en de negende dag geheel vrij zijn, met de bepaling, dat de koetsier of conducteur, die wegens ziekte van anderen op die negende dag moet aflossen, zal worden uitgekeerd het ziekengeld van degene, in wiens plaats hij dienstdoet.
b. Eenmaal per jaar, met behoud van traktement, op een verlof van vier dagen mogen rekenen, met bepaling, dat, zo er verschillende aanvragen tot verlof gelijktijdig inkomen, de oudste in dienstjaren het eerst in aanmerking komt.
Met vertrouwen stellen zij hun verzoek in uw handen, overtuigd dat op hun bescheiden wensen gunstig zal worden beschikt.
Met ware hoogachting tekenen, Weledele Heer! UEd. Dienstwillige Dienaren,
Volgen de Handtekeningen.

Gelijk men uit het Gemeenteraadsverslag gezien heeft is de doortrekking van de tramlijnen Dam—Vondelstraat en Dam—P. C. Hooftstraat goedgekeurd. Er zal echter nog wel enige tijd mee heengaan vóór men tot de uitvoering van het besluit zal kunnen overgaan, aangezien ook de goedkeuring van de Ged. Staten een vereiste is.

25-7-1892
De koetsiers en de conducteurs van de tram, die verleden week tot de directeur van die instelling enige verzoeken richtten om meer vrijen tijd, hebben heden antwoord ontvangen. De verzoeken, zoals ze gedaan waren, konden niet ingewilligd worden, maar de Directie heeft maatregelen toegezegd om de zondagsdienst volledig in te voeren.
Tot dusver profiteerden alleen de oudere koetsiers en conducteurs van den vrijen dag om de 14 dagen.

6-8-1892
De heren Bos c. s. (van Woustraat) hebben concessie aangevraagd voor de aanleg van een stoom- of elektrische tramlijn, tot het vervoer van passagiers en goederen, van Nieuwer-Amstel, Amsteldijk, langs de Amstel, via Ouderkerk tot Uithoorn, en terug.

15-8-1892.
Ter secretarie is ter lezing neergelegd :
477. Nota van het Raadslid Dijkmans, waarbij hij verklaart te volharden bij zijn vroeger uitgesproken mening, dat het volgen van den thans ingeslagen weg niet zal voeren tot het doel, om zo spoedig en zo voordelig mogelijk de tramlijnen, welke voor de buitenwijken wenselijk worden geacht, tot stand te brengen.
Hij meent, dat men zal moeten overgaan tot aanleg en exploitatie voor rekening der gemeente. De bezwaren kunnen uit de weg geruimd worden, wanneer men de onderneming regelt op dezelfde wijze als bij het Amsterdamse Entrepotdok; nl. met een zelfstandig bestuur, onder rechtstreeks toezicht van een commissie en onder oppertoezicht van B. en W.
De gemeente, die zelf tramlijnen aanlegt en exploiteert, heeft het voordeel dat zij gebruik maakt van haar eigen wegen, van hare eigene werken en dikwijls ook van haar eigen terrein. Voorts geeft de voorsteller in overweging, te onderzoeken, of toepassing vau elektriciteit als beweegkracht al dan niet de voorkeur verdient. In Amerika bestaan reeds meer dan 400 elektrische trambanen en naar hetzelfde stelsel dat daar het meest toepassing heeft gevonden (het stelsel van Thomson-Houston met bovengrondse geleidingen) is reeds een tramlijn in werking te Bremen en éen in aanleg te Brussel. In ieder geval echter, of na dat onderzoek de keus op paarden of op elektriciteit als trekkracht valt, een voorzichtig beleid zal medebrengen, dat niet dadelijk en tegelijkertijd al de door hem bedoelde lijnen worden tot stand gebracht. Het zou aanbeveling verdienen, aan te vangen met den aanleg van slechts éen lijn, en daarvoor komt het eerst in aanmerking de lijn Leidschebosch—Stadhouderskade— Ferdinand Bolstraat—Jan Steenstraat—Amsteldijk, aansluitende aan een stoom-pontverbindiag met de Weesperzijde. Zij is lang 2600 M en daarin komt 2300 M dubbel spoor.
De kosten van aanleg, enz. van die lijn worden door de voorsteller geraamd als volgt: bovenbouw ƒ 74,000 ; stal, remise en bijgebouwen ƒ 95,000; rollend en varend materieel en trekkracht ƒ 66,620 ; uniformen, tuigen, gereedschappen, meubilair, enz. ƒ 10,000; onvoorzien en opzicht bij de aanleg ƒ 14,380, totaal ƒ 260,000.
De voorsteller onthoudt zich van een raming van opbrengst en exploitatiekosten. Alleen herinnert hij aan de indertijd overgelegde staat der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij. Al werd op de lijn Amsteldijk—Leidschebosch slechts de helft der daarin vermelde zuivere opbrengst verkregen, dan zou zij nog bedragen 6.65 pCt. van het kapitaal, benodigd voor aanleg en installatie. De Heer Dijkmans stelt derhalve voor te besluiten ;
1. Voor rekening der Gemeente aan te leggen en te exploiteren:
a. een tramlijn Leidschebosch— Stadhouderskade—Ferdinand Bolstraat—Jan Steenstraat—Amsteldijk, aansluitende aan de hierna te noemen stoompontverbinding met de Weesperzijde;
b. een tramlijn Haarlemmerplein—Nassaukade—Potgieterstraat—Bilderdijkstraat—Constantijn Huijgensstraat—Vondelstraat—Tesselschadestraat (desgevorderd —Leidschebosch ;
c. een tramlijn Handelskade (aanvangende noordwaarts van den overgang van het Oosterspoor)—de Ruijterkade—Stationsplein;
d. een tramlijn Stationsplein—de Ruijterkade—Westerdoksdijk—Barentsztraat—Planciusstraat-Haarlemmerplein;
e. een stoompont, ingericht voor personen- en handkarrentransport, verbindende de beide Amsteloevers, nabij de standplaats der sub a genoemde tramlijn.
2. Tot de aanleg van de lijn sub a omschreven en van de stoompont sub, e bedoeld zal worden overgegaan, zodra, na het onderzoek sub 3° genoemd, door de Raad zal zijn vastgesteld welke trekkracht zal worden toegepast. Tot de aanleg van de overige lijnen zal worden overgegaan op nader door de Raad vast te stellen tijdstippen.
3°. B. en W. uit te nodigen een onderzoek in te stellen of een exploitatie met paarden, dan wel met elektriciteit de voorkeur verdient.

2-9-1892
De grote marmeren groep van de beeldhouwer Teixeira de Mattos, waarvan eergisteren in een bericht over de Driejaarlijksche tentoonstelling sprake was, werd met grote zorg naar het houten gebouw op de Pijpenmarkt overgebracht. Het transport van dit gevaarte van 4000 Kg. mag als een meesterstuk van vervoer worden beschouwd. De groep verliet des morgens ten zes uur het atelier van de kunstenaar in de Plantage, werd op een laag wagentje over de rails van de tram vervoerd tot de Paleisstraat en vandaar, evenals op de Dam geschiedde, met behulp van noodrails tot aan de plaats van bestemming, waar het kunstwerk ten tien uur aankwam, gelukkig zonder enige schade. De A. O. M. had welwillend meegewerkt om het gevaarte te vervoeren.

14-9-1892
Over een gistermiddag te 5 uren op de tramlijn Overtoom-Leidscheplein voorgevallen droevig ongeluk schrijft ons de geneesheer H. P. Schröder: Ter hoogte van het Buitengasthuis reed ons een houtwagen voorbij ; achter die wagen liepen enige jongens; een dezer geeft een ander een duw; de jongen valt tegen ons paard, struikelt, en hoewel de koetsier wanhopende pogingen deed om te remmen, was op hetzelfde ogenblik het voorwiel diep in de borstkas van het knaapje gedrongen. Met verenigde krachten tilden wij onmiddellijk de tram uit de rails, de jongen werd opgenomen, maar ik kon slechts de dood constateren. Met blozende wangen lag het kind met gebroken oog daar. Wij allen waren vreselijk ontdaan door deze plotselinge overgang van bloeiende gezondheid in de dood. Naar aanleiding daarvan dringt zich vanzelf de wenselijkheid op, dat toch eindelijk een voldoend toestel mocht gevonden worden, dat personen of voorwerpen van de rails kan schuiven. Zonder twijfel zou de Maatschappij dan bereid bevonden worden deze nodige veiligheidsmaatregel toe te passen.

