Mediatijdlijn van de Amsterdamse tram
Geheugen van de Amsterdamse tram

<< naar intro mediatijdlijn

door naar 1891 >>

Share |

MEDIATIJDLIJN AMSTERDAMSE TRAM 1890
door Cees Pot
e-mail:
ceespot@amsterdamsetrams.nl

1890

8-1-1890
Over enige dagen opent de Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij de lijn Artis- Abattoir.

Bij de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij zijn een zeventigtal koetsiers en oonducteurs door influenza getroffen. De dienst is op verscheidene lijnen ingekrompen.

9-1-1890
Op de Hoogesluis is gisteren een der wielen van een bespannen vrachtwagen gebroken, waardoor het tramverkeer aldaar enig oponthoud had.

Ingezonden. Paarden-Trams en Tram-Omnibussen
Sedert enkele jaren heeft men hier in Nederland een nieuw soort voertuig, d. i. een z. g. tram-omnibus, ingevoerd, waarvan een deel van het publiek grote verwachtingen schijnt te koesteren, zowel voor een beter verkeer als voor de aandeelhouders.
Daar, volgens mijn mening, deze verwachtingen niet op kennis van zaken berusten en alle wetensohappelijke grond missen, geloof ik geen overtollig werk te doen door hier een vergelijkende studie te geven tusschen dit en andere gelijksoortige middelen van vervoer, en in het bijzonder de tramwegen, wat betreft hun technische en economische waarde.
Vóór de aanleg van de eerste tramweg, nu 58 jaar geleden, tussen New-York en Harlem, had men naast de spoorwegen geen andere middelen van vervoer dan de nog bij velen bekende zware diligences, lompe en de gewone rijtuigen (vaartuigen blijven hier buiten beschouwing).
De eerste tramwagens werden alle door paarden getrokken. Zij hadden drie coupés voor gewone rijtuigen, achter elkander geplaatst, met naar buiten openslaande portieren, en een zitplaats voor koetsier en conducteur aan de beide uiteinden boven op het rijtuig; twee paarden dienden als bespanning. Met kleine wijzigingen werd dit type verscheidene jaren behouden, en eerst twintig jaar later was men langzamerhand tot een nieuw type gekomen: de tramwagens met imperiale, die dadelijk op de eerste tramwegen in Europa werden ingevoerd, — hier te lande het eerst op de lijn Den Haag—Scheveningen. Wagens van een niet veel gewijzigd model lopen nog op deze lijn; zij hebben binnen plaats voor 16 reizigers en 28 op de balkons en imperiale; de bespanning bestaat weder uit twee paarden. Daar echter het weer de grootste tijd van het jaar in de meeste landen van Europa niet toelaat van de plaatsen op de imperiale gebruik te maken en de kosten der bespanning dikwijls meer dan 60 pCt. der algemene exploitatiekosten bedroegen, werd men er als het ware vanzelf toe gebracht om wagens zonder imperiale te gaan construeeren, die door éen paard getrokken konden worden.
Dit type, zooals wij het in onze steden algemeen kennen, met plaats voor 28 personen, gaf, door de grote besparing in de kosten van tractie en de uiterst praktische inrichting, de stoot tot de zeer grote uitbreiding der paardentramwegen, die wij in de laatste 15 jaar zowel in ons land als in het buitenland, hebben kunnen aanschouwen.
Tegelijk met de tramwegen werden de omnibustypes verbeterd, en deze bereikten hunne grootste volkomenheid in het zogenaamd Engelse type. Zij werden hier te lande het eerst gebruikt door de firma Langeveld voor de dienst tussen de Dam en het toenmalige station buiten de Haarlemmerpoort en later ook door de A. O. M. voor hare diensten overgenomen; zij bieden plaats voor 12 reizigers binnen en 16 boven.
Het hoofdgewicht van het rijtuig wordt gedragen door de zeer grote achterwielen, waardoor het stoten en schudden tot een minimum wordt herleid.
Deze omnibussen hebben zo grote nadeelen tegenover de moderne tramrijtuigen, dat zij overal, waar de aanleg van tramwegen in de steden mogelijk was en werd toegestaan, door deze zijn verdrongen. Men vindt ze dan ook alleen nog daar, waar zij, buiten concurrentie met de tramwegen, in de behoefte van het verkeer kunnen voorzien, zooals b. v. in vele delen van Londen en Parijs.
De nadelen der omnibussen tegenover de trams zijn dan ook tastbaar.
Afgezien van de kosten van aanleg der sporen, waarop ik later terugkom, ziet men, dat de tramwagens met één paard, dank zij de zeer beschutte balkons, in winter en zomer altijd 28 reizigers kunnen vervoeren, terwijl de omnibussen bij goed weer ook 28, maar bij ongunstig weer niet meer dan 12 reizigers kunnen bevatten. Neemt men het gemiddelde, 20 personen, dan is dit zeer hoog. Het vervoer geschiedt, in vergelijking met de tram, hortend en stootend en eischt twee paarden. Elke stoot van liet rijtuig beteekent verlies van arbeidsvermogen, dus verlies van trekkracht.
Ten einde de bijna onmogelijke concurrentie der omnibussen tegen de trams te vergemakkelijken, zocht men naar andere constructies. Reeds een tiental jaren geleden kon men in Hamburg omnibussen zien rijden, die, getrokken door een of twee paarden, geheel de vorm der gewone omnibussen hadden, met dit verschil, dat de imperiale was vervangen door een achterbalkon. Dit type is, voor zover mij bekend is, op geen andere plaatsen op grote schaal in gebruik gesteld.
Met de tram-omnibussen is het anders gesteld ; zij hebben in verscheidene steden ruime toepassing gevonden, vooral in het zuiden, met name in Marseille en Genua. In Noordelijk Europa vindt men ze alleen in Berlijn en wellicht op enkele kleinere plaatsen, maar van algemene toepassing is hier geen sprake.
De redenen daarvoor zijn, zooalri wij zullen zien, zeer geldig. Wat is eigenlijk een zogenaamde tram-omnibus? Een rijtuig, bestemd om op gewone wegen te worden voortbewogen, in hoofdzaak in de vorm der tramrijtuigen gebouwd. Om dit te kunnen uitvoeren, heeft men aan het rijtuig zeer kleine wielen moeten geven, in plaats van de zeer grote der omnibussen, en men heeft die wielen binnen de rijtuigbak gebracht: beide wijzigingen, die in grote mate bijdragen om het stooten en schokken te vermeerderen, iets, dat door geene kleine hulpmiddelen is weg te nemen.
Een noodzakelijk gevolg is eene grootere trekkracht, in evenredigheid tot het gewicht der rijtuigen.
In dit opzicht staan zij dus verre ten achter bij de omnibussen, die, uit het oogpunt van constructie en de betrekkelijk zuinige aanwending der trekkracht, verre de voorkeur verdienen. Wat het aantal plaatsen betreft, bedraagt dit een maximum van 21; zjj staan hier dus ongeveer gelijk met het gemiddeld aantal reizigers der omnibussen.
Des winters, bjj slecht weder, winnen het de tramomnibussen ; des zomers kunnende omnibussen meer reizigers vervoeren. Op de lijn Haarlem—Bloemendaal worden dan ook op drukke dagen en b_ mooi weer bij voorkeur de omnibussen gebruikt en op stille dagen bij slecht weer de tram-omnibussen.
In zuidelijke steden, zooals Genua, waar men lichte open rijtuigen als tram-omnibussen kan laten dienst doen, is hunne positie veel gunstiger, maar in noordelijke landen staan zij in elk opzicht zeer ver bij de trams ten achter.
Een tramrijtuig met éen paard vervoert hier met meer gemak 28 personen dan een tram-omnibus met twee paarden 21.
Daar daarenboven de tram-omnibussen, overal waar zij werden toegepast, een veel minder geliefd middel van vervoer zijn dan de trams, kan men, zonder overdrijving, als regel aannemen, dat trams in het algemeen het vermogen hebben 30 procent meer reizigers te vervoeren, dan hetzelfde getal tram-omnibussen.
Tot illustratie dezer verhouding en de invloed op de financiële resultaten neem ik aan, dat hier in Amsterdam geen trams bestonden, dat uitsluitend tram-omnibussen in den dienst moesten voorzien.
Ik neem hiermede voor deze voertuigen het allerongunstigste geval, dat zich denken laat.
De A. O. M. heeft ongeveer 180 rijtuigen en 575 paarden. De tram-omnibussen zouden voor een gelijk getal rijtuigen het dubbel aantal paarden of 1150 stuks nodig hebben; maar daar zij een derde minder reizigers kunnen vervoeren, zou men, om de 10,000,000 reizigers der A. O. M, te vervoeren, het aantal rijtuigen met 60 en de paarden met 391 moeten vermeerderen, en zouden dus vereist zijn: 240 rijtuigen met 1541 paarden.
De exploitatiekosten zouden hierdoor meer dan het dubbele bedragen van die der A. O. M„ en de onderneming ware daardoor, zelfs in het allergunstigste geval, nauwelijks levensvatbaar.
Uit dit voorbeeld is nog een tweede gevolgtrekking te maken, namelijk deze, dat voor een tram-omnibusdienst van gelijke capaciteit van vervoer als een tramweg-onderneming het benodigde kapitaal niet zooveel minder is als men gewoonlijk gelooft, want tegenover de aanlegkosten der rails staan de zeer belangrijke uitgaven voor een groter wagenpark, het veel grooter aantal paarden en de daaraan geëvenredigde ruimten voor remise en stalling.
Deze beschouwingen geven aanleiding tot het maken der volgende conclusies:
1. Tram-omnibussen zijn uit technisch en economisch oogpunt verre achter te stellen bij trams.
2. Zij zijn ongeschikt om in de verkeersbehoeften van een grote stad te voorzien.
3. Slechts op beperkte schaal kunnen zij als auxiliaire lijnen der tramwegen in enkele gevallen dienst doen.
T. Sanders,
Amsterdam 5 Januari 1890.

13-1-1890
Ingezonden. Paardentram en Tram-omnibussen.
Rotterdam, 9 Jan. 1890. Mijnheer de Redacteur! Met belangstelling lazen wij een artikel onder bovenstaand opschrift in Het Nieuws van den Dag van de hand van de heer T. Sanders. ZEd. houde het ons echter ten goede, dat wij, als fabrikanten, daaromtrent een andere mening zijn toegedaan. Wat is een tram-omnibus ? Wij menen daarop een ander antwoord te moeten geven, namelijk dit: „een tram-omnibus is een omnibus, welke de passagier dezelfde gemakken aanbiedt als een gewone tram."
Volgens voornoemden heer zijn als omnibussen de Engelse de beste; wij menen, dat die van de „Cie. Generale des Omnibus", te Parijs, de beste zgn. Dat het stoten en schudden minder zou zijn door grote achterwielen aan te brengen is niet juist gezien, evenmin als dat men de oorzaak daarvan zou moeten zoeken in het binnen de bak brengen der wielen. Wat de meerdere trekkracht aangaat, die een tram-omnibus vereist, zij ontstaat eerstens door de zwaarderen bouw van de bovenbak, wat noodzakelijk is, met het oog op het aanbrengen der voor- en aohterbalkons, ten tweede door de lagere wielen. In beide hebben wij voorzien door een nieuw systeem van constructie, zodat onze tram-omnibussen slechts een gewicht hebben van 1360 kilo, ongeveer het gewicht van een gewone omnibus zonder imperaal, en 4 wielen van een meter hoog.
Dat het vervoer per tram-omnibus hortend en stotend geschiedt, dit geldt nu wel van de rijtuigen der A. T. O. M., welke gemaakt zgn naar een zeer oud systeem, en bovendien nog zeer slecht: het gevolg van een zeer verdachte en onverantwoordelijke handeling der directie, om dergelijke rijtuigen aan te kopen. Wij echter nemen aan trambussen te leveren, welke horten, noch stoten; alle verdere inlichtingen daaromtrent verstrekken wij gaarne aan de Heer Sanders.
Wat nu de voorkeur betreft van een tram hoven een tram-omnibus, voor zover de tractie aangaat, dit willen wij niet tegenspreken; het zou al te dwaas zijn. Toch geloven wij dat er ook nog plaats voor de laatste en vooral in grote steden is, daar bv. waar men geen rails kan of mag in de grond leggen; ja, wij geloven zelfs, dat, ingeval er vroeger reeds goede tram-omnibussen waren geweest, op verschillende plaatsen, ook te Amsterdam, overal geen concessie voor rails was gegeven, met het oog op de ontzaglijke schade, welke deze aan alle andere vervoermiddelen toebrengen, wat uit een oogpunt van billijkheid niet te rechtvaardigen is en dan ook de oorzaak is, dat men te Parijs nog zoveel omnibussen vindt, waar men niet zo spoedig concessie kan verkrijgen tot het leggen van rails, en te Londen, omdat concessionarissen aldaar alle eventuele schade moeten vergoeden, door de rails veroorzaakt. Wat verder nog de berekening van de Heer Sanders aangaat, dat de A. O. M. dubbel zoveel paarden en rijtuigen zou moeten hebben als ze tram-omnibussen had, dit is onzes inziens, dan alleen juist, wanneer de rijtuigen altijd geheel vol waren. Dat de A. T. O. M. goede winsten voor aandeelhouders zal afwerpen, betwijfelen wij ten sterkste met het oog op deszelfs directie, maar dat een T. O. M. te Amsterdam kan bestaan en renderen, daar twijfelen wij geen oogenblik aan.
Boertje & Co.

28-1-1890
Zaterdagavond werd in het gebouw van de Maatsohappg voor de Werkenden Stand een door de kiesvereeniging Amsterdam uitgeschreven openbare vergadering gehouden, waarop de candidaten van de verschillende kiesvereenigingen waren uitgenodigd en die toogankelijk was voor elk kiesgerechtigde. De bijeenkomst werd geleid door de Heer Mr. M. W. F. Treub.
(………)
De spr. gaf vervolgens het woord aan den Heer Hugo Muller.
Hoewel (deze) spr. zich in „Amstels Burgerij" reeds over de meeste gemeente-aangelegenheden heeft uitgelaten, wil hij ook hier op een en ander nog terugkomen, in het bijzonder op de tramconcessie.
Er is in de A. O. M. zeer veel te prgzen; het is een nette dienst, zoals spr. niet gelooft dat in Europa een tweede bestaat. Maar daarmede is dan ook alles gezegd. Van de concessie voor deze tram konden de grote nadelen niet vermeden worden. De tram ontsiert de stad op vele plaatsen en heeft veel te hoge tarieven. Een nodige verdeeling in secties bestaat niet; eerst zeer kort geleden is (men) overgegaan tot de maatregel om overstapjes te geven, terwijl de verlaging van het tarief van de laatste dagen volstrekt geen waarborg aanbiedt voor de toekomst. Het ontbreken van concurrentie heeft voor de maatschappij zelve zeer nadelige gevolgen gehad. Sedert 1888 zijn de ontvangsten stationnair gebleven, hetgeen bewijst, dat met de uitbreiding van het net in dat jaar de maatschappij haar ideaal had bereikt, nl. hare hoogste ontvangsten. Daardoor is het tramverkeer ten onzent gebleven beneden dat van de andere steden in Europa. De volksbuurten zijn er van verstoken te dezer stede.
Van de beruchte Amsterdamsche kwesties is die van de tram wel de meest beruchte, wat spr. tracht aan te tonen door het geven van een overzicht der geschiedenis van de tramkwestie en hetgeen geschied is met de concessieaanvragen van de hh. Sanders en Bos. Thans is die geschiedenis in die fase, dat men even ver is als toen zij ontstond, hetgeen wel bewijst hoe verkeerd het monopolie-systeem is. Spr. bracht hier, onder toejuiching van de vergadering, hulde aan de vasthoudendheid en den onbezweken ijver van de hh. Sanders c. s.
Tenslotte stond hij stil bij de vermeerderde voordelen welke de tramconcessie aan de gemeente zou opleveren.
Deze waren, gelijk zij thans geregeld zijn, zo grot niet. Waar de gemeente van de beschikbare winst, groot ƒ 1,839,000, thans ontvangt ƒ 559,000, zou zij krijgen bij een andere wgze van winstverdeling (b. v. die, welke aangenomen is bij de Nederlandsche Bank) f 815,000.