22-9-1892
Ter Secretarie zijn ter lezing neergelegd :
No. 548. Preadvies van B. en W., waarbij zij voorstellen het verzoek van Holsheimer c.s., om nog dit jaar te besluiten tot het verlenen van de concessie aan de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij voor een tramverbinding met het centrum der stad, te behandelen gelijk met de voordracht No. 474 en de nota van de Heer Dijkmans.

27-9-1892
Gisteravond reeds voor half acht zag de Amstelstraat zwart van de mensen. 't Was er zoo vol van hen, die of naar De Grote Trom of naar Jeanne d'Arc of naar het Panopticum wilden, dat de trams stapvoets moesten rijden. Met moeite kon men zich door de menigte heen werken. Aan de reeks rijtuigen kwam geen einde.

28-9-1892
Op het Rokin werd gisteren een soldaat, die juist met groot verlof uit Leiden was teruggekeerd, door een tramwagen aangereden. Met een wond aan 't hoofd werd hij naar het Binnengasthuis gedragen en van daar met een vigelant naar zijn woning in de Bickerstraat gebracht.

30-9-1892
Nog altijd schijnt 't, dat vreemdelingen, die er een beetje anders uitzien dan iedereen, niet ongemoeid in Amsterdam over straat kunnen gaan. Gisteravond weer was er een heel relletje op de Dam, waar een troepje, niet alleen straatjongens, maar ook volwassen mensen, van wie men dit waarlijk niet zou verwachten, zich verdrong om een paar vreemdelingen, vergezeld van een vrouw, die enigszins bijzonder gekleed was. De mensen, die op de tram stonden, werden zo door het nieuwsgierig publiek gehinderd, dat ze zich genoodzaakt zagen in een vigelante te vluchten en daarmee zo gauw mogelijk weg te rijden.

8-10-1892
Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd:
No. 591. Preadvies van B. en W., waarin zij mededelen, dat zij nopens het voorstel van de Heer Dijkmans omtrent den aanleg en de exploitatie van tramwegen niet overtuigd zijn van de wenselijkheid van een Gemeente-exploitatie en dat zij daarom menen hun voordracht van 25 Augustus 1891 te moeten handhaven.
Alvorens deze voorstellen in behandeling komen, wensen zij echter nog preadvies uit te brengen omtrent een adres, ingediend door de vereniging „Jacob van Lennep", naar aanleiding waarvan de „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij" zich bereid verklaard heeft tot den aanleg van een tramlijn Westermarkt— Bilderdijkstraat—Vondelkade. Uit een bespreking tusschen de Directeur der Omnibus-Maatschappij en de Wethouder voor de P. W. is gebleken, dat de Maatschappij, zodra de brug, thans in aanbouw over de Buitensingel tegenover de Rozengracht, gereed is, bereid zou zijn tot de aanleg van het gedeelte der haar geconcedeerde westelijke lijn van de Westermarkt tot de Nassaukade, wanneer zij die, desnoods op een opzegbare vergunning, mocht verlengen langs de Nassaukade door de Potgieter- en Bilderdijkstraten naar de Overtoom. Het laatste gedeelte van deze weg valt dus tezamen met een deel van de eerste lijn van het Cahier des Charges. Voor de aanleg van de ene zowel als van de andere lijn is het nodig, dat door Gebr. Van der Beek het over hun terreinen lopende gedeelte van de Bilderdijkstraat ter beschikking wordt gesteld. Verder zou de Bilderdijkstraat moeten worden doorgetrokken over een deel der Gasthuisgronden. De voorwaarden, die de Amst. Omnibus-Maatschappij stelt voor de aanleg der lijn op een opzegbare vergunning, schijnen B. on W. niet onbillijk toe. Die voorwaarden toch, dat de Gemeente de voor dubbel spoor benodigde wegbaan beschikbaar stelt en de kosten van het op hoogte houden dier baan, van de bestrating en van de herbestrating na eventuele verwijdering der sporen voor hare rekening neemt, zijn voor de gemeente uit een financieel oogpunt niet bezwarend.

13-10-1892
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 12 Oct.
507. Voordr. betreffende de plaats voor een loods waarin tijdens denverbouw van het Post- en Telegraaf kantoor aan den N. Z. Voorburgwal de telegraafdienst zal moeten geschieden.
Door het Rijk is aangevraagd om de loods te mogen plaatsen tussen het te verbouwen postkantoor en het Paleis. B. en W. hebben hiertegen bezwaar, o. a. omdat de overblijvende rijweg dan slechts ± 6M. breed zal zijn en omdat gedurende de tijd, dat de loods staat (hetgeen wel twee, zo niet drie jaren zal zijn) van een eventuele aanleg der trambaan in de Westelijke verkeersweg geen sprake kan zijn. Zij stelllen daarom voor de loods niet aldaar maar op de N. Z Voorburgwal tussen de Graven- en St. Nicolaasstraten te plaatsen en haar aldus in te richten, dat ter weerszijden een rijweg van ± 4 M. overblijft.
De Heer Mr. Jitta vraagt op welke grond B. en W. voorstellen de loods kleiner te maken dan het Rijk aanvraagt? De Heer Gerritsen is het met het voorstel niet eens. Hij acht de bezwaren die B. en W. hebben tegen de aangevraagde plaats niet gewichtig genoeg om de loods verder de N. Z. Voorburgwal op te plaatsen, waar zij de omwoners meer overlast zal doen dan op het tamelijk onbewoonde gedeelte tussen het Paleis en het Postkantoor.
Weth. Serrurier zegt dat de afstand van de loods tot de huizen toch altijd 10 M. bedragen zal, dus zoveel last zullen de bewoners van de loods niet hebben. Bovendien is de Postadministratie en ook die van de Telegraafdienst in gaan zien dat de loods, zo dicht bij het werk geplaatst als zij eerst wilde, schadelijk voor de dienst zou zijn, en kunnen zij zich thans wel met de voorgestelde nieuwe plaatsing verenigen, ook met de voorgestelde vermindering van de afmetingen der loods.
De voordracht wordt daarna aangenomen.

20-10-1892
In de Raadszitting van heden komt o. a. in behandeling de voordracht no. 474 tot aanleg en exploitatie van nieuwe Tramlijnen.
(Zie voor de inhoud hiervan 27 en 28-8-1891)
Door de Raadsleden Treub, Gerritsen, Nolting en Muller zijn op de voordracht de volgende amendementen ingediend:
1. Toe te voegen aan art. 10 (betreffende de dienstregeling) een nieuwe alinea van de volgende inhoud: “Des morgens van af een door B. en W. te bepalen uur tot het, overeenkomstig de voorafgaande alinea vast te stellen, uur van aanvang van den gewonen dienst, worden de door B. en W. aan te wijzenlijnen, op de in overleg met hen te bepalen wijze tegen de helft van het vast te stellen tarief geëxploiteerd."
2. In art. 13 (uitkering aan de Gemeente) in plaats van het daar voorkomende te lezen: „Vijftig pCt. van hetgeen in eenig jaar van de netto-winst overschiet na aftrek voor dat jaar van vier pCt. over het gestorte kapitaal der volgens art. 22 dezer concessie te stichten vennootschap, en voor alle voorafgaande jaren van hetgeen minder zal zijn behaald dan vier pCt. van dat kapitaal, totdat het aandeel van den concessionaris in de netto-winst van dat jaar, na aftrek van hetgeen voor alle voorafgaande jaren minder dan vier pCt. per jaar van het gestorte kapitaal zal zijn behaald, zeven pCt. van dat kapitaal bereikt; en vijf-en-zeventig pCt. van het meerdere."
3. In de plaats van de tweede alinea vau art. 21 (omtrent de verzekering tegen ziekte en voor pensioen) te lezen: „De concessionaris zorgt voor de verzekering van zijn personeel tegen ziekte en voor pensioen, en draagt in de daarvoor te betalen premiën volgens door B. en VV. goed te keuren regelen bij." En
4. in te voegen een nieuw artikel: „Art. 12*. De concessionaris stelt ten genoegen van B. en VV. regelen vast betreffende het bedrag en den termijn van uitbetaling van het loon, den arbeidsduur en de rusttijden per etmaal en de vrije dagen van zijn personeel. Deze regelen zullen niet anders dan met goedkeuring van B. en W. gewijzigd mogen worden. Indien de concessionaris iemand van zijn personeel beboet, schorst of anders dan op verzoek ontslaat, zal hij verplicht zijn de reden daarvan aan den betrokken persoon op te geven. De betrokkene kan over de hem opgelegde straf zijn beklag indienen bij B. en W. Dezen hebben, indien zij oordeelen dat geen voldoende redenen voor de straf aanwezig zijn, het recht, ten laste van den concessionaris, de boete geheel of ten deele kwijt te schelden, den geschorste over den tijd van schorsing een deel of het geheel van zijn loon te doen uitbetalen of den ontslagene een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van ten hoogste 2/3 van zijn weekloon gedurende niet langer dan éen jaar. De concessionaris zal zich aan de uitspraak van B. en W. hebben te onderwerpen."
De Raadsleden Hovy, Heemskerk, Fabius en v. Waterschoot v. d Gracht dienden de volgende amendementen in:
Aan art. 10 betreffende de dienstregeling toe te voegen: „De dienstregeling voor het vervoer op Zondag zal zoodanig zijn, dat op dien dag slechts het halve aantal ritten gemaakt worde van de andere dagen der week."
In art. 11 ad b. het bepaalde omtrent abonnementskaartjes en de enkele vaart per stoompont te lezen: In plaats van „ten hoogste ƒ3 per persoon", “ƒ 1.5. per persoon", en van „5 cents per handkar of kruiwagen met éen begeleider", 2½ cents per handkar of kruiwagen met éen begeleider." In art. 13, 2e al. (uitkering aan de gemeente) te lezen: „Voor het prelevement over het gestorte kapitaal, vijf percent, in plaats van zes percent."
De hh. van Hall, Everwijn Lange, Becker en Moltzer stellen voor in de concessie (art. 21) de volgende alinea in te voegen: „De concessionaris draagt zorg zoveel personeel in dienst te hebben, dat het om de andere week in het genot van een vrijen Zondag kan worden gesteld."
Door de [Heer Dgkmans wordt voorgesteld de in de voordracht van B. en W. genoemde vier lijnen en de stoompont van gemeentewege aan te leggen en te exploiteren. Dit lid stelt tevens voor B. en W. uit te nodigen een onderzoek in te stellen of een exploitatie met paarden dan wel met elektriciteit de voorkeur verdient.