29-1-1890
Bij het afrijden van de brug over de Prinsengracht bij de Spiegelstraat brak gisteren de rem van een tramomnibus. De dienst was gedurende 20 minuten gestremd.

Zondag had, bij gelegenheid dat een lijkstatie over de Joden-Breestraat trok, aldaar een grote volksoploop plaats. Van een tram-omnibus, die de stoet achterop kwam rijden, hield de menigte de paarden vast en trachtte de koetsier te mishandelen, hetgeen echter door twee politie-agenten en een sergeant der infanterie belet werd. Tot loon voor hun bescherming werden deze door het publiek op vuistslagen onthaald, zoodat het drietal zich in het politie-bureel op de hoek van het plein moest terugtrekken. Bij het verlaten van het bureel kon het publiek echter de sergeant nog niet met rust laten, zodat hij door eenige agenten tot aan de Muiderpoort werd begeleid. Voor de brug aan de Lijnbaansgracht hield de politie het volk terug om de sergeant gelegenheid te geven om ongehinderd de kazerne te bereiken.

1-2-1890
Bij de uitgever J. F. Sikken, alhier, is van de hand van de heer T. Sanders, civiel en bouwkundig ingenieur, een brochure versohenen over uitbreiding en reorganisatie der Amsterdamsehe tramlijnen. De Heer Sanders stelt in zijn geschrift als axioma voorop, dat trams, ook hier in Amsterdam, een werkelijke verkeersbehoefte zijn geworden, en dat bijgevolg aanleg en exploitatie niet alleen moeten zijn zo zuinig en praktisch als slechts mogelijk is, maar dat die ook zodanig moeten zijn, dat zij zooveel mogelijk aan alle burgers ten goede komen en voor het gewone verkeer zo weinig mogelijk hinder opleveren.
Aan tram-omnibussen, zowel in het algemeen als voor Amsterdam in het bijzonder, kent de schrijver zeer weinig levensvatbaarheid toe. Zelfs dan wanneer de meest volmaakte der thans bekende bestratingen, het asphalt, algemeen is ingevoerd, zullen trams nog verre als verkeersmiddel te verbiezen zijn, want in dat gunstigste geval, zullen de best geconstrueerde omnibussen voor het vervoer van 10 tot 18 personen minstens gelijke trekkracht noodig hebben als trams met 28 personen. Voor de schrijver ligt dan ook het belang van tram-omnibussen hier ter stede niet in hun betekenis als verbeterd vervoermiddel, maar, geheel daarbuiten, in het belangrijke verkeer, dat al dadelijk aan die hoogst gebrekkige diensten ten deel viel en dat wijst op een onmiskenbare behoefte, die tot heden door velen was ontkend, maar waarmee men in de uitkomst wel degelijk rekening zal moeten houden.
Dat uitbreiding der Amsterdamse lijnen dus noodzakelijk was en op den duur niet zou kunnen worden afgewezen bewijst zowel de aandrang, die hiertoe van het publiek gedurende jaren is uitgegaan, als de resultaten van de exploitatie der A. O. M. zelve, waarvan de sohr. een beknopt overzicht geeft. Hij toont daarbij aan, dat, hoewel sedert 1884 de vroeger krachtige ontwikkeling der Mij. opeens was gestuit, dit niet was omdat het tramnet reeds uitbreiding genoeg had; integendeel, de verschijning der tram-omnibussen en het gebruik, dat het publiek er van maakt, bewijst alleen dat met de bestaande tramlijnen en de bestaande tarieven het maximum-verkeer was bereikt.
De trams waren tot hiertoe hier ter stede voor een groot deel een zaak van weelde eensdeels omdat de lijnen voor het grootste deel zijn aangelegd in de rijkere stadswijken en anderdeels omdat het tarief, vooral voor kleine afstanden, te hoog was. Zij voldoen dan ook niet aan de eis: dat zij zoveel mogelijk aan alle burgers moeten ten goede komen.
Met de verlaging van het tarief voor de kaartjes is, sedert jaren, de eerste stap in de goede richting gedaan. De directie der A. O. M. heeft echter door de wijze en de tijd, waarop de tariefsverlaging (als proef) nu is ingevoerd, een dubbele fout begaan. Ten eerste heeft het publiek wel alle reden om minder ontevreden, maar niet dankbaar te zijn, en ten tweede is de verlaging uit een industrieel oogpunt onverdedigbaar. En ook de concurrentie wettigt de maatregel niet, want reeds nu weet men, dat deze niet voldoende is geweest om het vervoer aan de omnibussen te ontnemen; nog altijd toch hebben zij een ruim verkeer. De afkeuring van de schr. geldt dan ook niet de tariefsverlaging; in tegendeel : deze is veel te laat ingevoerd, maar uitsluitend de wijze, waarop zij is ten uitvoer gebracht. Want ook met deze verlaging en uitbreiding zal de een groote klasse der maatschappij van het tramverkeer blijven uitgesloten, en juist de klasse, die er het meest behoefte aan heeft, die der handwerkslieden. Eerst wanneer in die behoefte word voorzien zullen de trams aan alle burgers ten goede komen.
In verband met het door hem vooropgestelde axioma, dat trams ook hier in Amsterdam een werkelijke verkeersbehoefte zijn geworden, behandelt spr. verder de vraag: hoe de uitbreiding zal moeten geschieden. Hij wijst daarbij op het al te ongelijkmatige der thans bestaande lijnen, daar meer dan 2/3 van het bestaande net ten goede komt aan de kleinste helft der stad en een deel van N.-Amstel.
Door aan gehele wijken de zo nodige tramwegen te onthouden, ontneemt men niet alleen aan de misdeelde wijken het gemak van het tramverkeer; maar ook direct financieel worden de eigenaars en bewoners benadeeld. Het middel om hierin verbetering te brengen is om aan de bestaande ook kringlijnen of ceintuurbanen toe te voegen, die, op geschikte afstanden van elkander gelegen, ook de uiteinden der straten verenigen. Dit beginsel ligt ten grondslag aan de door de schr. ontworpen uitbreiding van het tramnet, waarvan de nieuwe westelijke verkeersweg, de Amstelbrug en vele andere nuttige werken de noodzakelijke onderdelen vormen.
Na verder ook technisch zijn systeem van uitbreiding te hebben uiteengezet, eindigt de schr. zijn beschouwingen met de verzekering, dat door hem gestreefd wordt naar een eenheid van beginsel en stelsel, een eenheid, die zich veel verder uitstrekt dan de tegenwoordige grenzen der gemeente, die veel hoger staat dan de administratieve eenheid, voor welke men zolang heeft gestreden, en die, zoals wij hebben ondervonden, niet eens de eenheid van stelsel waarborgt, maar afhankelijk is van de luimen van een afwisselende directie.
De gemeente behoort zelf eenheid van aanleg en exploitatie voor te schrijven, en zonder nu bij deze beschouwing van de toekomstige uitbreiding en reorganisatie der stedelijke tramlijnen te bespreken wie met de uitvoering daarvan belast zal worden, komt hij tot deze slotsom, dat, wordt het door hem vooropgestelde axioma als waar aanvaard, voortaan door de gemeente zullen moeten worden vastgesteld de volledige tarieven, de dienstregelingen, enz., en zal alle eenheid van exploitatie, die men wenst, door het gemeentebestuur moeten worden voorgeschreven.
De vraag: of men wenst monopolie, concurrentie of gemeente-exploitatie kan dan veel zuiverder gesteld worden, want voor de exploitatie is het dan geheel onverschillig aan wie de paarden en rijtuigen behoren en door wie de koetsiers en conducteurs worden uitbetaald, hetzij de gemeente, meerdere maatschappijen of éen enkele deze taak vervullen.

Gisteravond werd in een der lokalen van het American Hotel een vergadering gehouden van enige aandeelhouders der Amsterdamsche Tram-Omnibus- Maatschappij. Zij weid geleid door de Heer Mr. Kappeijne van de Copello, die meedeelde dat deze vergadering door hem was bijeengeroepen op verzoek van een tiental aandeelhouders. Hij voegde daaraan toe, dat deze vergadering niet, gelijk beweerd was, uitging van baissiers, maar van aandeelhouders, die geloven aan de levensvatbaarheid der onderneming, doch enige grieven hebben en hun belangen met hun mede-aandeelhouders wensten te bespreken. Een vergadering der maatschappij bon door spreker's committenten of op hun verzoek niet worden bijeengeroepen, omdat zij niet beschikken over een derde gedeelte van het aandelenkapitaal, zijnde 167 aandeelen. Spr. ging nu na sommige grieven, die hier endaar ontwikkeld waren.
De eerste grief betrof de inrichting van het bestuur, dat n.l. het beheer niet wordt gevoerd door éen directeur, maar door een raad van bestuur, bestaande uit 4 personen; deze inrichting acht men onpraktisch en duur. Daarbij bepalen de statuten, dat aanvulling van de raad van bestuur plaats heeft in de maand Mei. Nu bestaat de raad van bestuur door een een paar maanden geleden ontstane vacature slechts uit drie leden, en het zonderlinge geval doet zich nu voor, dat deze vacature eerst in de maand Mei kan worden aangevuld.
Een andere grief betreft hetgeen heet gebeurd te zijn met het bedrag, dat voor de inbreng der concessie betaald is. Dit bedrag was eerst ƒ13,000 en is later tot ƒ 19,500 (alles in aandeelen) uitgebreid. Van dit bedrag is een belangrijk gedeelte aan de voorzitter van de raad van bestuur overgedragen, en de loyauteit gebiedt, deze heer in de gelegenheid te stellen zich omtrent dit punt te verantwoorden.
Voorts wat de aangekochte onroerende goederen betreft. Een drietal percelen aan de Hogendorpstraat en het Hogendorpsplein zijn bij de oprichting der maatschappij ingebracht voor ƒ40,000. Nog heden evenwel zijn die percelen met drie hypotheken bezwaard tot een gezamenlijk bedrag van ƒ40,600, terwijl de hoogste taxatie van deze perceelen ƒ24,800 bedraagt. Toen men deze percelen wilde gaan inrichten voor remises, bleek, dat de Amsterdamse politie-verordening zich tegen deze verbouwing verzette.
In Januari 1890 heeft men in de Van Beuningenstraat grond gekocht om in de behoefte van een remise te voorzien. De prijs daarvoor is geweest ƒ 17 per vierk. M., terwijl in diezelfde straat aanbiedingen gedaan zijn voor ƒ 7 à ƒ 8. De huur der eerstgenoemde percelen brengt ƒ 1820 op, terwijl de rente der hypotheken ƒ 1800 beloopt. In de Kerkstraat zijn 2 perceelen gekocht voor ƒ38,250. Men heeft een daarachter gelegen open plaats overdekt, maar er is later aangezegd, die overdekking weg te nemen, omdat deze verbouwing door een op die grond rustend servituut wordt verboden. In de Rustenburgerstraat is een perceel gekocht, waarvan de inrichting voor remise volgens belofte van het bestuur vóór de eerste gereed zou zijn. Tot heden toe ligt daar evenwel nog nauwelijks de eerste bindlaag.
Ten aanzien van het rollend materieel deelde spr. mede, dat het systeem der omnibussen het oudst bekende is (dat van de Heer Ripert, te Marseille) gewijzigd door de hh. Gebr. Spijker. Deze heeren zijn adviseurs, leveranciers en reparateurs der maatsch. In eerstgenoemde kwaliteit zouden zij ƒ 5000 genieten, waarvan zij, naar men zegt, ƒ 2500 genoten hebben, terwijl, eveneens naar men zegt, de andere helft door hen is kwijtgescholden. Om tot dat systeem te komen zijn lange en kostbare reizen gemaakt. Ripert's prijs is fr. 2500; volgens de mededelingen van het bestuur echter kosten de wagens ƒ 1800 à ƒ 1850, en het is wel wenselijk, dat het bestuur omtrent dit verschil inlichting verschaft.
Eindelijk heeft de voorzitter van den raad van bestuur ƒ 2500 genoten voor remuneratie voor de oprichting der maatschappij.
Ten aanzien van de paarden kan aan het bestuur niet anders dan lof worden toegezwaaid.
Ten slotte zeide spreker, dat een deel der aangevoerde bezwaren slechts op waarschijnlijkheid gegronde bedenkingen zijn, maar zij wettigen in elk geval het vragen van inlichtingen aan het bestuur.
Het kwam spr. voor, dat er twee middelen zijn om daartoe te komen. In de eerste plaats, dat men zioh verenigt, voor zover n.l. enige aandeelhouders te zamen 167 aandelen vertegenwoordigen, om het bestuur formeel te vragen een vergadering op te roepen. De andere weg, en zeker de minst kostende, is, dat de vergadering de heren, die deze vergadering hadden bijeengeroepen, machtigde, zich tot het bestuur te wenden met het verzoek om inlichtingen omtrent sommige punten.
De Heer Van der Tas lichtte sommige door de Heer Kappeyne aangevoerde bedenkingen nader toe. O. a. keurde hij sterk af de bouw der rijtuigen, die veel onderhoud vorderen, en zulks vooral in verband met het contract met de heren Spijker, die uitsluitend het onderhoud hebben, hetwelk daardoor veel te duur wordt. Ook hebben die heren zeker te veel verdiend op de leverantie der rijtuigen. Het contract kan echter te allen tijde door het bestuur worden opgezegd ; evenwel zouden dan de ƒ 8800 verloren zijn, die aan deze heren als zekerheid zijn voorgeschoten, doch alleen door de leverantie van nieuwe wagens verzekerd kunnen worden. Hij eindigde met de overtuiging uit te spreken, dat een groot deel van het maatschappelijk kapitaal moet verloren zijn. Verloren is in elk geval ƒ 19,500, betaald voor de concessie, ƒ 2500, betaald als remuneratie aan de Heer Bos, ƒ 6300 wegens uitgifte der aandelen beneden pari, ƒ 359, die de adviezen en reizen van de heren Spijker gekost hebben, ƒ 8.000 die aan dezelfden zijn voorgeschoten als zekerheid en die slechts met de levering van nieuwe rijtuigen kunnen verrekend worden, ƒ 17,000 als verlies op 8 huizen, enz.
Nadat de Heer Wiener in beginsel adhesie had geschonken aan het denkbeeld van de Heer Kappeyne om inlichtingen te vragen, meende de heer Vredenburg te moeten opmerken, dat de Utrechtsche Hypotheekbank ƒ 25,000 heeft gegeven als eerste hypotheek op de huizen aan de Hogendorpstraat, en vroeg in hoeverre dit te rijmen is met de bovengenoemde taxatie. Hierop werd door een der aanwezigen geantwoord, dat op het Zwitserse hotel ƒ 100,000 geleend was door dezetfde hypotheekbank, terwijl bij verkoop niets werd geboden. Nog deelde de heer Van den Berg, lid der firma Boertje & C., mede, dat deze firma aanvankelijk met het bestuur der maatschappij over de leverantie van rijtuigen heeft gesproken, maar door dat bestuur was misleid.
De Heer Kappeyne wenst de vergadering te sluiten met de uitnodiging aan de aanwezigen om zich door mededeling van de nummers hunner aandelen bij de Heer Jager (een dergenen van wie deze vergadering was uitgegaan) bij hem aan te sluiten, teneinde te beproeven om langs minnelijke weg vas het bestuur de gewenste inliohtingen te bekomen, en zo nodig, door een genoegzaam getal aandelen gesteund, de bijeenroeping van een vergadering te eisen.
De Heer Wiener verklaarde nu, dat hij en zijn „leserkreis" over de helft van het aandelenkapitaal beschikken, en dat hij wenste vrij te blijven om een vergadering bijeen te roepen, wanneer 't hem zou goeddunken. De Heer Kappeyne, ofschoon vindende dat de aanvankelijke adhaesie van de Heer Wiener hierdoor wel iets van hare kracht verloor, handhaafde zijn uitnodiging en sloot de vergadering.