21-10-1892
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 19 Oct., Aan de orde is
474. Voordracht tot vaststelling der bepalingen, volgens welke de gemeente concessie wenst te verlenen tot het leggen, hebben en exploiteren van enige tramwegen op de openbare gemeentegrond en van een stoompont in het openbaar gemeentewater, met de daarop ingediende amendementen, voorstellen en adressen.
De Heer Dijkmans verkrijgt het woord ter toelichting van zijn voorstel, om de wenselijk geachte lijnen te doen aanleggen en exploiteren van gemeentewege. Na een overzicht gegeven te hebben van de geschiedenis der verschillende tramvoordrachten in de raad, zei spr. dat hij, ondanks alles, de moed had behouden om zijn voorstel te handhaven. Sedert de laatste behandeling is de Raad echter belangrijk in zijn samenstelling veranderd, en getuigd moet worden dat Burg. en Weth. de zaak van de aanleg van nieuwe tramwegen geen stap verder hebben gebracht. B. en W. zeggen wel dat zij van de noodzakelijkheid van eigen exploitatie nog niet overtuigd zijn, doch zij hebben toch vrijwel hun aanvankelijke voordracht losgelaten. Roekeloos acht spr. het thans paardentrams in de buitenwijken aan te leggen, vóór de Raad zich heeft uitgesproken over elektriciteit als beweegkracht. Te meer nu het spr. bekend is dat de A. O. M. toebereidselen maakt om aan te vragen de vergunning om elektriciteit toe te passen op al hare lijnen. Spr. betreurt het dat B. en W. zijn voorstel met zo weinig ernst ontvangen hebben. Spr. blijft van de wenselijkheid van gemeente-exploitatie ernstig overtuigd. Men dient een proef te nemen, vooral daar eerlang wellicht de waterleiding en later ook de gasfabricatie door de gemeente in eigen beheer zal moeten genomen worden.
De Voorzitter stelt voor, dat het allereerst een punt van overweging zal uitmaken of de tram al of niet van gemeentewege zal worden geëxploiteerd. Dan kan men later de details, d. w. z. de wenselijkheid van sommige lijnen boven andere, bespreken.
De Heer S. W. Jitta acht het voorstel-Dijkmans niet praktisch. Op deze wijze zal men nog zeer lang op een tram in de buitenwijken moeten wachten. Spr. zet uiteen op welke gronden hij gemeenteambtenaren niet geschikt acht om een tram te beheren, naar de wijze waarop de Heer Dijkmans blijkens de schriftelijke toelichting tot zijn voorstel, meent dat dit geschieden moet. In plaats van een winstgevende zal men dus een zeer noodlottige onderneming in het leven roepen. Dat de A. O. M. zo voordelig exploiteert, komt vooral omdat zij zulk een uitnemende directie heeft. In Kotterdam, Den Haag, en door den Oosterstoomtram — en dit zijn zowat de beste tramwegen in ons land — worden veel lagere dividenden uitgekeerd. Hetzelfde geldt voor Frankfurt, Parijs, Wenen en Londen. Spr. waarschuwt ernstig tegen gemeente-exploitatie.
De Heer Dijkmans merkt op, dat de A. O. M. van de voorgestelde lijnen alleen begeert de lijn Amsteldijk—Leidscheplein. En nu meent ook spr. dat, als de gemeente exploiteert, de opbrengst van die door de A. O. M. voordelig geachte lijn in staat zal zijn het verlies te dekken, dat vermoedelijk zal geleden worden op de overige lijnen. Ook spr. meent dat aan het hoofd van de gemeentetram een bekwaam directeur moet staan, maar dezen zullen B. en W. wel weten te vinden, vooral thans na een jarenlang bestaan van tramwegen in ons land. Spr. meent dat de trams te Rotterdam en Den Haag voorbeelden zijn van de manier waarop een tram niet behoort beheerd te worden en dat daaraan het ongunstige resultaat moet worden toegeschreven. Spr. gelooft dat de toestand der gemeentefinanciën — waarop men zich thans beroept om gemeentelijke exploitatie tegen te houden — veel beter zou zijn als men reeds vroeger de monopolies had afgeschaft en ondernemingen als tram-, gas- en waterleiding in gemeentebeheer had genomen.
De Heer v. Nierop meent dat de Heer Dijkmans had moeten voorstellen allereerst te onderzoeken of men al of niet elektriciteit zal aanwenden. Eerst besluiten dat van gemeentewege geëxploiteerd zal worden en daarna dan uit te maken hoe, noemt spr. „de paarden achter de tram spannen". ... Een stem: Welnu, dat is hetzelfde als ervoor. .. . De Heer v. Nierop gaat voort en zegt dat het de raad onverschillig kan zijn hoe elders de tram beheerd wordt. De vraag is hoe dit hier zal geschieden en nu gelooft de Heer Dijkmans zelf dat de lijnen niet allen renderen. Welnu, dan gaat spr. niet mee met het voorstel om die slechte lijnen in eigen beheer over te nemen. Spr. gelooft dat in het algemeen een Maatschappij dergelijke zaken beter beheert dan de gemeente. Men heeft het gezien aan de gemeente veetransportwagens Daarmede zijn zeer onvoordelige resultaten verkregen. Spr. had het kunnen begrijpen als voorgesteld werd de gehele A. O. M. te naasten, maar het voorstel dat de Heer Dijkmans doet, begrijpt spr. niet. Behalve het genoemde herinnert spr. er nog aan, dat de voorgestelde lijnen geen verband houden met de bestaande, wat de zaak financieel nog nadeliger maakt.
De Heer Gerritsen brengt in herinnering dat de raad de wenselijkheid van het tot stand komen der voorgestelde lijnen reeds heeft uitgesproken. Men hoort altijd de somberste voorspellingen als er sprake is van gemeente-exploitatie. Zo zei men dat de Petroleumhaven, door de gemeente geëxploiteerd, verlies zou opleveren. Thans door een maatschappij beheerd, bracht die haven in het eerste jaar 26 pCt. en in het tweede 58 pCt. op. Spr. is er stellig voor om een proef te nemen met éen van de vier voorgestelde lijnen, n.l. de lijn Amsteldijk—Leidscheplein.
De Heer Heemskerk zegt dat de vraag: gemeenteexploitatie of niet? niet gesteld kan worden tenzij het zeker is dat er winst mee te behalen is. Nu wil niemand die lijnen hebben, en op die grond zal nu de Gemeente zelf exploiteren. Dat is ongehoord en zulk een sprong in den blinde mag de Gemeente bij de tegenwoordige geldnood niet doen. De Heer Heineken begrijpt niet, dat de Heer Van Nierop, die voorstander is van exploitatie van de gasfabriek, door de gemeente het wenselijk acht, om de tram in eigen beheer te nemen. Het beheer van een gasfabriek komt spr. moeilijker voor dan van een tram. De vijf oprichters van de A. O. M waren geen van allen „deskundigen" en hoe bloeit de A. O. M. niet! Men zei van de eerste lijn door de A. O. M. aangelegd — die langs de Weteringschans — die lijn kan niet renderen en — zij rendeerde zoo dat er spoedig al andere lijnen bijkwamen. Zooveel heeft men nu aan voorspellingen! Spr. vestigt er de aandacht op dat de Heer Dijkmans slechts voorstelt een proef te nemen De Heer Ankersmit vreest dat bij het voorstel-Dijkmans de vier lijnen, waarvan de wenselijkheid door de Raad is uitgesproken, niet zullen tot stand komen en spr. vraagt aan B. en W. of het waar is dat de A. O. M. slechts één van de vier lijnen wil hebben, of met de A. O. M. ernstig is onderhandeld? Zo niet dan zou spr. willen voorstellen dat die onderhandelingen alsnog zullen geopend worden. De Heer Hovy vindt een proef als de Heer Dijkmans wil niet zoo gewaagd. Al zal de A. O. M. op de lijnen verliezen, dit bewijst niet dat de gemeente het zal doen. Men vergete niet, dat de A. O. M. uitkeringen te doen heeft aan de gemeente. Het verlies zal in ieder geval niet zo groot zijn dat het niet zal opgewogen worden tegen het voordeel dat de gemeente behaald als zij later alle lijnen in eigen beheer zal nemen. Spr. is daarom voor het nemen van een proef.
De Heer Pijnappel bevreemdt het dat het voorstel-Dijkmans zo tweeslachtig verdedigd wordt. Men zegt aan de ene kant dat de lijnen geen winst zullen opleveren en aan de andere kant (zo dacht de Heer Gerritsen) dat zaken die als de Petroleumhaven 28 pCt. en meer opbrengen, door de gemeente moeten beheerd worden. Dus zaken die geen en die veel winst opleveren, moeten door de gemeente geëxploiteerd worden. Als de Raad nu een besluit neemt, dan weet spr. niet op welke grond hij dit zal gedaan hebben. Wat nu betreft de resultaten van ondernemingen door de gemeente beheerd, die geen winst opleveren, noemt spr. de reinigingsdienst. Of dit nu zoo is, omdat die tak van dienst door de gemeente geëxploiteerd wordt, is nu niet zoo gemakkelijk uit te maken maar spreker gelooft niet dat het nuttig is gezag niet te vermengen met industrie. Dit mag alleen geschieden in de uiterste nood.
De Voorzitter deelt de Heer Ankersmit mede, dat onderhandelingen met de A. O. M. niet gevoerd zijn. Spr. acht dit niet wenselijk omdat hij meent dat de Raad een besluit moet nemen onafhankelijk van elke maatschappij, welke deze ook zij. Spr. deelt verder mede, dat B. en W. alleen daarom zoo kort zijn geweest in de beoordeling van het voorstel-Dijkmans, omdat h. i. de zaak vroeger reeds rijpelijk overwogen was in de Raad. De discussies werden hierna gesloten en alleen nog het woord gegeven aan de Heer Dijkmans tot beantwoording van de tegen zijn voorstel gemaakte tegenwerpingen.
Ten slotte werd het voorstel-Dijkmans om bij wijze van proef enkele der voorgestelde tramlijnen van gemeentewege te exploiteren, verworpen met 21 tegen 14 stemmen. De raad werd daarna gesloten.
Aan verdere behandeling van de tramvoorstellen is hij dus niet toegekomen.

24-10-1892
De belangstelling in ons, over het geheel genomen, uitmuntend korps tramconducteurs en koetsiers, uit zich op vele en velerlei manieren, ook die niet altijd voor verhoor vatbaar zijn. Misschien is dit wel het geval met den volgende wenk, ons door een geneesheer toegezonden : Bij de naderende winter moge gedacht worden aan de koetsiers (en conducteurs), die zoveel uren stilstaande op de tramwagens moeten doorbrengen. IJzeren stoven, gevuld met verwarmend water, in en onder het platform zullen weinig geld kosten. Voor de verwisseling van het koud geworden water is gemakkelijk te zorgen, voor het geval het aanbrengen van ijzeren stoven niet zoo gemakkelijk of onkostbaar mocht blijken als 't lijkt, zouden, dunkt ons, op de platforms — zowel in het belang van het personeel als van de passagiers — zulke houten roosters kunnen gelegd worden, als men nu binnen in de tramwagens vindt. Voor de passagiers vooral, die geen schoeisel dragen, dat er op berekend is in het nat en straks in het sneeuwwater te kunnen staan.

27-10-1892
GEMEENTERAAD. Zitting van Woensdag 26 Oct. Ingekomen:
Ongezegeld schrijven van W. Michel, houdende mededeling, dat door hem is uitgedacht een klein model locomobile, passende in de tramrails, in de vorm van den sneeuwploeg, ten einde in de sneeuwtijd als ruimingstoestel dienst te doen. Voor kennisgeving aangenomen.

16-11-1892
Op het Jonas Daniël Meijer plein was een 10-jarig knaapje stilletjes achter op een tramwagen gesprongen om een eindje mee te rijden. Op het zien van een politieagent sprong hij van de wagen af en wilde hij hard weglopen. Ongelukkig kwam er juist van den anderen kant een tram aan, de jongen viel en raakte onder het paard. Met een lichte verwonding aan de zijde en aan de arm werd hij naar het Israëlitisch Gasthuis gebracht.

In de vergadering van Burgerplicht gisteravond gehouden, werd een schrijven van de Heer Dijkmans voorgelezen, waarin hij omtrent het door hem genomen ontslag uit de Raad het volgende mededeelt:
„Door veelvuldige bezigheid van anderen aard was het mij dikwijls moeilijk den tijd te vinden, noodig voor den arbeid, verbonden aan het lidmaatschap van den Raad. Zoolang die moeite gepaard ging aan de overtuiging, dat ik iets — al was het dan ook weinig — bijbracht aan de bevordering van het gemeentebelang, heb ik mij haar gaarne getroost.
„In den laatsten tijd echter begon de overtuiging sterk te wankelen. Door het gebrek aan samenwerking tusschen de verschillende bestuursorganen en door het gemis van een krachtige leiding van het bestuur bij B. en W., viel het mij telkens zwaarder de verantwoordelijkheid te dragen, aan het lidmaatschap van den Raad verbonden en twijfelde ik telkens weer aan de vruchtbaarheid van den arbeid, in die betrekking verricht.
„Ware het door mij ingediende tram-voorstel aangenomen, dan had ik mogen verwachten, dat mij de gelegenheid zou zijn geschonken aan de verwezenlijking van dit plan mede te werken, en dan zou ik het natuurlijk mijne plicht hebben geacht dit te doen. Met het verwerpen van dat voorstel is de reden vervallen, die mij tot blijven zou hebben genoopt."

18-11-1892
Door verscheidene veehouders inde gemeente Nieuwer-Amstel is een adres aan de Gemeenteraad aldaar gezonden, met verzoek de doortrekking van de tramsporen tot de Anna-Vondelstraat niet toe te staan. De Adressanten wijzen op het gevaar voor het rijden bij het kruisen der tramlijnen en de weinige ruimte, indien door de Anna Vondelstraat tramwagens staan.

21-11-1892
De Gemeenteraad zal Woensdag 23 dezer, des middags te 1½ uur, een vergadering houden, ter behandeling o. a. van: nr. 474. Voordr. omtrent nieuwe tramwegen en een stoompont over de Amstel.

25-11-1892
In de gisteren gehouden zitting van den Gemeenteraad (werd) …. de verdere behandeling van de agenda — w. o. de tramvoorstellen en de voordracht tot regeling der wedden van technische ambtenaren bij de afdeling Publieke Werken — …… aangehouden.

26-11-1892
De grote marmeren groep van Teixeira de Mattos, welke in de laatste dagen van September naar de driejaarlijkse tentoonstelling verhuisde, heeft nu op gelijke manier de loods op de Pijpenmarkt verlaten. Gisteren in de vooravond verscheen het reusachtige witte beeld in de hoofdingang van de loods, hetgeen, te midden van den nevel, paars getint door het naburige elektrisch licht, een spookachtige vertoning maakte. Op een laag wagentje werd het gevaarte over losse rails duim voor duim verplaatst en werd eindelijk in de Paleisstraat in de tramrails neergelaten. Dit gebeurde eerst na middernacht, want men had enige uren moeten wachten, totdat de laatste trams waren verdwenen. Toen echter ging het vervoer vrij snel. Er werden twee paarden voor gespannen en achteraan werden stevige kabels vastgemaakt om bij de hellingen onderweg te kunnen remmen. En zo trok dan het „verschleierte Bild", fantastisch verlicht door vier lantaarns aan de voet en omgeven door enige werklieden en een gevolg van nieuwsgierigen, door de Spuistraat, de Leidschestraat naar de Weteringschans. Voor het Museumplein werd het wagentje met zijn kolossale vracht van 7000 K.G. weer uit de rails gelicht en op dezelfde wijze als op den Voorburgwal vervoerd naar het Rijksmuseum, waar de groep voorlopig in den grote middendoorgang wordt geplaatst, in afwachting van een nadere bestemming. Het vervoer is, dank zij de goede zorgen van het personeel der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij, gelukkig geslaagd.

28-11-1892
De Gemeenteraad zal Woensdag 30 nov. vergaderen ter behandeling van o.a. de tramvoorstellen.

2-12-1892
In de gisteren gehouden Gemeenteraadszitting werd de behandeling van de tramvoorstellen opnieuw uitgesteld.

5-12-1892
Om een uur of éen werd een politieagent op het Koningsplein er door het publiek opmerkzaam op gemaakt, dat de seinwachter van de tram, die daar op de hoek van de Reguliersdwarsstraat geplaatst is, in een verregaande staat van dronkenschap verkeerde. Hij zat maar zowat aan zijn seintoestel te draaien, zodat er alle kans bestond, dat de trams door een verkeerd sein van de weg gebracht, met elkaar in botsing zouden komen. Ter wille van de veiligheid pakte do agent de man op en bracht hem naar het bureau op den Singel. Zijn dienst werd onmiddellijk door een andere beambte overgenomen.

7-12-1892
Op den Binnen-Amstel geraakten gisteren een rijtuig met een der wielen in de tramrails bekneld. De koetsier viel van de bok en moest met een hoofdwonde naar het Binnengasthuis worden vervoerd. Het paard sloeg op hol, maar werd spoedig gegrepen.

9-12-1892
In de zitting van de gemeenteraad van 7 december werden de tramvoorstellen wederom aangehouden.