Ingezonden.
Nu de zesmaal herhaalde aanwijzing op de tramwagens omtrent het in- en uitgaan aan de achterzijde blijkbaar door velen niet gelezen of niet begrepen wordt; nu de directie het eenvoudige middel van een knipje op de voordeur, aan de buitenzijde, niet nodig schgnt te achten; nu de koetsiers geen last blijken te hebben om het ingaan aan de voorzijde te verhinderen, maar het uit beleefdheid soms in de hand werken, zou het niet ondienstig zijn dat uw blad nog eens de aandacht vestigde op de last, om niet te zeggen het gevaar, waaraan de onbeleefdheid van sommigen hun medepassagiers blootstelt.
Velen maken van de tram gebruik, als zij voor de eerste maal na hun herstelling van de algemene kwaal moeten uitgaan, en lijden schromelijk, als zij eensklaps op de tocht worden gezet. Gisteravond was ik er getuige en medeslachtoffer van toen op het Leidscheplein een heer, wie het protest zijner medepassagiers, zooals hij het uitdrukte, niet verd……. kon, voor zich en zijn gezellen de voordeur opsmukte en openhield, terwijl anderen achter uitgingen of binnenkwamen.
Misschien zou aandringen op een afsluiting der voordeur bij de directie der A. O. M., al is de winter half voorbij, toch nog het door velen gewenste resultaat hebben. S.

10-2-1890
Door de kiesverenigingen Recht en Orde, Nederland en Oranje en Amsterdam was gisteravond te 8 uren, in het gebouw der Maatschappij voor de Werkende Stand, een meeting belegd ter bespreking van de aanstaande herstemming voor de Gemeenteraad.
Het woord werd thans gegeven aan de kandidaat de Heer Paul Strater.
De tramwegen moeten zo worden ingericht, dat de buitenwijken meer met het centrum der stad verbonden worden. De concessie daarna, aan de A. O. M. verleend, besprekende, meende hij uit de belangrijke tariefsverlaging, die dezer dagen had plaats gehad, te mogen opmaken, hoe nadelig deze concessie voor de burgerij was geweest.

25-2-1890
Het fraaie weer lokte gisteren de gehele dag een buitengewoon groot aantal wandelaars naar het Leidscheplein, om de afgebrande schouwburg te zien. De politie had handen vol werk om voor de communicatie, vooral van de volgeladen trams en omnibussen, zorg te dragen. Spoortreinen en stoomboten voerden onophoudelijk een stroom van buitenlieden aan om de ruïne te zien. De orde werd intussen nergens gestoord.

11-3-1890
De tram- omnibusdienst op de lijn Artis-Abattoir werd heden geopend.

17-3-1890
Dieven hebben een hoopje tramrails van een terrein a/d Muidergracht van de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij gestolen

19-3-1890
De politie heeft de dader van de diefstal van tramrails, ten nadele van de Omnibus-Maatschappij gearresteerd.

20-3-2890
In verband met de nieuwen aan te leggen verkeersweg Dam—Nassaukade is omtrent de hangende tramkwestie thans tusschen de Raadscommissie en de directie der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij overeenstemming verkregen. In een algemene vergadering der maatschappij, zullen de bijzondere bepalingen aan het oordeel van de aandeelhouders worden onderworpen, waarna het rapport aan den Gemeenteraad zal worden uitgebracht.

In ons berichtje omtrent de oplossing der tramkwestie werd ten onrechte een datum van de daarover door de A. O. M. te houden algem. vergadering genoemd. Die datum is nog niet vastgesteld.

Hedenmorgen 9 uur is een man, die een zak op zijn rug droeg, door een tramwagen in de Weesperstraat bij de Kerkstraat aangereden, ten gevolge waarvan hij verwond eerst bij een kruier in die straat werd binnengebracht en later naar het Gasthuis vervoerd is geworden. De man schijnt de waarschuwingen niet gehoord of niet begrepen te hebben.

25-3-1890
Ontwerpovereenkomst tussen de gemeente Amsterdam en de Amsterdamsche
Omnibus-Maatschappij
Op Donderdag 1 April e. k., zal een algemene vergadering worden gehouden van aandeelhouders in de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij, waarin het rapport der onderhandelingen van de tramcommissie uit de gemeenteraad en de gegadigden naar een concessie voor nieuwe tramlijnen aan de orde is.
Uit dat rapport, blijkt dat omtrent deze aangelegenheid een overeenstemming tussen de commissie en de A. O. M. is tot stand gekomen, waarvan wij de hoofdbepaliiigen hier laten volgen:
De A. O. M. belast zich met de aanleg en de exploitatie der nieuwe lijnen Dam, Westermarkt, Nassaukade, Bilderdijkstraat (Ceintuurbaan); — Centraalstation, Gelderschekade, Breèstraten, J. D. Meyerplein, Weesperstraat, Weesperplein, Sarphatistraat, Weesperzijde, Schollenbrug ; — Czaar Peterstraat— Slachtplaats.
Na de opening van de nieuwe lijn door de Weesperstraat, zal de lijn Leidscheplein—Plantage in beide richtingen lopen langs het Armenhuis, voormalige Veemarkt, Roeterstraat en Sarphatistraten geheel met dubbel spoor, daar ook door de verandering op de Weteringschans zowel bij de voormalig» gasfabriek als bij de gevangenis de aanleg van dubbel spoor daar mogelijk wordt.
Het recht van voorkeur naar de bestaande concessie, loopende tot 1910, voor de binnenstad, wordt beperkt, doordien de gemeente de vrije beschikking voor tramaanleg krijgt over de gehele noordzijde van de stad, zoodat een verbinding van de buitenwijken en omliggende gemeenten ook hierdoor mogelijk wordt door anderen dan de A. O. M.
De gemeente krijgt tevens de bevoegdheid lijnen van buiten de stad komende te doen aansluiten aan de A. O. M., ook al valt die aansluiting binnen het stadsdeel waar de A. O. M. voorkeur heeft, zodat bijvoorbeeld de lijn Sloterdijk kan komen tot op het Haarlemmerplein, en de nog niet bestaande maar geconcessionneerde Lijn-Concertgebouw kan komen tot op het Leidscheplein. Wanneer voor die aansluitingen terrein ontbreekt heeft de A. O. M. zich verbonden medegebruik van hare sporen ten behoeve va derden toe te staan.
De A. O. M. betaalt alle kosten van onteigening, van aanleg en verbreding van bruggen, aanleg en bestrating van nieuwe wegen, dempen en overwelven van grachten, aanleg van verhoogde voetpaden, beplantingen en riolering, noodig ten behoeve der nieuwe lijnen, tot een bedrag van
ƒ 1,500,000.
Het tarief wordt bepaald in geld op hoogstens 12 ½ cent, in abonnementkaartjes op hoogstens 10 cent, alle overstapkaartjes moeten van kracht blijven en op de nieuwe lijnen worden toegepast. Met lijnen van andere concessionnarissen moeten overstappen worden gewisseld. Gemeente-ambtenaren moeten worden vervoerd tegen 5 cents de persoon.
De vergoeding aan de gemeente blijft tot een dividend van tien percent op de tegenwoordige voet, nl. 5 percent van de bruto ontvangst en verhoging boven 8 percent dividend met ½ percent der bruto ontvangst voor elk percent dividend meer. Boven 10 pCt. dividend wordt in de nieuwe concessie de uitkeering 1 pCt. boven elk pCt. dividend meer.
De A. O. M. neemt de verplichting op zich tramlijnen aan te leggen waar dit haar door de gemeent» wordt gelast. De ontvangsten komen, zoolang er geen winst wordt gemaakt, geheel ten bate der gemeente; voor exploitatiekosten mag niet meer in rekening worden gebracht dan het gemiddelde cijfer der kosten op alle lijnen tezamen, per afgelegde tramkilometer te berekenen. Zijn de exploitatiekosten hooger dan de ontvangsten, dan wordt het verlies door de gemeente gedragen. Komt er winst dan wordt eerst dit verlies ingehaald, met bijberekening van rente en na terugbetaling van alle verliezen delen de gemeente en de A. O. M. gelijk op. Door deze regime is elke lijn, die in verband met exploitatie van gemeente bouwterrein nodig wordt geacht, onmiddellijk mogelijk.
De concessie wordt een ten allen tijde opzegbare; de gemeente kan elk oogenblik naasten tegen betaling van alle met goedkeuring der gemeente bestede gelden.
Neemt de gemeente de exploitatie zelf op zich, dan blijft de premie bepaald als in de tegenwoordige concessie; geeft zij die aan anderen, waartoe de nieuwe concessie vrijheid geeft, dan wordt gedurende 20 jaar aan het in werking treden dezer wijzigingen, een geleidelijk verminderende premie betaald, berekend naar de contante waarde van de gemiddelde winst der laatste 5 jaren.
De A. O. M. verbindt op zich te nemen voorziening in geval van invaliteit, ongelukken en overlijden van het aan hare directie ondergeschikte personeel.
De gehele ontwerp-overeenkomst bestaat uit 26 Artikelen, waarvan het bovenstaande de voornaamste inhoud is.
Ter algemene vergadering van de A. O. M., waar dit ontwerp in behandeling zal komen zal tevens worden voorgesteld, om een obligatielening aan te gaan van hoogstens 5 miljoen gulden, ten einde daaruit de kosten te bestrijden, verbonden aan de uitvoering dezer concessie, wanneer de Gemeenteraad die goedkeurt, en tevens ter teflossing of conversie der bestaande obligatielening, pro resto ƒ2,350,000.

14-4-1890
De Rozengrachters zitten in angst en vreze, ten minste velen hunner: zij zien toebereidselen maken bij het dempingswerk, zeggen ze, die weinig goeds voorspellen. De straat moet namelijk voor de daarover te leggen trambaan opgehoogd worden, en dit zal in de geprikkelde verbeelding van vele Rozengrachters zulke afmetingen aannemen, dat zij reeds nu hun vergelijkingen ontleenen aan het eerste het beste dat hoog en in het bereik is; dat is natuurlijk voor een Rozengrachter: de Westertoren. Aldus vervalt men van het een in het ander. Vergelijkingen moeten volgehouden worden. Zij schrijven dan ook reeds stukken in de couranten — ook bij ons is zo 'n afscheidsgroet aan het leven ontvangen — waarin van „levend begraven" wordt gewaagd. Wij hebben ons gewend tot de enig bevoegde in deze kwestie : de afdeling Publieke Werken, en aldaar zeer geruststellende mededelingen ontvangen.
De straat zal zeer zeker worden opgehoogd, maar hoe dreigend zich dit ook, in de eerste plaats voor dadelijk belanghebbenden, laat aanzien, het zal geschieden in het belang van het algemeen, doch niet zonder dat zoveel doenlijk rekening zal worden gehouden met de belangen van de Rozengrachters. Men zal zich bovendien herinneren, dat voor en tijdens het dempen van de Voorburgwal en de Martelaarsgracht gelijksoortige bezwaren werden te berde gebracht als nu worden vernomen uit de mond der Rozengrachtbewoners, en zowel het een als het andere dempingswerk is volbracht tot tevredenheid zelfs van de klagers. Wij hebben groot vertrouwen, dat het met de Rozengracht precies aldus zal gaan.