15-12-1892
GEMEENTERAAD
Zitting van Woensdag 14 Dec. 's nam. 1 ¼ uur. Voorzitter: de Burgemeester, Mr. S. A. Vening Meinesz. Tegenwoordig 30 leden. Afwezig de heeren: Cuypers, Geertsema, Heemskerk, Mr. Josephus Jitta, Josephus Jitta, Everwijn Lange, Moltzer en Vas Visser. Na_ het uitspreken van het gebed en voorlezing der notulen van het behandelde ter vorige zitting, deelde de Voorzitter mede, dat, behalve de ter visie gelegde, nog zgn ingekomen de navolgende aan den Raad gerichte stukken:
………..
474. Voordracht van B. en W. dd. 25 Aug. 1891, tot vaststelling der bepalingen, volgens welke de gemeente concessie wenst te verlenen tot het leggen, hebben en exploiteren van enige tramwegen op de openbaren gemeentegrond (Amsteldijk—Ferdinand Bolstraat—Leidschebosch; Leidschebosch—Bilderdijkstraat; Haarlemmerplein—Westerdoksdijk—Stationsplein ; Stationsplein—De Ruyterkade—Handelskade) en van een stoompont Amsteldijk—Weesperzijde; met de hierop voorgestelde amendementen.
Hierbij worden tevens behandeld : Ingekomen adressen van bewoners van buurt XX, aandringende op een tramlijn Vondelkade—Bilderdijkstraat—Kozengracht—Dam (voorlopig tot de Westermarkt aan te leggen). Id. uit buurt YY, aandringende op een tramlijn Amsteldijk—Sarphatipark—Ferd. Bolstraat—Dam.
De algemene beschouwingen worden geopend. De Heer V. d. Wall Bake meent, dat de voordr. niet voldoet aan de reeds voor 2 ½ jaar uitgesproken mening van de raad, dat de buitenwijken behoefte hebben aan tramwegen. Spr. gelooft bovendien dat er weinig liefhebbers voor de lijnen zullen gevonden worden. Nu is afgeweken van het denkbeeld van gemeente-exploitatie, meent spr. dat er slechts twee wegen overschieten n.l. dat de gemeente voor hare risico door de A.O.M, laat exploiteren of dat men (zoals B. en W. reeds laten doorschemeren dat ook zij wenselijk achten) de A. O. M. vergunning zal geven hare lijnen uit te breiden tot een verbinding met de buurten XX en YY. Spr. zou B. en W. willen voorstellen over het laatste denkbeeld met de A. O. M. in onderhandeling te treden. De Heer Korthals Altes acht deze voordracht niet zoo verwerpelijk, vooral omdat men een verbinding krijgt met de handelsinrichtingen. De lijnen die nu weinig rendabel schijnen zullen blijken dat niet zijn als men ze beschouwt in verband met het gehele tramplan van voorgestelde lijnen. Een splitsing zou spr. betreuren; het verband tussen de buitenwijken onderling moet behouden blijven. Toch heeft spr. éen bezwaar tegen de voordracht, nl. dat als beweegkracht uitsluitend paardenkracht is voorgeschreven. Spr. meent dat dit ter beslissing van B. en W. moet gelaten worden.
De Voorzitter zegt dat de beweegkracht een onderdeel is, dat bij het desbetreffende artikel kan ter sprake gebracht worden.
De Heer v. Nierop meent dat deze zaak juist is een punt voor de algemene beschouwingen, omdat deze aangelegenheid het gehele karakter van de voordracht verandert. De Voorzitter deelt deze mening niet en handhaaft zijn mening, dat de beweegkracht thans nog niet ter sprake mag komen. De Heer Gerritsen is het hiermede eens. De algemene beschouwingen moeten zich bepalen tot bespreking van het stelsel dat B. en W. voorstellen, z. o. de vraag of men al of niet een cahier de charges moet ontwerpen. Spr. meent dat men dat niet moet doen en acht ook de twee weeën, door den Heer Bake voorgesteld, niet wenselijk. Hierbij zullen zich bezwaren voordoen, zowel van de kant van de gemeente als van dion van B. en W. Spr. acht nog een derde weg wenselijk, nl. dat de Gemeente de wegen zal aanleggen en dan later de exploitatie zal uitbesteden. Op die wijze is men zeker dat de lijnen zullen komen.
De Heer Ankersmit acht het niet wenselijk voor het publiek, dat er twee tramondernemingen in de gemeente zullen zijn. Dit zal het vervoer duurder en ongemakkelijker maken. Spr. is van mening, dat de gemeente beginnen moet met onderhandelingen aan te knopen met de A. O. M. Op een andere wijze meent spr. zal men tot geen resultaat komen.
De Heer Alting Mees acht het verkeerd reeds nu vast te stellen, dat sommige lijnen niet renderen zullen. Hierin kan men zich vergissen. De A. O. M. bij voorbeeld dacht aanvankelijk dat de lijnen Dam—P. C. Hooftstraat en Dam—Haarlemmerdijk niet rendabel zouden zijn. Het tegendeel is gebleken. Elektriciteit in de binnenstad, waar men ieder ogenblik stoppen moet, acht spr. verkeerd, maar op de buitenlijnen zou men met deze beweegkracht best een proef kunnen nemen.
De Heer Heineken wijst er op, dat de raad besloten heeft dit complex van lijnen afgezonderd te houden van het net der A. O. M. Daarom mag men niet thans met de A. O. M. gaan onderhandelen. Ook is besloten dat een cahier de charges zou worden opgesteld. Op deze grond bestrijdt spr. het voorstel van de Heer Gerritsen. Spr. meent dat hangende de verschillende amendementen op deze voordracht, de voordracht moet verzonden worden naar de commissie, benoemd voor het opmaken van een arbeidscontract. Deze amendementen toch kunnen de voorwaarden zo wijzigen, dat financieel de concessionaris in grote onzekerheid zal komen.
De Heer v. Nierop meent, dat in dit stadium van de zaak de raad het best zal doen om met B. en W. mede te gaan. Nu men eenmaal aan de A. O. M. de betere lijnen heeft gegeven, gelooft spr. dat het weinig succes zal hebben om met de Maatschappij te onderhandelen over de slechtere. Het voorstel Gerritsen acht spr. een bedekt voorstel tot gemeente-exploitatie. Spr. althans wil eerst zien of op de voorgestelde voorwaarden niet een concessionaris is te vinden. Hij verwacht, als man van de vooruitgang, meer van het particulier initiatief dan van de gemeente. Wellicht geeft een particulier ons elektrische beweegkracht, wat de gemeente vooreerst niet zal doen.
De Heer Pijnappel bestrijdt het voorstel-Heineken (verzenden naar de Commissie). Hij acht hiervoor geen motieven aanwezig en bovendien zal de zaak er door op de lange baan geschoven worden.
De Heer Gerritsen ontkent dat zijn voorstel bedoelt Gemeente-exploitatie. Hij bedoelt dat de gemeente in dezelfde toestand zal geraken als de Staat ten opzichte van de sporen. Spreker geeft toe dat de gemeente, bij gebreke van een concessionaris, zelf zal moeten exploiteren. Maar dit bezwaar geldt juist van deze voorwaarden. Want komt thans geen concessionaris, dan geschiedt er niets. Hij gelooft dat men juist veel gemakkelijker een concessionaris zal krijgen wanneer de gemeente de wegen aanlegt en dit zal ook blijken financieel beter voor de gemeente te zijn.

16-12-1892
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 14 Dec. 's nam. 1 ¼ uur (Vervolg van gisteren.)
De Heer Gerritsen gelooft dat B. en W. eerder zulten overgaan tot. gebruik van elektriciteit dan een of andere particulier. Welke particulier toch zal dit zijn? De A. O. M. niet, die niet altijd met haar tijd is mede gegaan en op al haar lijnen nog paardentrekkracht heeft.
De Heer Heineken blijft het voorstel-Gerritsen — tot aanleg van gemeentewege — bestrijden. Spr. blijft zijn voorstel (tot verzending naar de Arbeidscommissie) handhaven.
De Hoer Hovy wenst mede het voorstel-Gerritsen te bestrijden. Aanleg -en exploitatie moeten bij elkander blijven. Verzenden naar een oommissie acht spr. mede niet wenselijk. Hij begrijpt niet welk bezwaar het zal hebben, al wijken deze voorwaarden af van de concessie der A. O. M. De concessionarissen toch zullen tegenover de nieuwe ooncessie allen gelijk staan.
De Heer v. Nierop blijft beweren, dat het voorstel-Gerritsen voor de gemeente zeer duur zal zijn. De Heer Gerritsen zegt, dat het er niet toe doet, welke beweegkracht wordt gebezigd, maar spr. merkt toch op, dat er bij de aanleg der wegen er wel degelijk rekening mede moet gehouden worden of al of niet elektriciteit zal worden aangewend.
De Heer Serrurier, Weth. van P. W. gelooft dat de tijd nog niet gekomen is om te onderhandelen met de A. O. M. Ook met het oog op hetgeen de Heer v. Nierop gezegd heeft, kunnen B. en W. niet meegaan met het voorstel-Gerritsen. Bovendien heeft de raad vroeger reeds uitgemaakt, dat men geen aanleg van gemeentewege wil. B. en W. achten verzenden naar de commissie niet gewenst. Spr. stelde dus voor, dat de voorwaarden in behandeling zullen komen. De Heer Gerritsen deelde hierna mede, dat hij zijn voorstel, na alles wat er tegen was aangeroerd, introk. De algemene beraadslagingen werden hierna gesloten.
Men ging thans over tot liet behandelen van de artikelen der concept voorwaarden. De heer Van Nierop wees er bij art. 5 opnieuw op, dat men in verschillende artikelen bepalingen had die vervallen moesten of althans wijziging moesten ondergaan, wilde men een andere beweegkracht dan paarden niet uitsluiten. Hij stelde daarom voor de behandeling van al die artikelen aan te houden, totdat het artikel inzake de beweegkracht (art. 8) zou vastgesteld zijn. Toen dit art. 8 in behandeling kwam wees de Heer Van Nierop erop dat de elektrische tramwegen allerwege toenamen. Hij wenste daarom de keuze van de beweegkracht aan de concessionaris over te laten. Maar in verband hiermede moeten er andere bepalingen gemaakt worden omtrent de snelheid van vervoer, omtrent het al of niet toestaan van bovengrondse geleidingen enz. Spr. meent dat deze aangelegenheid in een aanhangsel, of op welke andere wijze dan B. en W. willen, moet geregeld worden.
De Weth. Serrurier zei, dat elektrische beweegkracht niet is uitgesloten (het artikel zegt: „paardekracht, voor zoover niet door den gemeenteraad een andere beweegkracht is voorgeschreven"). Spr. ziet echter niet in hoe men nu reeds, a priori, bepalingen zal opnemen omtrent een van de vele elektrische systemen welke enige concessionaris zal willen aanwenden. Spr. achtte het evenwel wenselijk, dat de redactie der desbetreffende artikelen zo zou zijn, dat een andere beweegkracht dan die door paarden niet uitgesloten zou wezen. Ten slotte wordt in art. 8 de bepaling opgenomen: „Voor toepassing van een ander middel ter beweging van tramwagens dan paarden wordt de goedkeuring van den Gemeenteraad vereischt."
Bij art. 10 komt in behandeling het amendement van de heren Treub, Gerritsen, Nolting en Müller om in dat art. (betreffende dienstregeling) de bepaling op te nemen : „dat des morgens van af een door B. en W. te bepalen uur tot het uur van aanvang van den gewonen dienst, eenige door B. en W. aau te wijzen lijnen tegen de helft van het vast te stellen tarief geëxploiteerd zullen worden."
De heeren Hovy, Heemskerk, Fabius en v. Waterschoot v. d. Gracht stellen voor aan het art. toe te voegen: „De dienstregeling voor het vervoer op Zondag zal zoodanig zijn, dat op dien dag slechts het halve aantal ritten gemaakt worden van de andere dagen der week." Na enige discussie werd het amendement-Treub c. s. (werkliedentram) in stemming gebracht en aangenomen met 17 tegen 16 stemmen. Het amendement-Hovy (de helft van het aantal trams op Zondag) werd verworpen met 22 tegen 11 stemmen.
Bij art. 11 wordt bepaald, dat voor het personenvervoer per stoompont abonnementkaarten verkrijgbaar moeten gesteld worden, geldig voor het gehele jaar tegen ten hoogste f 3 per persoon; terwijl per enkele vaart niet meer mag gerekend worden dan 1 cent per persoon en 5 cent per handkar of kruiwagen met éen begeleider.
De heren Hovy, Heemskerk, Fabins en v. Waterschoot v. d. Gracht stellen voor te lezen in plaats van „ten hoogste ƒ 3 per persoon", „ƒ 1.50 per persoon" en van „5 cents per handkar of kruiwagen met ren begeleider," 2½ cent per handkar of kruiwagen met éen begeleider." De Heer Hovy verdedigde dit amendement op grond, dat, indien er over de Amstel een brug was, waarschijnlijk voor den overgang niets zou gerekend worden. Hij achtte voor de kleine man in ieder geval de voorgestelde cijfers te hoog. Het amendement werd daarna in stemming gebracht en aangenomen met 19 tegen 14 Stemmen.
Art. 13 bepaalt, dat de concessionaris jaarlijks aan de gemeente zal hebben te betalen: Vijftig pCt. van hetgeen in enig jaar van de netto winst overschiet na aftrek voor dat jaar van zes pCt. over het gestorte kapitaal der volgens de concessie te stichten vennootschap en voor alle voorafgaande jaren van hetgeen minder zal zijn behaald dan zes pCt. over dat kapitaal.
Door de heren Treub, Gerritsen, Nolting en Muller wordt voorgesteld hiervoor te lezen : „Vijftig pCt. van hetgeen in enig jaar van de nettowinst overschiet na aftrek voor dat jaar van vier pCt. over het gestorte kapitaal, en voor alle voorafgaande jaren van hetgeen minder zal zijn betaald dan vier pCt., totdat het aandeel van den concessionaris in de netto winst van dat jaar, na aftrek van hetgeen voor alle voorafgaande jaren minder dan vier pCt. per jaar van het gestorte kapitaal zal zijn betaald, zeven pCt. van dat kapitaal bereikt; en vijf-en-zeventig pCt. van het meerdere."
Door de heeren Hovy, Heemskerk, Fabius en v. Waterschoot v. d. Gracht wordt voorgesteld in art. 13 te lezen: vijf pCt. in plaats van zes pCt.
De verdere behandeling der discussie werd hierna, met het oog op het vergevorderd uur, geschorst tot de volgende vergadering.
(……………………)