22-4-1890
De Tram-quaestie.
Het rapport omtrent de voordr. N°. 498, ter zake van de verschillende tramweg-aanvragen, opgedragen aan een commissie uit de Raad, bestaande uit de hh. Van Nierop, Van Bosse, J. C. de Vries en Sillem, is thans, onder No. 238 van de lijst der stukken, ter lezing op de Secretarie nedergelegd.
Men zal zich herinneren, dat in de vorige Raadsvergadering, door de aanneming van het amendement Pijnappel:
„de westelijke lijn voorloopig te leiden van de Westermarkt langs de Keizersgracht door de Hartenstraat, de Gasthuismolensteeg en Paleisstraten naar den N. Z. Voorburgwal, waarvan het gevolg zal zijn eene nieuwe aanbieding aan de A. O. Maatschappij",
de verdere discussies werden geschorst om aan de bovengenoemde commissie gelegenheid te geven de Raad hieromtrent nader voor te lichten. Na een uitvoerige uiteenzetting der bekende geschiedenis omtrent de tusschen partijen gevoerde nadere onderhandelingen, waarvoor, wilden zij kans van slagen hebben, het nodig was, dat enige punten daarbij als vaststaande konden aangemerkt worden, m. n. ten aanzien van den weg naar het westen, was, nu dit punt is uitgemaakt, de vraag: welk aanbod aanvaard behoort te worden.
Ligt het Gemeentebelang in het samengaan met de plannen van de heren Sanders c. s., verdient het de voorkeur de financieel gunstiger aanbiedingen der heren Bos c. s. aan te nemen, of zal men, voortbouwende op hetgeen met betrekking tot de tramexploitatie in deze Gemeente reeds is verkregen, zijne stem geven aan het ontwerp, waarop de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij bereid is haar werkkring verder uit te breiden ?
Voor de commissie is een keuze niet twijfelachtig; zij spreekt als haar eenstemmig oordeel uit, dat het laatste inderdaad behoort te geschieden. Zij wenst in verband daarmede op de volgende punten te wijzen. Indien de in het ontwerp getroffen regeling wordt aanvaard, is de aanleg van de verkeersweg naar het westen der stad verzekerd, zonder enige bijdrage van de Gemeente ; het risico voor de uit dien hoofde te verschaffen gelden verblijft geheel aan A. O. Mij. Dit is, voor zooveel de andere gegadigden betreft, geenzins het geval: men zal dan moeten beginnen met een belangrijk bedrag thans beschikbaar te stellen en dienen af te wachten of de lasten, welke zij in de vorm van jaarlijkse uitkering willen op zich nemen, ook inderdaad kunnen opgebracht worden. Het is verre van te willen beweren, dat zulks niet mogelijk zal blijken, doch iets anders is het of de Gemeente genoegzaam verantwoord is, wanneer men de goede uitslag der onderneming bij voorbaat als vaststaande aanmerkt en in het vertrouwen daarop verplichtingen op zich neemt, die haar bij mislukking in elk geval te zwaar zouden drukken. En tegenover die jaarlijkse uitkering, zij moge groot zijn, moet evenzeer gesteld worden hetgeen de Gemeente jaarlijks van de A.O.M. zal ontvangen. In de tweede plaats herinnert de commissie er aan, dat de Gemeente het industriële voorrecht (tot tram-exploitatie, luidens de overeenkomst) niet verder uit handen geeft dan tot 1910. Acht de Gemeente het in haar belang, na die termijn de concessie in te trekken, in het midden latende met welk doel dat geschiedt, zij kan daartoe overgaan tegen betaling, wegens de overneming der eigendommen, van een volgens billijke regelen te bepalen bedrag, en met uitsluiting van enige premie, welke ook, wegens ontneming van het bedrijf. Geeft zij er de voorkeur de onderneming daarna nog te bestendigen, dan is de Mij. gehouden de exploitatie voort te zetten en blijft het recht voor de Gemeente, om te allen tijde zonder premie de zaak tot zich te nemen, onaangetast. Daarentegen vragen de heeren Bos c. s. en Sanders c. s. een concessie voor ten minste 30 of 35 jaren. In de derde plaats verkrijgt de Gemeente volgens de voorgestelde regeling de bevoegdheid, ook voor de binnenstad te allen tijde de voorwaarden zelfstandig vast te stellen, waarop zij andere dan de thans bepaalde lijnen aan de Mij., of, bij weigering harerzijds, aan derden zou wensen op te dragen, met volledige bevoegdheid tevens om in de binnen- en buitenstad alle noodzakelijk of wenselijk geachte lijnen zelve aan te leggen, in welk geval de Mij. verplicht is, die lijnen op voor de Gemeente alleszins gunstige voorwaarden te exploiteren. In de vierde plaats biedt het ontwerp het voordeel aan, dat de Gemeente zich op elk tijdstip rekenschap kan geven van de omvang harer geldelijke verhouding tegenover de Mij. En eindelijk eigelijk zal het de aandacht van de Raad niet ontgaan, dat met betrekking tot reeds voorhanden of nog aan te leggen lijnen van andere ondernemers, hetzij die geheel binnen het gebied der Gemeente vallen, hetzij die strekken ter verbinding met de buitengemeenten, alles is verkregen wat redelijkerwijze mag verlangd worden. Immers, die lijnen kunnen voortaan in de binnenstad haar eindpunt vinden. De daarlangs aangevoerde passagiers vinden gelegenheid, zich met de hun uitgereikte overstapkaarten te verplaatsen over het net der tramwegen van de Mij., welke op hare beurt gehouden is, ten aanzien van dit gemak wederkerigheid te betrachten. Mag men nu daartegenover in de mening van de heren Sanders c. s. delen, dat het door hen beoogde goederenvervoer langs de buitenlijnen over een tweetal binnenlijnen naar het centrum der stad van genoegzaam belang is om aan hun aanbiedingen met de daaraan voor de Gemeente verbonden lusten en lasten de voorkeur te schenken ? Wij menen van niet, te minder, omdat ook goederenvervoer langs de lijnen der Mij. niet is buitengesloten, terwijl geen belemmering is te vrezen, wanneer men, met overschrijding van de grenzen, binnen welke de voorkeur geldt, goederenvervoer in de binnenstad wildoen geschieden naar die eindpunten, welke ook als einddoel kunnen aangemerkt worden, dat zijn de markten en verdere centra van handel. De bepalingen nopens het medegebruik van de sporen der Mij. zijn mede met het oog op zulke verbindingen door de comm. ontworpen. De baan voor een ceintuur-lijn is overigens, zooals zij reeds vroeger opmerkte, geheel vrij gehouden.
Met die opmerkingen wil de commissie echter nog niet geheel volstaan. Zij voegt aan haar rapport een berekening toe omtrent de op verschillende tjjdstippen door de Gemeente vermoedelijk te betalen sommen om in het bezit te treden van het gehele net der tramwegen, met inbegrip der thans ontworpen uitbreiding, wanneer de grondslagen van de nieuwe overeenkomst met de A. O. M. worden aanvaard. Luidens artikel 15 der thans lopende concessie kan de Gemeente op 1 Januari 1910 de eigendommen der Amst. Omnibus-Mij. geheel of gedeeltelijk overnemen voor de prijs, door drie deskundigen te bepalen, die alsdan hebben te letten op de bestemming van het roerend en onroerend goed. De Maatschappij moet hare eigendommen, wil daaraan bij die taxatie de hoogste waarde worden toegekend, tot het einde in niet minder goede staat onderhouden, dan waarin zij thans verkeren, en in die enderstelling zal de te kwijten waarde niet minder zijn dan die, welke daaraan nu kan worden toegekend. Blijkens een schatting daarvan bedraagt die waarde, wanneer daarbij geen rekening wordt gehouden met hetgeen door de Mij. krachtens de concessie voor werken ten behoeve der Gemeente tot een bedrag van nagenoeg 12 ton is uitgegeven, rond ƒ3,250,000, of, na aftrek van de magazijnrekening, die men beter doet buiten de overneming te houden, ad ƒ 100,000.
Geeft voor de vermoedelijke taxatie op 1 Januari 1910 van het thans bestaande net een bedrag van ƒ 3,150,000.
De kapitaalstaat, vermeld in artikel 18 van het ontwerp, wijst voor de in dat art. onder 1°. en 2°. bedoelde eigendommen een eindcijfer aan van ƒ 3,295,756.
De leningen bedroegen op 1 Jan. 1890 pro resto ƒ 2,350,000; na 20 jaar, op 1 Jan. 1910, zou op weg, werken en gebouwen zijn afgeschreven, à ½ pct. 's jaars met 3 ½ pCt. bespaarde rente, 14 63/000 pCt. over ƒ 2,350,000, dat is ƒ 343,805.
Geeft ƒ 2,951,951. Dit cijfer van ƒ 2,951,951 is dus het bedrag waarvoor, volgens de bepalingen van het ontwerp, het thans bestaande net op 1 Jan. 1910 kan overgenomen worden, welk bedrag echter nog te verminderen is met de afzonderlijk geregelde afschrijvingen op rollend materieel, paarden en diverse roerende goederen. Bij de aanvaarding van de nieuwe grondslagen zal de Mij. hebben uit te geven: voor de verkeerswegen ƒ 1,500,000, voor de uitrusting van de nieuwe lijnen, naar raming f 600,000, tezamen ƒ 2,100,000. Na 20 jaar zal hierover naar de maatstaf als voren zijn afgeschreven, 14 63/100 pCt. over ƒ2,100,000, d. i. ƒ307,230.
De overneming der nieuwe lijnen zou dus op 1 Jan. 1910 kosten f 1,792,770. Die der thans bestaande lijnen, als voren ƒ2,951,951. Behalve betaalt de Gemeente voor het gehele net op 1 Jan. 1910, volgens de grondslagen van het nieuwe ontwerp, ƒ 4,744,721. Ook thans weer is dit bedrag te verminderen met de afzonderlijk geregelde afschrijvingen op rollend materieel, paarden en diverse roerende goederen.
De commissie meent, dat thans voldoende grondslagen voor een beslissing aanwezig zijn. Indien de Raad zich met die voorstellen kan verenigen, stelt zij voor het volgende besluit te nemen :
I. Af te wijzen :
a. het verzoek van A. J. Bos c. s., ter zake van tramaanleg in deze gemeente ;
b. het verzoek van T. Sanders c. s, ter zake als voren;
c. het verzoek van het Bestuur der A. O. M., ter zake als voren, gedaan bij adres aan de Gemeenteraad, van 15 Dec. 1888;
II. onder intrekking van zijn besluiten vau 9 Juni en 6 Sept. 1881, aan de A. O. M. te verlenen het recht tot het hebben, leggen en exploiteren van tramwegen, geheel of gedeeltelijk op de openbare gemeenteweg, en het tot dat doel onverhinderd gebruiken van de rails der Mij., en zulks onder de bepalingen, die in een ontwerp van een 26-tal artikelen bij deze voordr. zijn gevoegd.

In „Artis" hield Zaterdag de Nederlandse Vereeniging voor Locaalspoorwegen en Tramwegen haar jaarlijkse algemene vergadering.
(……..)
De Heer Schadd deed daarna enige mededeelingen betreffende de ontwerp gewijzigde concessie der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij. De drie daarbij aan te leggen lijnen zijn 1°. van den Dam naar de Westermarkt, waar voor de A. O. M. zal hebben te betalen ƒ 1,500,000, voor welke som dan niets dan de aanlegbaan gereed zal zyn; 2°. de lijn Weesperzijde—Centraalstation, waarvoor ook 6 ½ cent per rit zal moeten geheven worden, en 3°. een zijtak naar het Abattoir, halverwege de Czaar Peterstraat.
De lijn Plantage—Leidscheplein zal niet meer door de Kerkstraat maar over de Nieuwe Veemarkt lopen. Voorts is bepaald, dat nimmer meer dan 7 ½ cent per lijn mag worden gerekend en de verplichting in de concessie gesteld om overstapjes te geven. Voorts deelde de Heer Schadd nog het een en ander mede omtrent de retributie en verdere voorwaarden van de concessie, reeds in de dagbladen medegedeeld.

23-4-1890
De Omnibusmaatschappij heeft een harer trambanen op de Overtoom reeds op de vereiste hoogte gebracht, gevorderd door de brug voor de Kosterstraat. Men kan nu oordelen, welke bezwaren de gewone rijtuigen zullen te overwinnen hebben om tegen de helling op te rijden, vooral die, welke van den Overtoom de brug over moeten.

1-5-1890
Met een zevental van hare sierlijke rijtuigen deed gistermiddag de Amsterdamsche Centraal Tram-Omnibus-Maatschappij over de op 1 Mei te openen lijn een proefrit. De eerste wagen bevatte de genodigden; de zes overige volgden ledig. Van de standplaats aan de Amstel, tussen Heeren- en Keizersgracht, ging het langs de oost- (oneven) zijde van de Heerengracht tot de Heerenmarkt, standplaats voor het politiebureau), en vandaar langs de oostzijde van de Keizersgracht — met een kleine afwijking wegens het herstellen van de straat in het begin van de rit — weder terug naar de Amstel.
De wagens van de A. C. T.-M. zijn hoger op de wielen dan de bestaande tram-omnibussen, doch leveren, behalve dat zij fraaier zijn, geen ander verschil op met deze. De gewaarwordingen onder het rijden zijn dezelfde.
Tot dusver wordt nog gebruik gemaakt van hulpbanken, doch de wagens zullen voorzien worden van geperforeerde banken van Amerikaans notenhout, welke in den winter met kussens zullen bekleed worden. Van binnen is plaats voor twaalf personen, terwijl van achteren 6 staanplaatsen en van voren, achter de koetsier, vier zitplaatsen zijn.
Met 1 Mei te beginnen zal van 's morgens 8 tot ‘s avonds 11 uur elke 7 minuten een wagen vertrekken. De prijs per rit is 7 ½ cent, heen en terug 12 ½ cent. Ook worden maand- en abonnementkaarten uitgegeven.
De paarden zien er mede uitstekend uit.

De Heer T. Sanders, die tien jaren doende is geweest met tramplannen tot uitvoering te brengen en aan het eind van dit tijdperk nog even ver gevorderd is als in het begin, heeft wederom de pen ter hand genomen, om zijn zaak onder de ogen van het publiek te brengen en haar toe te lichten.
Zijn jongste brochure heet: De beschuldiging in zake de Amsterdamsche Tram-quaestie”.
Die beschuldiging is gericht tegen het Gemeentebestuur van Amsterdam, „dat in deze zaak tekort heeft gedaan aan zijn plicht om te waken voor de belangen der Burgerij en vooral om te handhaven de eer onzer stad."
Het onderzoek der ingeleverde stukken en bescheiden is geweest oppervlakkig, en ontbloot van alle ernst.
De beschuldiging omvat verder de volgende punten
Tengevolge hiervan waren de geopperde technische bezwaren en de tot afwijzing aangevoerde motieven gezocht of onwaar, hetzij ze voorkwamen in de gedrukte stukken of mondeling in de raadszaal werden voorgedragen.
„De geheele bestrijding mijner plannen doet tekort aan de waardigheid onzer stad: zij draagt het karakter van oneerlijkheid en onwaarheid.
Al zijn beschouwingen concentreeren zich op de persoon van de burgemeester, op deze grond: „Van al de hoofdpersonen, die hier eene rol hebben gespeeld, is de Heer Van Tienhoven de eenige, die, van het begin tot het eind, een actief deel aan den strijd heeft genomen, die alles, wat is geschied, met zijn naam gedekt, die, als hoogste magistraatspersoon, tot dit alles heeft medegewerkt en verantwoordelijk is voor de daden zijner ondergeschikten."
Behalve wat deze beschuldiging van tegenwerking aangaat, behelst de brochure ook de bewering, dat de Gemeente bij de nu voorgestelde regeling met de A. O. M. geen goede voorwaarden heeft weten te bedingen, en te dien einde gaat de Heer Sanders verschillende punten van de voorgestelde overeenkomst na, ook in verband met hetgeen zijn onderneming aan de gemeente beloofde.
Zo zegt hij, dat de A. O. M. wel is waar in contanten de kolossale som van /1,500,000 betaalt, maar oneindig meer terug ontvangt, en in werkelijkheid minder betaalt dan door de onderneming van de Heer Sanders is aangeboden. Hij berekent, dat zij eigenlijk slechts ƒ475,000 voor de nieuwe concessie betaalt, want, zoo redeneert hij, wil de gemeente in 1910 tot naasting overgaan, dan betaalt zij ƒ1,280,000, dus interest op interest gerekend, hetzelfde alsof zij nu aan de Maatschappij f 640,000 in contanten moest betalen. En verder: de kapitaalstaat, waarvoor de bezittingen der A. O. M. in de nieuwe concessie werden ingebracht, is ƒ980,000 te hoog opgemaakt, zodat de gemeente bij naasting in 1910 die som teveel betaalt, of, volgens dezelfde methode van zoeven, nu een som van ƒ385,000 in contanten aande A. O. M. uitkeert. Alzo met deze beide bedragen zou de som van anderhalf millioen moeten verminderd worden.
Daartegenover stellende hetgeen zijn onderneming direct en indirect aan voordeel voor de gemeente bood (o. a. door de ceintuurbaan, verhoging van waarde van bouwterreinen) komt hij tot een gunstige vergelijking voor zijn plannen. — Een aanmerking zijnerzijds op de ontwerp-overeenkomst met de A. O. M. is verder, dat de gemeente de tegenwoordige prijs der kaartjes à 6 ½ cent niet heeft weten te behouden. Deze bescheiden vrucht der concurrentie — zegt hij — heeft men niet gehandhaafd, en de burgerij zal, zoo=dra de tramomnibussen niet meer rijden — de Heer Sanders meent dat 't met het leven der Tramomnibussen gedaan is, zoodra de A. O. M, eenmaal in het bezit der nieuwe concessie is — 7 ½ cent per rit te betalen hebben, en deze een cent verhoging per reiziger vertegenwoordigt voor de A. O. M. reeds weder een waarde van meer dan anderhalf miljoen.
De nieuwe overeenkomst treft verder de plannen-Sanders in de hartader van hun bestaan, want zonder binnenlijnen is de ceintuur onmogelijk. Zelfs de spoorweg naar Haarlem wordt daardoor onmogelijk gemaakt.
Aan de brochure zijn verschillende bijlagen toegevoegd met de bedoeling het beweerde nader toe te lichten.

2-5-1890
Een in de N. R. Ct. voorkomend berichtje over een dreigement van de directie der Amst. Omnibus-Maatschappij tegen werklieden, die heden aan de „betooging" zouden willen deelnemen, is, gelijk men bij het lezen onwillekeurig vermoed zal hebben, niets dan een verzinsel.

5-5-1890
Naar het A. Hbld. verneemt, is „de combinatie tot het aanvragen van locaalspoor- en tramwegen Sanders c. s." ontbonden.
De Heer Sanders zal voor eigen rekening zijn plannen verder voortzetten.