17-12-1892
Ter Secretarie zijn ter lezing neergelegd:
……………………………………
No. 770. Voorstel van de raadsleden Treub, Gerritsen, Nolting en Muller, om in de bepalingen, volgens welk de Gemeente concessie wenscht te verleenen voor nieuwe tramwegen, een artikel 21* in te voegen, luidende als volgt: De concessionaris stelt, wanneer de Gemeente regelen ten aanzien van de rechten en verplichtingen harer werklieden zal hebben vastgesteld, ten genoegen van B. en W., overeenkomstige en daarmede, wat de rechten der werklieden betreft, ten minste gelijkstaande regelen ten aanzien zijner werklieden vast. Wanneer de Gemeente in de ten aanzien harer werklieden vastgestelde regelen wijziging brengt, zal de concessionaris verplicht zijn, ten genoegen van B. en W., overeenkomstige, de rechten der werklieden ten minste evenzeer waarborgende, wijzigingen in de door hem vastgestelde regelen te brengen.

19-12-1892
De Gemeenteraad zal a. s. Woensdagte 1¼ uur vergaderen, ter voortzetting der behandeling van de voordracht betreffende de nieuwe tramlijnen.

23-12-1892
GEMEENTERAAD.
Zitting van woensdag 21 Dec. 's nam. 1¼ uur.
In art. 21 wordt voorgeschreven, dat de concessionaris ten genoegen van B. en W. zijn personeel moet verzekeren tegen ongelukken, welke het in en door den dienst overkomt. Hij moet verder volgens door B. en W. goed te keuren regelen zijn personeel door geldelijke hulp in staat stellen deel te nemen aan verzekeringsfondsen tegen ziekte en voor pensioen.
De heren Treub, Gerritsen, Nolting en Muller stellen voor hiervoor te lezen: „De concessionaris zorgt voor de verzekering van zijn personeel tegen ziekte en voor pensioen, en draagt in de daarvoor te betalen premiën volgens door B. en W. goed te keuren regelen bij."
Voorts stellen zij voor in te voegen een nieuw artikel: „De Concessionaris stelt, wanneer de Gemeente regelen ten aanzien van de rechten en verplichtingen harer werklieden zal hebben vastgesteld, ten genoegen van B. en W. overeenkomstige en daarmede, wat de rechten der werklieden betreft, ten minste gelijkstaande regelen ten aanzien zijner werklieden vast. Wanneer de Gemeente in de ten aanzien harer werklieden vastgestelde regelen wijziging brengt, zal de Concessionaris verplicht zijn ten genoegen van B. en W. overeenkomstige, de rechten der werklieden ten minste evenzeer waarborgende, wijzigingen in de door hem vastgestelde regelen te brengen."
De Heer Daniëls zei dat niet te berekenen was hoeveel de verzekering zou kosten. Men deed hier dus een sprong in het duister. Spr. vreesde dat de maatregel de concessie nog bezwaarlijker zou maken dan zij reeds is.
De Heer Korthals Altes achtte de bepaling ook bezwaarlijk, terwijl de Heer Pijnappel er nog op wees dat het gelijkstellen van het trampersoneel met de werklieden der gemeente de moeilijkheden nog verhoogde, daar men hier vooruitloopt op een zaak, waarvan de regeling bij de gemeente nog aanhangig is. Op deze gronden verklaarde zich ook de Heer Heineken tegen deze bepaling.
De Heer Nolting gelooft dat de commissie, die zich met het opstellen van een arbeidscontract enz. bezig houdt, welhaast met baar arbeid gereed zal zijn, en daarom gelooft hij dat dit amendement alle aanbeveling verdient.
De Heer Gerritsen herinnert, dat het beginsel om regelen te stellen, als voorgesteld worden, reeds is uitgemaakt. Het komt er thans alleen op aan hoe deze zullen luiden in deze bepaalde concessie. Welnu het amendement, door spr. voorgesteld, doet een redactie aan de hand, welke alleszins aannemelijk is. Neemt men thans een dergelijke bepaling niet op, dan zullen spreker en zijn medeondertekenaars tegen deze concessie moeten stemmen.
De Heer Hovy meent dat dit amendement te onbestemd is en had liever gezien, dat de voorstellers hun oorspronkelijke lezing gehandhaafd hadden.
De Heer Pijnappel blijft volhouden, dat niet reeds is uitgemaakt dat de directe en de indirecte werklieden der gemeente op gelijke voet zullen behandeld worden. Het is mogelijk dat er rijkswetten komen om te voorzien in de belangen der werklieden van concessionarissen. Maar nu dit nog niet zo is moet men noch in de ene, noch in de andere zin op een regeling vooruitlopen.
De Heer De Vries van Buuren zegt, dat ook hij de arbeiders een goed hart toedraagt, maar toch vreest hij dat al deze bepalingen de concessie zo bezwaarlijk zullen maken, dat niemand haar hebben wil.
De Heer Nolting meent, dat het goede hart van den Heer De Vries hem juist moest bewegen om vóór de maatregel te zijn.
De Heer Heemskerk acht evenals de Heer Hovy het eerste (verleden week meegedeelde) amendement van de hh. Treub c. s. verkieslijk boven het thans ingediende. Hij neemt daarom dit amendement over, met dien verstande, dat de woorden: „en de vrije dagen" zullen wegvallen.
De Heer Hovy wil nog van dit (eerste) amendement de laatste drie zinsneden doen wegvallen, zodat dus dit amendement Heemskerk—Hovy luiden zou : „De concessionaris stelt ten genoegen van B. en W. regelen vast betreffende het bedrag en den termijn van uitbetaling van het loon, den arbeidsduur en de rusttijden per etmaal van zijn personeel. „Deze regelen zullen niet anders dan met goedkeuring van B. en W. gewijzigd mogen worden."
De Heer Gerritsen stelde in het licht, dat de bepaling in het eerste amendement, dat de concessionaris zijn personeel niet ontslaan mag, schorsen of beboeten, dan met opgaaf van de redenen, en dat de betrokken arbeider bij B en W. in hoger beroep kan komen, moest gehandhaafd worden. Spr. meent, dat dit kan voorkomen, dat arbeiders om politieke redenen ontslagen worden. In het buitenland is deze zaak ook aldus geregeld.
De Heer Heineken ontkent dit laatste; althans dat de zaak óók daar geregeld is gelijk het behoort. Spreker meent dat het college van B. en W. in geschillen, als hier bedoeld worden, niet tussenbeide kan komen. Op dezen grond wenst ook hij de bepaling wel te handhaven. Hij acht het zeker verkeerd — dat is nog onlangs in Frankrijk gebleken — dat de overheid zich bemoeien ging met geschillen tussen een concessionaris en zijn werklieden. Dit kon niet anders dan aanleiding geven tot ondank en tot grote moeilijkheden, welke zelfs in de raad zouden kunnen gebracht worden.
Na nog enige discussie werd tot stemming overgegaan. Het laatstelijk ingediende amendement-Treub c. s. werd verworpen met 27 tegen 4 stemmen. Het amendement-Heemskerk-Hovy werd aangenomen met 18 tegen 13 stommen. Een amendement-Becker om te bepalen, dat de concessionaris bij ontslag, schorsing of boete aan den betrokkene schriftelijk de redenen moet opgeven, werd verworpen met 22 tegen 9 stemmen. Een amendement-Van Hall c. s., luidende : „De concessionaris draagt zorg zooveel personeel in dienst te hebben dat bet om de andere week in het genot van een vrijen Zondag kan worden gesteld", werd aangenomen met 30 tegen 1 stem (die van deu Heer S. W. Jitta).
De verdere artikelen gaven geen aanleiding tot bijzondere bespreking. De eindstemming over het concessieontwerp werd, in verband met enige nog niet volbrachte redactiewijzigingen, aangehouden.