Een der zware wagens van de .A. C. T. O. Maatschappij, die, onder luid geschel, sedert 1 Mei langs Heeren- en Keizersgrachten zwoegen en daveren, is gisteravond omstreeks acht uur, bij het afrijden van de hoge brug Keizersgracht—Reguliersgracht tegen het hoekhuis (perceel 39) aangereden en heeft met de disselboom de muur van het door een schoenmaker bewoonde onderhuis totaal vernield. De bewoners kwamen, als door een wonder, met de hevigen schrik vrij.
„Nummer éen", sprak somber-profetisch een der bewoners van de geteisterde wijk, die haar rustig karakter sedert 1 Mei geheel heeft verloren.
Men was voorts algemeen onder de omstanders van gevoelen,dat het lag aan de „kinderachtige remmetjes."
Het is te onderzoeken en behoort onderzocht te worden, eer er meer gebeurt.

Sedert Mei is de zomerdienst van de „Omnibus" Overtoom — Amstelveen aangevangen. Er bestaat nu gelegenheid 4 maal daags heen en weer te rijden.

Gisteren is op de Joden-Breestraat een oud man door een tram-omnibus aangereden, tengevolge waarvan hij gekwetst werd en per raderbaar naar het Gasthuis vervoerd moest worden.

6-5-1890
Eer lang zal ook de nog overgebleven tramloods op het oude stationsplein verdwijnen. Een gedeelte van het materiaal wordt thans reeds geborgen in de nieuwe stalling aan het einde van de Prins Hendrikkade, bij de Kweekschool; wanneer de andere nieuwe stalling van de A. O. M. op de Brouwersgracht binnenkort gereed is, zal daarmede de laatste herinnering aan het houten hulpstation, dat zovele jaren reeds telde, geheel verdwenen zijn, want dan wordt ook de tramloods gesloopt en komt het nu daarachter gelegen Administratiegebouw geheel vrij te staan.

7-5-1890
De Amsterdamsche Tram-Omnibus- Maatschappij vervoerde gedurende de maand April 186,387 personen, tegen 168,931 gedurende de maand Maart.

12-5-1890
Dr. G. P. WESTERMAN.
Wat reeds sinds enigen tijd gevreesd werd en met name in de laatste dagen elk ogenblik werd tegemoet gezien, is geschied: de 82-jarige Westerman is gisteravond overleden.
Het past ons een woord van hulde te brengen aan den man, aan wien onze stad zooveel is verplicht en wiens naam voor altijd ten nauwste verbonden zal blijven aan eene der schoonste stichtingen in onze stad: Natura Artis Magistra.
(………………….)
Bekend is ook hoe Westerman, behalve zijn drukke werkzaamheden in Artis, toch nog tijd wist te vinden om ook nog op ander gebied nuttig werkzaam te zijn. Men denke aan zijn krachtig streven voor de bloei der Amsterdamsche Omnibus-maatschappij, de Begrafenisvereniging, de Fanoramamaatschappij en andere. In al deze kringen was Westerman steeds een geliefd medewerker en krachtig voorstander. De erenaam, welke hem indertijd werd gegeven als „de populairste burger van Amsterdam," was niet onverdiend. Bij het voortbestaan van Natura Artis Magistra zal die naam steeds in ere doen blijven.

De Gemeenteraad zal op 14 Mei a. s. des namiddags te 1 uur vergaderen, ter behandeling van de volgende voordrachten :
(…..)
— 238. Rapport in zake de tramweg-aanvragen.
(……….)

13-5-1890
Bij de raad dezer gemeente is ingekomen: een voorstel van de hh. Heineken, Treub, Becker en Gerritsen om de concessie van de Amsterdamsche Omnibusmaatschappij in te trekken en de exploitatie voortaan door de gemeente te doen geschieden.
De lange toelichting van het voorstel toont hier en daar enige overeenkomst aan met de onlangs verschenen brochure van de Heer Sanders.

14-5-1890
Omtrent het voorstel van de heren Heineken, Treub, Becker en Gerritsen omtrent deze zaak, die in de Gemeenteraadszitting van morgen opnieuw aan de orde is gesteld en van welk voorstel wij in ons nummer van gisteren kortelijk melding maakten, dient nog het volgende:
De voorstellers kunnen zich met de thans aanhangige voordracht niet verenigen, omdat, wordt zij aangenomen, voor het ogenblik wel een verbetering in het verkeer zal worden verkregen, maar de verdere ontwikkeling er van op zeer bedenkelijke wijze zal worden belemmerd.
Zij treden, ten einde dit aan te tonen, in eene uitvoerige beschouwing der geschiedenis van de z. g. oostelijke en westelijke lijnen der ceintuurbaan (en) schetsen — aan de hand der bekende brochure van de heer T. Sanders, waarvan de hoofdinhoud ook in ons blad reeds is medegedeeld — wat te dien opzichte zowel in als buiten de Raad is geschied en verklaren, dat daaruit mag worden afgeleid, dat noch het D. B., noch de A. O. M. in 1880, en de laatste zelfs niet in 1888, wensten te voldoen aan een behoefte van het verkeer, welker bestaan door de daartoe toen benoemde commissiën werd buiten twijfel gesteld, nadat daarop door de Heer Sanders (reeds in 1830) de aandacht was gevestigd. Zij concluderen daaruit hoe gevaarlijk het zijn zou, de gemeente opnieuw aan banden te leggen, die de verdere ontwikkeling van het verkeer kunnen belemmeren.
De laatstelijk benoemde commissie — en zij is daardoor aan haar mandaat niet ontrouw geweest — heeft zich slechts het verkrijgen van lijnen ten doel gesteld, wier noodzakelijkheid thans algemeen wordt erkend, en daarvoor de naar haar mening voordeligste voorwaarden bedongen. Uit de aard der zaak is daardoor de ontwikkeling van het verkeer in het vervolg uit het oog verloren. De slotsom toch der door de commissie gevoerde onderhandelingen is, dat aan de A. O. M. zal worden opgedragen de exploitatie van een deel der lijnen, welke zij voortdurend heeft geweigerd en waarvan de noodzakelijkheid thans, dank zij het onvermoeid streven van de heeren Sanders, algemeen wordt erkend. Volgens de voordr. der commissie zal de A. O. M. haar recht van voorkeur behouden en nog machtiger worden gemaakt dan met haar bestaande concessie. Van die maatsch. zal voortaan de ontwikkeling van het verkeer in deze gemeente nog afhankelijker worden gemaakt, dan dit tot heden het geval was, niettegenstaande de ondervinding heeft doen zien hoezeer zij thans reeds van het haar in 1881 verleende recht van voorkeur heeft gebruik gemaakt om tegen te werken, wat, ook naar het oordeel in beide commissiën, voor een goede regeling van het verkeer in de gemeente nodig was. Het strookt dan ook, naar het oordeel der adressanten, al zeer weinig met het belang der ingezetenen, om door uitbreiding van het aan één maatschappij verleende recht van voorkeur tot nieuwe lijnen concurrentie tegen te werken.
De hoofdgronden om de concessie der nieuwe lijnen aan de A. O. M. te geven, zijn, dat de exploitatie der tramlijnen uit één hand gewenst is en dat de gemeenté geen kosten/voor de nieuwe lijnen mag dragen. Tegen die oplossing om zonder geldelijk bezwaar voor de gemeente nieuwe tramlijnen te verkrijgen hebben de adressanten grote bedenkingen.
In het brede worden die bedenkingen met financiële argumenten uiteengezet, en daar hiermede de adressanten menen te hebben aangetoond, dat de commissie ten onrechte meent verkregen te hebben een uitbreiding van het tramwegnet, zonder dat dit aan de gemeente kosten veroorzaakt, wensen zij er nog op te wijzen, dat de gemeente een uiterst geschikt ogenblik voor de naasting laat voorbijgaan, wanneer zij die naasting nu niet tot stand brengt, maar die aan de toekomst overlaat, daar de hoge afschrijving, welke de maatschappij toepast, de toch hoge dividenden heeft gedrukt.
Er zal der gemeente wel geen verwjjt van kunnen worden gemaakt, dat zij profijt trekt van de moeite en kosten, door een onzer medeburgers besteed, om een denkbeeld te doen zegevieren, dat zoveel tegenstand heeft ondervonden, — maar anders zal het oordeel moeten luiden, wanneer de vruchten van die arbeid ten goede komen aan een maatschappij, die niet dan na langdurig verzet zich heeft laten overhalen de door haar eerst geweigerde lijnen te exploiteren.
Zij stellen daarom voor aan de Raad te nemen het volgende Besluit:
„De gemeente trekt in de concessie, aan de genoemde maatschappij verleend, om zelf de exploitatie op zich te nemen."

Dit voorstel geeft aanleiding tot het volgende redactionele commentaar:

De ijver, waarmede nu en vroeger het publiek en in de laatste dagen de raadsleden zich op de zaken van de Tram werpen, bewijst, dat deze instelling een voorname plaats in onze gedachten inneemt. bewijst echter nog niet welke plaats; men toont zoveel belangstelling voor een troetelkind of voor iemand, wien men het leven niet bepaald aangenaam wenst te maken. Vermoedelijk zijn we met deze laatste onderstelling het dichtst bij de waarheid.
De lofzangen van weleer op de goede inrichting van „onze" tram toch zijn verstomd ; we wijzen de vreemdeling niet meer met trots op de fraaie wagens, de flinke paarden, het beleefde personeel; we roemen niet meer de verbazenden afstand, die men met éen enkel overstapkaartje kan afleggen. Aan al die dingen zijn we te gewoon geraakt. In plaats van lofzangen krijgt men niets meer te horen dan variaties op de thema's: concessievoorwaarden, dividenden, tantièmes, — waaruit blijkt, dat een zeer gewone menselijke aandoening op het ogenblik de boventoon voert.
Men weet natuurlijk wel, dat door de tram elk jaai een aardige som in de schatkist vloeit; men herinnert zich ook nog, dat de tram met tonnen gouds er toe bijgedragen heeft op menig punt van de stad verbetering, vooral verruiming te doen uitvoeren, maar het geval blijft zich voordoen, dat toch nog belangrijke winsten gemaakt worden, en daar de gemeente steeds meer geld nodig heeft, ligt het een weinig voor de hand, dat men tracht zich een nog grotere bijdrage van de maatschappij te verzekeren.
Zolang 't met die poging bij 't redelijke blijft, zal niemand er iets tegen hebben. Er is echter al zoveel gewenst en geëist, dat men niet meer van redelijk kan spreken, en nu is zelfs, als toppunt van begerigheid, het voorstel tot naasting en gemeente-exploitatie gedaan. Dit plan heeft echter zo weinig kans van slagen, dat men hier wellicht slechts aan vrees aanjagen te denken heeft. 't Is intussen al erg genoeg, dat 't zover kon komen.
De ontstemming, waarvan dit voorstel blijk geeft, is vrij algemeen, hoewel niet in die mate. Het publiek is nog even tevreden over de dienst als vroeger, maar is door een onhandigheid opgeschrikt. Een door niets, althans haast niets gemotiveerde prijsverlaging heeft het doen inzien, dat het jarenlang teveel betaald heeft. Verflauwt deze indruk al mettertijd, dan blijft nog over de behoefte aan opheldering over de loop van de concessie-Sanders. leder zou gaarne willen weten hoe 't mogelijk is, dat een concessionaris met degelijke, uitgewerkte plannen tien jaren lang van het kastje naar den muur gezonden kan worden, terwijl hij nu ten slotte ziet, dat in de nieuwe concessie en in amendementen van zijne denkbeelden gebruik gemaakt wordt. Men zou willen weten of hier billijkheid betracht is of niet. Laat ons hopen, dat de behandeling van de tramzaak in de Gemeenteraad tot klaarheid brengt wat niet duidelijk is, maar dat men dan ook weer op een goed en zuiver punt tegenover de A. O. M. komt tr staan.
De onder No. 275 — 280 ter visie gelegde atukken voor de leden van de Gemeenteraad zullen ook in de Raadszitting vanmorgen in behandeling komen.

Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd de volgende stukken:
No. 275. De volgende amendementen met toelichtingen van de h.h. J. W. Alting Mees, G. Vas Visser en J. Wüste op de voordr. sub no. 238, betreffende de tram-concessie:
I. alsnog op te nemen in artikel 1 sub B:
a. de lijn: Amsteldijk, Sarphatipark, Ferdinand Bolstraat, Stadhouderskade (langs het Rijksmuseum), Leidscheplein;
b. de lijn : P.C. Hooftstraat—Houbrakenstraat (tot de grens der Gemeente), waardoor de lijn Dam— P.C. Hooftstraat zou worden Dam—Houbrakenstraat.
II. te wijzigen de ontworpen richting Dam—Nassaukade—Bilderdijkstraat, door deze van de Rozengracht af te doen loopen langs de Marnixstraat over de Kinkerbrug, Nassaukade naar de Bilderdijkstraat, totdat de straat tegenover de Rozengracht in de richting van de Bleekersloot (zie pag. 191 der voordracht) gereed zal zijn.
Toelichting. Terwijl zij zich voorstellen de punten sub Ia en b mondeling toe te lichten, zo zij bovendien omtrent punt II kortelijk aangetekend, dat de voorgestelde wijziging haar grond vindt in het vermoeden, dat het nog zeer geruimen tijd zal kunnen duren, voordat de straat, welke, tegenover de Rozengracht, de Nassaukade met de daar thans nog niet bestaande Bilderdijkstraat moet verbinden, gereed is.
Dat zulks ook het gevoelen der commissie is, lezen zij in haar toelichting op pag. 191. De nieuwe lijn zou dus nog tal van jaren niet beantwoorden aan haar bestemming, namelijk om het westelijk gedeelte der gemeente met het centrum te verbinden, en vooreerst niet anders zijn dan een lijn Dam—Marnixstraat, waardoor het zo bevolkte Jacob van Lennepkwartier nog lang van zodanige verbinding verstoken zou blijven.
Zij achten het daarom wenselijk om, reeds voordat bovenbedoelde straat zal zijn tot stand gekomen, het thans bestaande gedeelte Bilderdijkstraat aan te sluiten, en wel langs de door hen voorgestelde richting, waardoor het Jacob van Lennepkwartier wordt bereikt en de Nassaukade wordt verbonden met de Bilderdijkstraat door een der reeds bestaande dwarsstraten, hetzij de Potgieter-, Kinker- of Jacob van Lennepstraat.
Terwijl toch de laatste reeds geheel doorloopt tot de Bilderdijkstraat, stelt de heden ontvangen voordracht van B. en W. sub No. 271 dit ook met de andere in het vooruitzicht.
De door hen voorgestelde richting zou alzo reeds van de voltooiing van de Kinkerbrug af (Augustus a. s.) de exploitatie van het gedeelte Rozengracht— Bilderdijkstraat (Ceintuurbaan) mogelijk maken, welke anders niet dan in een zeer verwijderd verschiet is tegemoet te zien.
No. 276. Het volgende amendement: van den Heer C. J. den Tex. Deze stelt voor in art. 1, alinea 2, der voordracht n°. 238 betreffende de tramconcessie te doen vervallen de woorden: „en geldt dit niet meer als verlengde van de lijn Dam—Sarphatistraat."
No. 277. De volgende amendementen van de hh. A. W. C. Berns, J. P. Korthals Altes en C. N. J. Moltzer J. Ezn. om bij de voordracht sub n°. 238, in art. I sub B alsnog op te nemen de volgende lijnen :
1. Czaar Peterstraat—Handelskade—de Ruijterkade tot het Westelijk-Viaduct, aansluitende deze lijn aan de bestaande lijn Haarlemmerplein—Dam;
2. Haarlemmerplein— Spaarndammerstraat—Houthaven—Barendskade—Westerdok—de Ruijterkade, aansluitende deze lijn aan de lijn Haarlemmerplein—Dam; en
3. Linuaeusstraat—Eerste Parkstraat—Oetgensstraat, aansluitende deze lijn op de bestaande lijn Weesperzijde—Dam.
No. 278. Het volgende amendement van de hh. C. J. M. Dijkmans en C. N. J. Moltzer J.Ez., om bij de voordr. sub No. 238, art. 8a als volgt te lezen: a. Voor het vervoer per persoon en per rit langs elke lijn, in artikel 1 onder A en B genoemd, met inbegrip van het verlengde daarvan, worden door de maatschappij abonnementskaartjes verkrijgbaar gesteld voor ten hoogste 7½ cent per stuk en mag zij in geld ten hoogste 10 cents vorderen.
No. 279. Adres van W. Langhout Gzn. c. s., bewoners of eigenaars van percelen aan de Weesperzijde en aangrenzende straten, om bij het verlenen der concessie aan de A. O. M. daarin zodanige wijziging te brengen, dat er een direct doorgaande lijn Dam—Weesperzijde in exploitatie komt, of, zo daartegen onoverkomelijke bezwaren bestaan, te willen bepalen, dat het tarief voor de afstand AVeesperzijde—Dam, gelijk nu, moet zijn als voor éen rit.
No. 280. Voorstel van de hh. Heineken, Treub, Becker en Gerritsen, om de concessie, aan de A. O. M. verleend, in te trekken, en de gemeente zelf de exploitatie op zich nemen.

15-5-1890
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 14 Mei 1890 ('s nam. 1 u.) Voorzitter: de Burgemeester Mr. G. van Tienhoven. Tegenwoordig bü den aanvang der zitting 26 leden. Afwezig de h.h. van Bosse, van Eeghen, Gerritsen, Heemskerk, Hovy, Everwijn Lange, Muijsken, van Ogtrop, Sassen, Treub, de Vries van Buuren en Wüste. Na voorlezing van het gebed en vaststelling der notulen van de vorige verg., deed de Voorzitter mededeling der navolgende ingekomen stukkan:
(……)
Missive van T. Sanders c. s., houdende mededeeling, dat hun combinatie voor de aanleg va tram- wegen in en rondom Amsterdam is ontbonden, en dat sedert die datum door eerstgenoemde zijn overgenomen alle door hen gedane aanvragen met de daaraan verbonden verplichtingen.
Besloten wordt: (Voor) Kennisgeving (aangenomen),
Adres van W. Langhout Gzn. c. s., bewoners of eigenaars van percelen aan de Weesperzijde enz. verzoekende, dat bij het verlenen der voorgestelde tramconcessie Centraal-Station, Jonas Daniël Meijerplein, Weesperplein, Weesperzijde deze zodanig te wijzigen, dat er een direct doorgaande lijn Dam—Weesperzijde in exploitatie komt, of, zo daartegen onoverkomelijke bezwaren bestaan, bepaald wordt, dat het tarief voor den gehele afstand, gelijk nu, moet zijn als voor éen rit.
(Besloten wordt dit) Te behandelen bij de voordracht.
Id. van d vereniging „Jacob van Lennep", tot ondersteuning van het amendement Alting Mees c.s., in zake de tramconcessie.
(Besloten wordt dit) Te behandelen bij de voordr.
Id. van A. J. Bos c. s., houdende om daarbij aangevoerde redenen het verzoek, om de voordracht No. 238 betreffende de aanhangige tramweg-aanvragen niet aan te nemen, zich bereid verklarende hun aanbieding van ƒ 55,000 per jaar uitkering voor de door hen aangevraagde lijnen gestand te doen, ook voor een concessie gedurende 10 jaren, wanneer de Gemeente hun wil vergunnen te volstaan met een aflossing op de bezittingen der te vormen maatschappij, volgens kapitaalstaat, van ½ pCt. per jaar en de daardoor bespaarde à 3½ pCt. op de voet van de voorgedragen regeling met de A. O. M.
(Besloten wordt dit) Te behandelen bij de voordr.
(………………)
(Adres) van de Amst. Tram-Omnibusmaatsch. om vergunning om de lijn N. Z. Voorburgwal—Nassaukade— Leidscheplein bij het Rijksmuseum in aansluiting te mogen brengen met de lijn N. Z. Voorburgwal— Amsteldijk.
(Besloten wordt dit) Aan B. en W. (in handen te geven) om preadvies.
(……………..)

Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd de volgende stukken:
N°. 281. Het volgende amendement, met toelichting van de hh. C. Dijkmans en J. Wüste op de voordr. omtrent de Tramexploitatie, dat nl. op art. 2 van de voordr. no. 238, tussen de woorden „vervulling harer dienstregeling" en „de maatschappij is verder verplicht", ingelast wordt een nieuwe alinea, luidende: „De voorgeschreven last kan, met inachtneming der daarbij gestelde bepalingen, doch uitsluitend voor goederenvervoer, worden uitgebreid, zó, dat hij niet enkel geldt voor gedeelten van lijnen, maar ook van toepassing wordt op eene of meer geheele lijnen."
Toelichting.
Mag voor het personenverkeer de voorgestelde regeling (verlenging van aan anderen toebehorende lijnen tot aan een der knooppunten van verkeer) voldoende worden geacht, — onvoldoende schijnt die regeling voor het goederenvervoer. Zodra b.v. eene tramlijn door de Haarlemmermeer in exploitatie zou zijn, zou zich zonder twijfel de behoefte aan een rechtstreeksche verbinding van de Haarlemmermeer met de veemarkt, de groenmarkt, de belt, de stations, de aanlegplaatsen der stoomboten, enz., ten behoeve van het vervoer van vee, van groenten en andere landbouwvoortbrerigselen, doen gevoelen.
Wel wordt door de commissie in de toelichting op de voordracht de wenselijkheid van zodanige rechtstreeksche verbinding betoogd, maar de bepaling van art. 2 zou, ook om hare toelichting op bladz. 194, zich tegen die verbinding over grote uitgebreidheid verzetten. De voorstellers beogen met hun amendement dan ook niet anders dan de toepassing mogelijk te maken van een beginsel, waarvan het nut door de commissie zelve uitdrukkelijk is erkend.

De bewoners van de P. C. Hooftstraat moesten zich hedenmorgen meer dan eens de oogen uitwrijven, om zeker te zijn dat zij zich niet vergisten toen zij maar geen trams zagen aankomen. Er was blijkbaar een hinderpaal, want de dienst is anders stipt als een uurwerk. Wat die hinderpaal was, bleek al spoedig bij den ingang van de Hobbemastraat, de kleine verbindingsweg tusschen P. C. Hooftstraat en Stadhouderskade, de twistappel in het beroemde proces Wente contra A. O. M.
Tal yan mannen waren bezig daar een wegversperring: te maken in de vorm van een doorlopende schutting, welke het verkeer geheel afsloot, behoudens een kleine opening links in de laagtel waardoor een mens juist kan gaan.
Het gevolg was natuurlijk dat de trams aan de anderen kant moesten stilhouden, en sedert is dat plekje een eindpunt van de tramlijn P. C. Hooftstraat geworden.
Het geval is curieus genoeg om na te gaan wat de oorzaak van deze voor het ogenblik zeer ongerieflijke geschiedenis is.
Bij het ontworpen van de lijn P.C. Hooftstraat moest men of deze straat bereiken door de ingang of door middel van de ontworpen coupure Hobbemastraat. Tegen dit laatste waren twee bezwaren :
1. moest een pleziertuin aangekocht en geamoveerd worden en
2. moest de lijn gelegd worden over een klein gedeelte van het Schapenburgerpad.
Het eerste bezwaar werd uit de weg geruimd door de „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij", die zich bereid verklaarde voor haar rekening de in de weg staanden pleiziertuin aan te kopen, wat zij deed voor de som van ƒ 21,500.
Het tweede bezwaar — het overgaan van het Schapenburgerpad — werd door deskundigen licht geacht. Men meende, dat er geen gevaar bij was het Schapenburgerpad, dat bestemd was voor openbare weg, te gebruiken, vooral daar de A. O. M. (door de aankoop van de pleziertuin) mede-eigenares van dat pad wagi geworden. Het gemeentebestuur keurde het plan (om de Hobbemastraat in te gaan) goed, en in 1881 werd het ten uitvoer gelegd. Kort daarna sommeerde de Heer Wente, mede-eigenaar van een terrein aan het Schapenburgerpad, de rails van het Schapenburgerpad weg te nemen. Het betwiste gedeelte bedroeg niet meer dan 5 M2 grond!
De Rechtbank stelde de Heer Wente in het ongelijk en verklaarde dus de opvatting van de A. O. M. juist. De Heer Wente ging in hoger beroep en verkreeg van het Hof een tegenovergestelde uitspraak. De Hoge Raad vond geen aanleiding voor cassatie van dit vonnis, zodat (…) de heer Wente zegevierde.
Sinds die uitspraak (1887) verklaarde de A. O. M. zich bereid met de Heer Wente over het betwiste punt in een schikking te treden. Die onderhandelingen vorderden zeer weinig en de toestand bleef in status quo. In de laatste dagen kwam hierin verandering, doordien de Heer Wente op zeer korte termijn tot ontruiming dagvaardde. Een voorgestelde schikking mislukte, en de Heer Wente gaf hedenochtend, krachtens de macht, hem bij vonnis verleend, aan de executie gevolg. , Omtrent de voorgestelde schikking vernemen wij het volgende: De A. O. M. verklaarde zich bereid, niettegenstaande zij, als verliezende partij, alle advocaten en procureurs van den Heer Wente reeds betaald had, hem, voor beweerde onkosten aan advocaten, nog ƒ 4000 te betalen en hem buitendien af te staan: een stuk bouwterrein, ter grootte van. 115 m2, waarop de heer Wente grote prijs scheen te stellen. De Heer Wente was hiermede niet tevreden en eiste buitendien nog ƒ 2000 voor door hem te veel bestede koopsom van een huisje aan het Schapenburgerpad, benevens de kosten, welke een eventuele onteigening van het betwiste stuk zal na zich sleepen.
De A. O. M. kon deze eisen niet inwilligen daar alle verband tussen deze koopsom en de kwestie zelve h. i. ontbrak en dewijl zij bovendien meende, dat, tegenover haar opofferingen, de Heer Wente haar in het bezit moest stellen van het betwiste stuk en dus ook de kosten der onteigening moest dragen.
Hoe zal nu de oplossing van de moeilijkheid wezen? Deze kan op twee wijzen tot stand komen :
1. De tram kan verlegd worden en aan de P. C. Hooftstraat ingaan — doch ook in dat geval blijven de bewoners van die straat verstoken: van de doorgang in de Hobbemastraat, en
2. kan de gemeente, welke door aankoop eigenares is geworden van het koffiehuis op den hoek vande Hobbemastraat en Stadhouderskade, dit perceel doen sloopen en de grond tot openbare weg inrichten.
Alsdan is daarover openbaar verkeer en tramaanleg mogelijk, zonder dat men enigszins met het Schapenburgerpad in aanraking komt. Men mag verwachten, dat onderhandelingen hierover tussen de A. O. M. en de gemeente niet zullen uitblijven. Het bezit van het koffiehuis op de hoek stelt de gemeente in staat, reeds dadelijk de toegang voor voetgangers tot de P.C. Hooftstraat open te stellen. Zij heeft daarvoor slechts een coupure te maken in de achtergevel van het perceel.

Naar aanleiding van het Rapport van de Raadscommissie tot onderzoek van de door de heren A. J. Bos c. s. aangevraagde concessie tot aanleg en exploitatie van twee tramlijnen binnen de gemeente, hebben de aanvragers bij de Gemeenteraad een adres ingediend, waarin zij hun bezwaren openbaar maken tegen de inhoud van dat rapport. Zij menen, dat het financiële belang der Gemeente bij het beoordelen van hun aanvragen meer heeft voorgezeten dan bij de voorgestelde regeling met de „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij." De commissie toch stelt het totaal der kosten van de nieuwe verkeersweg op ƒ1,550,000 en stelt de aflossing van dat gehele bedrag bij hun aanbieding vast in 35 jaren. Daardoor komt zij tot het besluit, dat door de Gemeente gedurende 35 jaren een offer moet worden gebracht van ƒ 22,500. Wanneer de berekening volgens gelijken maatstaf wordt opgezet, becijferen adressanten, zou dat bedrag slechts f 5000 zijn. Na verder het bedrag van hun aanbieding nader te hebben toegelicht, spreken adressanten hun vertrouwen uit, dat de te behandelen voordracht door dn Gemeenteraad niet zal worden aangenomen. Zij verklaren zich ten slotte bereid hunne aanbieding van ƒ 55,000 per jaar uitkering gestand te doen ook voor een concessie gedurende tien jaren, wanneer de gemeente hen wil vergunnen te volstaan, met een aflossing op de bezittingen der te vormen maatschappij, volgens kapitaalstaat, van ½% per jaar en de daardoor bespaarde rente à 3½ % op de voet van de voorgedragen regeling met de A. O. M.
Bij eventueele invoering van electriciteit als beweegkracht, willen zij de daaruit voortvloeiende winsten met de Gemeente delen, in een verhouding als door de Gemeenteraad zal worden vastgesteld.