In de Gemeenteraadszitting van gisteren is men gereed gekomen met het in hoofdzaak vaststellen van de bepalingen, volgens welke de gemeente concessie zal verlenen tot het aanleggen en exploiteren van de volgende nieuwe tramlijnen : 1. Een lijn Amsteldijk—Ferdinand Bolstraat— Leidsche Bosch; 2. Een lijn Leidse Bosch—Bilderdijkstraat— Haarlemmerplein: 3. Een lijn Stationsplein—Westerdoksdijk— Haarlemmerplein ; 4°. Een lijn Stationsplein- De Ruyterkade— Handelskade; en van een stoompont Amsteldijk—Weesperzijde. De voornaamste bepalingen, waaraan de gegadigde, die zich voor de aanleg en de exploitatie van deze lijnen zal aanbieden — het moet een vennootschap zijn met een kapitaal van ten minste ƒ500,000 — zal hebben te voldoen zijn de volgende :
Jaarlijks zal aan de gemeente moeten worden uitgekeerd: Vijftig percent van hetgeen in enig jaar van de netto winst overschiet na aftrek van: 1°. voor dat jaar 5 pCt. over het gestorte kapitaal; 2°. het bedrag, hetwelk in vorige jaren minder dan 5 pCt. over het destijds gestorte kapitaal mocht zijn behaald, voor zoverre dat bedrag niet reeds uit genoten winst van volgende jaren mocht zijn aangezuiverd.
De concessionaris moet ten genoegen van B. en W. regelen vaststellen betreffende het bedrag en de termijn van uitbetaling van het loon, de arbeidsduur en de rusttijden per etmaal van zijn personeel.
Verder moet hij zijn personeel verzekeren tegen ongelukken, welke het in en door de dienst overkomt en het volgens door B. en W. goed te keuren regelen door geldelijke hulp in staat stellen deel te nemen aan verzekeringsfondsen tegen ziekte en voor pensioen. Er moet zoveel personeel zijn, dat het om de andere week een vrije Zondag heeft.
Des morgens voor de aanvang van de dienst moeten (tegen half tarief) werkliedentrams rijden.
De beweegkracht is vrijgelaten : het kunnen dus zowel paarden- als stoom- of elektrische trammen zijn, welke de Maatschappij in dienst zal stellen.

26-12-1892
Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd:
No. 782. Amendementen van het Raadslid J. P. Korthals Altes, om in art. 13 van de voordracht No. 474 (tramvoorstellen) op de eerste twee regels te laten volgen: „50 pCt. van hetgeen in eenig jaar vau de netto winst overschiet na aftrek van: 1°. voor dat jaar 6 pCt. over hot gestorte kapitaal der volgens art. 22 dezer concessie te stichten Vennootschap; 2°. het bedrag, hetwelk in vorige jaren minder dan 6 pCt. over het destijds gestorte kapitaal mocht zijn behaald, voor zooverre dat bedrag niet reeds uit genoten winst van volgende jaren mocht zijn aangezuiverd." Verder stelt de Heer Altes voor aan art. 13 toe te voegen een alinea van de volgende inhoud : „Indien in eenig jaar de concessionaris volgens de eerste alinea van dit artikel tot geene uitkeering aan de Gemeente verplicht is en de exploitatie van lijnen op de wijze, bedoeld bij alinea 2 van art. 10, niet heeft gedekt de kosten van tractie en bediening, wordt dit verlies door de Gemeente aan den concessionaris vergoed; echter tot geen hooger bedrag dan noodig is om de netto-winst aan te zuiveren tot zes percent over het gestorte kapitaal."

29-12-1892
Maandagmiddag trachtte op de Dam een zakkenroller zijn slag te slaan. Hij wist heel handig een juffrouw, die op een tram stond te wachten, haar portemonnee te ontfutselen. Zeer behendig volvoerde hij deze kunstgreep, maar toch niet zo goed of het werd door een paar voorbijgangers gezien. Ze volgden de man en waarschuwden een agent, die op de Nieuwendijk de zakkenroller arresteerde en hem onder toevloed van talrijke nieuwsgierigen naar het bureau in de St. Pietershal bracht. Onderweg trachtte de arrestant de portemonnee nog weg te gooien, welke toeleg hem evenwel niet gelukte.

 
<< naar intro mediatijdlijn

door naar 1893 >>

Verantwoording en disclaimer:
Cees Pot heeft voor de totstandkoming van deze tijdlijn de database van de website "Historische kranten in beeld" geraadpleegd. Deze website is een initiatief van de Koninklijke Bibliotheek. Deze instantie heeft ons toestemming verleend voor publicatie op deze wijze.

* Soms komen er in de artikelen fouten en onjuistheden voor. Om wille van de authenticiteit is besloten deze ongewijzigd te laten.

laat een berichtje achter

omhoog

 
 

 

Bezoekersteller

eXTReMe Tracker