De heer Westermann, directeur van Artis en stichter van de A.O.M., is gisteren onder grote publieke belagstelling begraven

17-5-1890
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 14 Mei 1890 (’s nam 1 u.)
238. Rapport van de Commissie uit de Gemeenteraad inzake de aanhangige tramconcessies.
(Dit rapport, benevens de daartegen gerichte missive van de hh. Heineken c. s. en de verdere daarop ingediende amendementen, werd reeds successievelijk in hoofdzaak in ons blad medegedeeld).
De Heer de Vries kwam, namens de leden der Tramoommissie, op tegen de bewering van de Heer Sanders, dat de onderhandelingen met hem alléén door de Vooraitter der Commissie hebben plaatsgehad. Wat door de Voorzitter met de Heer Sanders is besproken was ook het gevoelen van de overige leden van de commissie, die dus solidair aansprakelijk zijn voor hetgeen met hem is besproken. Hij protesteerde dus tegen de bekende voorstelling door den Heer Sanders. Deze mededeling werd voor kennisgeving aangenomen.
Door de Heer Heineken werd bezwaar gemaakt de tramconcessie thans te behandelen, nu twee heren afwezig waren, die, wanneer zij in tijds geweten hadden, dat heden de vergadering zou gehouden worden, zeer zeker maatregelen zouden hebben genomen om tegenwoordig te zijn. De Heer Gerritsen, die in het buitenland vertoeft, kon, nu de agenda een dag later dan gewoonlijk uitkwam, niet meer intijds worden gewaarschuwd en dus niet tegenwoordig zijn. Hij stelde daarom een motie voor tot uitstel.
De Heer Becker was voor en de heeren S. Jitta en Pijnappel tegen uitstel, terwijl door de Heer Heineken nog werd gereleveerd dat de Heer Treub intijds had geschreven, dat hij niet ter vergadering tegenwoordig kon zijn, waarop door den Voorzitter werd medegedeeld, dat hij toen afwezig was en hjj later het briefje had ontvangen, toen door het D. B. reeds was bepaald, dat de verg. heden zou gehouden worden.
(…..) Ook de Heer Muysken was voor uitstel, niet alleen omdat de Heer Treub niet kon, maar ook omdat er zoveel amendementen waren ingekomen waarop de verg. niet voldoende was voorbereid. Met 19 tegen 11 stemmen werd de motie tot uitstel verworpen en alzo besloten met de behandeling van de zaak voort te gaan
Na dit besluit stond de Heer Heineken op en verklaarde, dat hij thans de verg. verliet. Dit verklaarde de Heer Pijnappel niet te begrijpen. De stemming moest juist voor hem een aansporing zijn om te blijven! „Nu de voornaamste voorsteller heengaat en ook de beide anderen afwesig zijn," waardoor bij de discussies vele gegevens hem ontbreken zullen om in deze te te beslissen, zou de Heer Becker het voorbeeld volgen van den Heer Heineken. (Hij verliet daarop ook de vergadering, ………)
De beraadslagingen werden alsnu voortgezet. De Heer Willeumier zal tegen de voordr. stemmen. Hij is, na zijn ondervinding, die hij nu van concessies heeft opgedaan, volmaakt bekeerd van zijne vroegere opinie, toen hij was tegen gemeente-exploitatie. Zonder te kort te doen aan de verdiensten der A. O. M., hebben wij in de laatsten tijd van haar houding tegenover concurrenten zoveel onaangenaams ondervonden, en wordt ook uit een financieel oogpunt gemeenteexploitatie aanbevolen, dat hij zich thans evenzeer voor naasting zou willen verklazen als hij er vroeger beslist tegen was. (…….) De Heer Berns bracht hulde aan de commissie voor haar omvangrijken arbeid en hij moest er tevens een woord van lof bijvoegen aan het adres van de A. O. M. voor de wijze, waarop zij de zaak in Amsterdam had geëxploiteerd. Nimmer had hij ergens een tram-onderneming gezien, die daarmede kon vergeleken worden.
Maar hij had tegen de voordr. bedenkingen. Hoewel hij de financiële beschouwingen gaarne aan specialitisten wilde overlaten, geloofde hij niet, dat samenwerking op dat gebied tusschen gemeente en maatschappij mogelijk en begeerlijk was. Hij zag daarin gevaar en bezwaar. Er bestond dus voor de mogelijkheid van de richtige uitvoering van deze concessie geen zekerheid, en zolang spr. geen zekerheid had, had hij geen vrijheid om voor deze voordr. te stemmen.
De toestand werd door haar, volgens spr., te précair, en omdat hij niet zeker was, dat de A. O. M., die vroeger nogal eens ongemakkelijk zich had betoond, dit later niet weer eens zou kunnen worden, had hij een reeks amendementen opgemaakt omtrent tegenwoordige en latere uitbreiding der nu vastgestelde lijnen, die hij thans voorlas.
(Op voorstel van de Voorzitter werd besloten deze amendementen te doen drukken en nog hij de voordr. te behandelen.)
De Heer S. Jitta (….) trad in een brede retrospectieve beschouwing van de kwestie en beweerde, dat de A. O. M. aan de gemeente goede diensten heeft bewezen. Haar reputatie is dan ook onberispelijk; daaraan wordt door ieder vreemdeling, die onze stad bezoekt, hulde gebracht ; en juist door de voorspoed, die haar onderneming kenmerkte, zijn anderen aangespoord om zich ook van een gedeelte er van meester te maken. De kiosken en de gemak- en waskamers hebben nog niet zo’n hoge vlucht genomen; anders zou men hetzelfde zien (gelach). Maar nu wiide men voor de tram gemeente-exploitatie.
Spr. was in principe altijd tegen gemeenteexploitatie geweest en was in dat opzicht niet veranderd. Wat zou er worden van de stabiliteit van de gemeentebegroting, als de gemeente wisselvallige ondernemingen zelf ging exploiteren! Men was geen enkel jaar zeker. Buitendien: daar waar de gemeente zelf exploiteerde — spr. noemde maar Abattoir en Handelskade — alles wat de gemeente deed, noemde men te duur en niet goed, en hoe zou het dan gaan, als de gemeente zich met de exploitatie van de tram ging inlaten ? Om al deze bezwaren kon spr. zich over het algemeen met deze voordr. wel verenigen. Hij had nog een paar bezwaren tegen het contract van naasting, die hij nader ontwikkelde, en bij de behandeling der artt. in een amendement nader zou formuleren.
De Heer Dijkmans trad in enige financiële beschouwingen om aan te tonen, dat wat hieromtrent in het rapport was gereleveerd niet in alle delen juist was.
De Heer Van Hall kon zich niet in alle delen met de voordr. verenigen. Hij was het geheel eens vooral met hetgeen daaitegen doorde hh. Berns en Willeumier was aangevoerd, want in verschillende opzichten zal de gemeente blijken te zijn het kind van de rekening. De banden voor de gemeente zullen, al naarmate deze thans reeds machtige maatschappij machtiger wordt, knellender worden, en men zal over 10 of 20 jaren zien op hoeveel moeilijkheden een naasting zal afstuiten. Spr. releveerde, dat de naam van de Heer Sanders niet altijd op de aangenaamste wijze is genoemd. Spr. wilde tot geen appreciatie hiervan overgaan, maar gevoelde zich toch gedrongen hulde te brengen aan de grote energie, waarmede door de Heer Sanders een voor de gemeente zo omvangrijk werk gedaan was, om niet alleen tramwegen te bezorgen, maar daarvan ook de buitenwijken, die nu zoo misdeeld zijn en blijven, in de toekomst te voorzien.
Na repliek van de Heer Willeumier, die evenwel inzag dat, wilde hij zijne verschillende beschouwingen voortzetten de tijd daarvoor te ver verstreken was, werden de beraadslagingen geachorscht en ging men over tot de (…….).

De werkzaamheden aan de ophoging tendienste van de in aanbouw zijnde brug over de Overtoomsche Vaart, welke onlangs, wegens geschil met de „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij" en de omwonenden, zijn gestaakt, zijn heden hervat. Er is een schikking met de gemeente Nieuwer- Amstel tot stand gekomen. Er wordt thans een langsaam oplopende helling gemaakt.

19-5-1890
Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd de stukken No. 283-286:
No. 283. De volgende amendementen van het Raadslid Dr. A. W. C. Berns:
I. Bij de voordr. sub n°. 238 in art. I sub B in te lassen de volgende lijnen: a. van einde Oostenburgergracht langs Nassaukade, Dapperstraat, van Swindenstraat (later Wijttenbaohstraat), met aansluiting aan de lijn Dam-Linnaeusstraat; — b. van einde Sarphatistraat voortzetting tot Muiderpoort en aldaar verbinding met de lijn Dam-Linnaeusstraat; - c. van Haarlemmerplein langs Nassauplem, Nassaukade en aldaar aansluiting aan lijn Dam -Lange Bleekerspad; — d. vau Nassaukade naar Westerstraat, Prinsengracht, Prinsenstraat, Heerenstraat, Blauwburgwal, Lijnbaansteeg tot N. Z. Voorburgwal en vandaar zowel aansluiting op de Prins Hendrikkade met de lijn Dam-Haarlemmerplein—Houthaven als aansluiting met den Dam.
II. Om aan de voordr. sub No. 238 aan art. 1 sub B toe te voegen, dat de Amst. Omnibus-maatschappij verplicht zal zijn, zodra de uitbreiding dor gemeente zulks zal vorderen en toelaten, op aanzegging van het gemeentebestuur, aan te leggen de navolgende lijnen : a. een verbinding van de iijn Leidscheplein—Concertgebouw met de lijn Amsteldijk—Govert Flinckstaaat, Stadhouderskade, Leidscheplein, die de Ruysdaelkade kruist en met de laatstgenoemde lijn, waar deze de Govert Flinckstraat verlaat, samentreft; — b. een verbinding van het uiteinde der lijn Leidscheplein—Overtoom, achter Vondel—Willemspark, hetzij met het uiteinde der lijn Leidscheplein—P. C. Hooftstraat, of met den zijtak van die bij het Concertgebouw; — c. een verbinding van de lijn Leidscheplein—Overtoom van het einde van de Overtoom langs de Kostverlorenvaart naar het Haarlemmerplein, aansluitende aan de lijn Dam—Houthaven, met de alsdan nodig blijkende vertakkingen, om het verband met de reeds bestaande lijnen daar te stellen.
No. 284. Het volgende amendement van liet Raadslid S. W. Josephus Jitta.
In Art. 18 pag. 211, in het midden, te doen vervallen de woorden : naar een der volgende grondslagen te berekenen, en verder te lezen: van zoveel malen de som, die door de maatschappij gemiddeld in de laatste 5 jaren, aan de naasting voorafgaande, boven het bedrag van 5 pCt. aan hare aandeelhouders is uitgekeerd, als het aantal jaren bedraagt, waarvoor de concessie, zo zij eerst met 1 Januari 1910 waren ingetrokken, nog aan de maatschappij zou verbleven zijn.
1°. en 2° te doen vervallen.
Toelichting. Ofschoon de gemeente, krachtens de thans vigerende concessie, bij naasting zich verbonden heeft zelve te exploiteren, is die beperking in de opnieuw te verlenen vergunning niet wenselijk en tegen het Gemeentebelang. De bepalingen van Art. 18 laten schijnbaar de keuze tussen gemeente-exploitatie en die door derden. — Schijnbaar, want de gemeente zal bij naasting onvermijdelijk tot eigen exploitatie moeten overgaan, omdat zij, kiest zij exploitatie door anderen, aangenomen dat de naasting 10 jaren het vervallen der concessie voorafgaat, allicht een gekapitaliseerd bedrag van 1 miljoen meer voor tantièmes zou hebben te vergoeden, hetgeen, zo die naasting 15 jaren het vervallen der concessie voorafgaat, wellicht 1½ miljoen of meer kan bedragen.
Bovendien — er bestaat geen enkele aanleiding, noch voor de gemeente, noch voor de aandeelhouders, om het bestuur het behoud zijner tantièmes te verzekeren, al geniet het een otium cum dignitate, en zulks te minder, omdat bij de uitkering van aandeelhouders, die tot grondslag strekt van de retributie aan de gemeente, die tantièmes zijn afgetrokken en de gemeente dus daarover nooit iets ontvangt.
No. 285. Voordr. om, naar aanleiding van een verzoek van den raad van beheer der Amst. Centraal Tramomnibus-onderneming, om de voorgeschreven weg, vermeld in art. 1 van het Raadsb. van 20 Nov. 1889, te wijzigen, en tevens te bepalen, dat het Waterlooplein een der aanvangs- en eindpunten zal zijn.
Art. 1 van eerstgemeld besluit wordt dus gelezen als volgt: “Het vervoer heeft plaats van het Waterlooplein langs de Heerengracht naar de Heerenmarkt, en langs de Keizersgracht in omgekeerde richting.”
De juiste plaats der aanvangs- en eindpunten zal door de Hoofdcommissaris voor de Gemeente-politie, namens B. en W., worden aangewezen.
(……)

De Gemeenteraad vergadert a. s. woensdag 21 Mei, 's nam. te een uur, ter behandeling van o.a.
238. Voortzetting der behandeling van de aanhangige Tramweg-aanvragen.

Ten gerieve van de bewoners der P.C. Hdoflatraat rijden daar thans een paar tram wagens op en neer om de passagiers vlak bij de barricade van de Heer Wente te brengen, vanwaar zij in een paar stappen de tram aan de andere zijde kunnen bereiken.

Gister middag heeft een twaalfjarige knaap zijn roekeloosheid zwaar moeten boeten. Op weg naar school zijnde, sprong hij in de Spuistraat op een tramwagen en liet zich. toen hij de conducteur zag naderen, op de hoogte van de Wijdesteeg er afglijden, doch viel daarbij en geraakte onder de wielen van een van de tegenovergestelden kant aankomende tram P. C. Hooftstraat, Toen de wagen stilstond en de knaap er onder vandaan was gehaald, gaf hij reeds geen teken van leven meer. Niettemin werd hij door de omstanders in allerijl naar het Binnengasthuis gebracht

20-5-1890
Naar aanleiding der kwestie tusschen den Heer Wente en de directie der A. O. M. over den toegang tot de P. C. Hooftstraat door de Hobbemastraat (Schapenburgerpad) is door B. en W. onder no. 287 eene voordracht voor de leden van den Raad ter visie gelegd, waarin zij omtrent deze zaak o. a. aanvoeren, dat, zoals bij de raad bekend is, het gedeelte Hobbemastraat, gelegen tussen de Vossiussstraat en de P. C. Hooftstraat, slechts voor een klein gedeelte, nl. van de laatste straat tot aan liet midden der oude sloot langs het Schapenburgerpad, een door de Gemeente aangelegde weg is. Het overige deel behoort aan de gezamenlijke eigenaars van het Schapenburgerpad, gedeeltelijk aan de A. O. M., terwijl eindelijk een gedeelte langs de bebouwing van de Heer F. H. Wente, door deze, toen die bebouwing plaats had, niet aan de gemeente is overgedragen, gelijk dit had behoren te geschieden.
Tot aanleg der lijn P.C. Hooftstraat had de A. O. M. haar rails gelegd over haar eigendom, maar daarbij tevens over het gedeelte van het Schapenburgerpad, hetwelk dat perceel scheidt van het gedeelte der Hobbemastraat, dat publieke weg is. Hier tegen kwam de Heer Wente als mede-eigenaar van liet Schapenburgerpad in verzet, en hij won zijn proces na langdurigen rechtstrijd. Woensdag jl. is hij er nu toe overgegaan de Hobbemastraat langs de grens van het Schapenburgerpad door een schutting af te sluiten.
Zolang er kans bestond, dat het tussen de Heer Wente en de A. O. M. na de rechterlijke beslissing tot een vergelijk zou komen, hebben B. en W. zich buiten deze zaak menen te moeten houden. Nu echter blijkt, dat de ongeregelde toestand aldaar het publiek verkeer belemmert en de kans, om in der minne de geregelden aanleg van dit gedeelte Hobbemastraat te verkrijgen, uiterst klein is geworden, geloven zij, dat het op de weg der gemeente ligt, voor de aanleg van dat gedeelte weg een onteigeningswet aan te vragen, te meer nu de A. O. M. zich heeft bereid verklaard, de daaruit voortvloeiende kosten te dragen.

Een metselaar is gisteren in een der stallen van de „Amsterdamsche Omnibusmaatschappij" tussen twee tramwagens beklemd geraakt en mt inwendige kneuzingen naar het gasthuis vervoerd.

21-5-1890
Met de kennis, welke wij van onzen gemeenteraad hebben, geloven wij wel, dat hij morgen pal zal staan tegenover de aandrang tot naasting van de Amsterdamsche Omnibusmaatschappij. Zulk een naasting kunnen wij ons alleen als geoorloofd voorstellen, wanneer in de toekomst de dienst zoveel mocht te wensen overlaten dat men er een ander mede wenst te belasten. Als wapen neemt het begrip: „naasten" dus in een concessie-voordracht een goede plaats in. Als middel tot exploitatie van gemeentewege mist het voor ons alle aantrekkelijkheid. Voor gemeentelijke exploitatie hechten wij nog altijd aan den eis, dat een zaak van algemeen belang moet wezen, tot de levensvoorwaarden moet kunnen gerekend worden en niet zó goed als door de gemeente door particulieren zou kunnen uitgevoerd worden. Van dat alles zien wij in een tramonderneming zeer weinig. Voor driekwart is ze een zaak van gemak, dus van weelde, gelijk de volle trams op mooie dagen tegenover de ledige rijtuigen bij slecht weer bewijzen. Onmisbaar is ze volstrekt niet, want er zijn er duizenden in de stad die best kunnen leven zonder haar, en overigens kan naast elke tram een tramomnibus lopen, die ons bijna evengoed en op asfalt zelfs beter vervoert. Voor de mening, dat de gemeente beter zou exploiteren — als 't daarmee al alleen te winnen was — moet het eerste bewijs nog geleverd worden. O, er zijn utopieën genoeg dienaangaande! Men spreekt van lage prijs, van lijnen naar alle richtingen, van werkmanstreinen, van goederenvervoer ‘s nachts, maar op die wijze is er geen enkele tak van dienst of de gemeente zou hem beter kunnen vervullen, want zij mag geen winst behalen op hare ondernemingen en kan dus alles, wat een ander nodig heeft om te kunnen blijven bestaan, tot verbetering van haar dienst aanwenden. Langs die weg komen wij geheel en al in de socialistische staat terecht. Zover is 't gelukkig nog niet. We zien nog het onderscheid in tussen dingen, die naar hun aard tot de gemeente behoren, en andere, waarin wij het particulier initiatief huldigen en het blijven huldigen, ook al blijkt dit nu eens een gelukkigen greep gedaan te hebben, — liever zeker dan een onredelijk en onzedelijk onderscheid te gaan maken tusschen de ondernemingen, die men, omdat ze goed gaan, wèl wil, en andere, welke men een min of meer zwak bestaan laat voortsleepen. De gemeente-exploitatie te willen omdat men „genoeg heeft van concessiën", is een bijna grappig argument. Ja, wanneer men zó vreesachtig en zenuwachtig is als de raad in de laatste jaren is geworden, dan is concessies maken een lastig ding. Dan: doet men alles in overhaasting, dan laat men zich verrassen, dan bederft men met éen enkel amendement een geheel stelsel. Maar wanneer men als vroede mannen bijeenzit, zijn verstand en zijn geweten raadpleegt en de billijkheid betracht, dan kan men toch een stormpje van buiten gerust afwachten. Wat de morgen te behandelen concessie aangaat, delen wij niet de mening, dat zij à prendre ou à laisser is. De raad staat er even vrij tegenover als tegenover alle andere concessies.

De passage in de Hobbemastraat naar de P. C. Hooftstraat trad vandaag weer een nieuwe phase in. Het Schapenburgerpad is weer te voorschijn gebracht, voor zover het bedolven was onder de hoogte, waarover de tram reed. Nu het bleek, dat met de A. O. M. geen schikking te treffen was, heeft de eigenaar van dat gedeelte, de Heer Wente, last gegeven de verhoging weg te graven en de weg gelijk te maken met het overige gedeelte van het pad. Van morgen om zeven uren is men, onder toezicht van een deurwaarder en twee getuigen, met die weggraving van den grond aangevangen, en sedert ging men rustig zijn gang. Tegelijkertijd is de in de schutting gemaakte opening, voor voetgangers ook afgesloten, zoodat het publiek zoowel te voet als per as van de weg over de Hobbemastraat verstoken is. Hoelang dit zal duren is moeilijk te bepalen. Wordt er tussen partijen geen schikking — en daartoe bestaat nu weinig kans meer — getroffen, dan zal het publiek nog lang de dupe zijn van dit geschil, want eer al de formaliteiten; aan een onteigeningswet verbonden, vervuld zijn, kan er nog heel wat water in de zee loopen.

De Raad van Bestuur der Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij heeft zich per adres tot de Gemeenteraad gewend met de bemerking, dat in het rapport der tram-commissie aan hun Maatschappij, waar het geldt de reorganisatie van het openbaar personenvervoer in onze stad, zo goed als geen plaats is ingeruimd en van haar zelfs met geen enkel woord wordt gewaagd.
Toch lag in de vergunning, haar bij Raadsbesluit van 29 Mei 1889 verleend, tot het exploiteren van tram-omnibussen langs door haar opgenoemde wegen, de erkenning opgesloten, dat zodanig vervoermiddel nevens de tramdienst der A. O. M. reden van bestaan had.
In die onderneming is een belangrijk kapitaal gestoken; zij werd algemeen toegejuicht, en niemand zal tegenspreken, dat zij op bevredigende wijze in de behoefte, die haar deed ontstaan, voorziet niet alleen, maar dat haar optreden ook indirect een betekenende invloed heeft uitgeoefend op het openbaar verkeer binnen onze stad in het algemeen.
Door de thans aanhangige voorstellen in zake de tramregeling acht de adressant het voortbestaan van het door hem tot stand gebrachte ernstig bedreigd, en nu is wel geen opzegging door de raad geschied, maar de gevolgen van het verlenen der concessie voor tram-aanleg aan de A. O. M., zoals thans is voorgesteld, zullen voor een groot —en wel het beste — deel en daardoor voor het geheel hunner lijnen niet veel verschillen van die van een opzegging. Op de gronden, nader in het adres ontwikkeld, verzoekt de Raad van Beheer het volgende aan de Gemeenteraad:
1°. dat in de concessie, aan de A. O. M. te verlenen, niet wordt opgenomen enige lijn of gedeelte van een lijn, die door adressanten wordt geëxploiteerd of tot welker exploitatie haar vergunning is gegeven ; —
2°. dat, zo de raad mocht beslissen, dat het algemeen belang vordert de tramaanleg in die stadsgedeelten, welke in de aan hen verleende vergunning zijn begrepen, dan ook aan de Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij even goed als aan de A. O. M. de gelegenheid opent om daarvoor concessie te erlangen; en
3°. dat zo niettemin wordt besloten de door hen geopende en winstgevend gemaakte lijnen aan de A.O.M. te gunnen, deze dan ook tevens verplicht wordt de door ondergetekenden vertegenwoordigde Maatschappij behoorlijk schadeloos te stellen, minst genomen door overname van de door haar ten behoeve daarvan gestichte gebouwen en aangeschaft materieel en vergoeding der voor zodanige lijnen gedane uitgaven.

De Heer T. Sanders heeft aan de Gemeenteraad een adres gericht waarin hij, na kennis genomen te hebben van het protest, dat door de hh. De Vries, Serrurier, Bake, Sillem, Van Nierop en Van Bosse, allen leden der tramcommissie, in de Raadszitting van 14 Mei jl., tegen zijn beschuldiging is uitgebracht, verklaart geheel te handhaven zijn beschuldiging in haar gehele omvang en in ieder onderdeel. Aan de waarheid zijner beschuldiging wordt — meent de Heer Sanders — niets toe- of afgedaan door de mededeling, dat de leden der commissie zich, hetzij geheel of gedeeltelijk, solidair verklaren met de Voorzitter, wiens aansprakelijkheid daardoor niet wordt verminderd.
Hij heeft, op de bladzijden 30 en 31 van zijn brochure, zakelijk medegedeeld de inhoud van het onderhoud van 19 Februari 1889, hij zegt daarin duidelijk, dat de Voorzitter hier het standpunt der commissie weergaf. Of daarbij nog andere leden der Commissie, behalve de Voorzitter tevens tegenwoordig waren, doet niet ter zake, omdat de inhoud van dit onderhoud slechts belang heeft voor het verband der gevoerde besprekingen, maar niets te maken heeft met de beschuldiging zelve. Even onverschillig acht de Heer S. het welke opdracht, welke hem, zooals de commissie terecht zegt, onbekend was, de Voorzitter, tot het voeren van een deel der onderhandelingen, heeft ontvangen, omdat hier slechts sprake kan zijn van het mandaat, door de Raad aan de Commissie verstrekt. Het protest der commissie weerlegt z. i. geen enkele beschuldiging; het zoekt achter zijn woorden verdachtmakingen, die hij er niet in heeft willen leggen, en die het niet nodig is er achter te zoeken omdat zijn beschuldiging aan duidelijkheid niets te wensen overlaat en dat de zakelijke bewijzen niet ontbreken, zo min bij dit als bij enig ander onderdeel. Eerst door weerlegging van deze bewijzen zal zijn beschuldiging zijn ontzenuwd. De commissie heeft dit tot heden niet gedaan. Zij verklaart zich alleen bereid dit, zo nodig, te doen. Nu komt het de Heer Sanders voor, dat de verklaring der commissie, dat zij in staat is zijn beschuldiging te weerleggen, reeds de noodzakelijkheid daartoe inhoudt, want waar hij aau zijn beschuldiging steeds onmiddellijk de bewijzen heeft toegevoegd, meent hij in deze zaak, die, om haar algemeen belang, terecht de publieke belangstelling heeft opgewekt, het recht te hebben ook de gronden te mogen vernemen, waarop de commissie zijn beschuldiging onwaar noemt.

De Tramkwestie.
Vanwege de kiesvereenigingen „Amsterdam", „de Unie" en „Algemeen Belang" was gisteravond in het lokaal Plancius eene openbare vergadering belegd, waarin de Heer P. L. Tak spreken zou over de voordracht van B. en W. in zake de Tramconcessie. De vergadering was slechts matig bezocht en het bureau liet lang op zich wachten, zoodat het auditorium tegen kwart voor negenen teekenen van ongeduld begon te geven.
De Heer Treub leidde de vergadering en opende haar met een toespraak over de toestand, waarin men zich tegenover de nu andermaal te verlenen Tramconcessie bevond en waardoor aan de besturen, die deze vergadering hadden belegd, het wenselijke eener openbare bespreking was gebleken. Hij merkte verder op, dat, daar in de voordr. van B. en W. geen enkel woord over „naasting" werd gesproken, een punt van zo hoog belang, het beleggen van deze vergadering waartoe reeds vroeger was besloten, maar die door allerlei omstandigheden was uitgesteld, een eis van de dag was.
Tegen negen uur betrad de Heer P. L. Tak het spreekgestoelte en leidde met een terugblik op de geschiedenis der tramkwestie zijn onderwerp in. Hij wees daarbij op de belangrijke brochure van de Heer Sanders en de onvermoeiden ijver, door het dagblad De Amsterdammer in de zaak der tramconcessies aan den dag gelegd, en deed voorts opmerken, dat, wanneer deze voordr. werd aangenomen, de zaak weer voor lange tijd zal blijven zoals die thans is. Hij maakte er de Omnibus-Maatschappü geen verwijt van, dat zij haar voordeel had beoogd en nog beoogde, maar waar het nu bleek, dat noch het D.B., noch de commissie, in wier handen de zaak gesteld was, tegen de Mij. waren opgewassen, daar moest een andere weg worden ingeslagen tot verbetering. Hij ging nu na hoe de Mij. zowel in de regeling van het tarief als het aanleggen van lijnen steeds de belangen van het publiek had voorbijgezien en het hare op den voorgrond gesteld, zodat Amsterdams ingezetenen duur hadden gereden en niet daar waar zij heen wilden. Het D. B. had om den wille van die maatschappij met de concessie-aanvragen (van) Sanders en Bos gespeeld als „de kat met de muis." Alle concurrentie was immers uit den boze en de A. O. M. was volgens het D. B. alléén in staat Amsterdam op het gebied der tramwegen te bedienen (applaus). De geschiedenis der eerste concessie aan de A. O. M. werd nu nog eens nagegaan en herinnerd hoe toen reeds vele leden van mening waren, dat bij die concessie niet de belangen der gemeentenaren waren behartigd, en er werd tegen een zo lang te verlenen concessie aan de A. O. M. ernstig gewaarschuwd. Het systeem van de Stedelijke Regering om aan de burgerij een progressieve belasting in den vorm o. a. van veel te hoog betaalde tramkaartjes op te leggen heeft echter gezegevierd. In bijzonderheden toonde hij aan hoe die tarieven waren geweest in het nadeel der burgerij en hoe ook in de nu ontworpen concessie het beginsel der vaststelling van het tarief bleef gehandhaafd, en hoewel dit nu om den wille der concurrentie was verminderd, moest juist blijken hoezeer de burgerij door dat primitieve tarief werd bezwaard en hoe het nu ook reeds voor de nieuwe concessie wel een cent per kaartje weder was verhoogd.
Spr. besprak verder de uitbreiding van het tramwegnet. Hierbij schijnt door de commissie, naar zijn oordeel, geen rekening te zijn gehouden met de steeds toenemende uitbreiding der gemeente. Althans: bepalingen hieromtrent komen in het rapport niet voor, hetgeen — wanneer de Mij. goed blijft oppassen, en dat zal zij bij een zo gunstige concessie zeker wel blijven doen — deze concessie tot een eeuwigdurende zal maken. Zeer bedenkelijk is dit voor de later vereist wordende lijnen, die, wanneer zij aan de A. O. M. gunstig voorkomen, wèl zullen worden aangelegd, maar dan ook zonder enige risico, en bij het toenemend verkeer toch een aardig voordeeltje zullen opleveren.
De inleider bepaalde zich verder tot een beoordeeling van de richting, welke bij de behandeling der tramkwestie in de Raad had gedomineerd. Men had in het voorstel Heineken c. s. een toegestoken. hand tot redding uit de minder gunstige toestand moeten zien, maar men weigerde zelfs een uitstel van behandeling, omdat men haast had om de zaak op de oude grondslag te beslissen. Spr. noemde dit een staaltje van de weinige bedaardheid en rustigheid, die bij de discussie had voorgezeten en waarnaar contracten als de onderhavige moeten worden behandeld. Hij stond nog eens uitvoerig stil bij het denkbeeld van .„naasting," en hoewel er in ons land nog geen voorbeeld van was gegeven, had men in het buitenland, m. n. te Frankfort, er de gunstige gevolgen reeds van ondervonden. Maar in plaats hiervan had men hier de belangen van Amsterdam met die der A. O. M. zó vereenzelvigd, dat de pogingen van een man als Sanders, nu tien jaren in het werk gesteld, om Amsterdam van een betere tramverbinding te voorzien, met minachting en onrechtvaardigheid waren bejegend, hetgeen spr. door voorlezing van enige citaten uit Sanders' brochure staafde (applaus). Uit een en ander bleek hoe de invloed van een machtige concessie is in het nadeel van de zelfstandigheid van een gemeente, en spr. eindigde met zijne overtuiging uit te spreken dat deze concessie in lijnrechte strijd was met de belangen der ingezetenen van Amsterdam (langdurige toejuiching).
Na deze inleiding werd gelegenheid gegeven tot debat.
Door de Heer Mr. Calisch werd hiervan het eerst gebruik gemaakt.
Na een philippica aan het adres van de raad, en speciaal van hen, die in de jongste vergadering tegen het uitstel der zaak hadden gestemd, noemde hij het voorts in strijd met de waardigheid van de Gemeente om te onderhandelen met iemand (in casu de A. O. M.), die niet onderhandelen wil, en het was bovendien beneden de waardigheid van de Gemeente om zich door een vennootschap te laten bevelen. Spr. ging nu in enige bijzonderheden verschillende bepalingen der concessie na, en onderwierp die, voor zover het in deze de verplichtingen der A.O.M, betrof, aan een scherpe kritiek. Hij deed daarbij uitkomen, dat ook in de concessie door de raad, die toch slechts te bevelen, en de A. O. M., die zich daarnaar te gedragen had, iedere waarborg voor de beambten der Maatschappij wordt gemist; tegenover een Mij. die bij al de pluimpjes, die men haar in de laatste tijd op de hoed had gezet, nog deze pluim verdient dat zij zelfs zo goed voor hare beambten zorgt, dat de invordering der belasting geen moeite geeft met haar ambtenaren, want ze betaalt het zelf uit de kas (gelach en applaus)! Spr. trad nu nogmaals in enige beschouwingen over de discussies in de jongste raadsvergadering. Er waren wel argumenten aangevoerd, maar geen enkel werd door bewijzen gestaafd. Ja, zelfs het argument van de Heer van Nierop, dat een stadspaard altijd duurder is dan een trampaard, en het andere van de Heer S. Jitta, dat de mensen, wanneer het zo goedkoop werd, later nog goedkoper zouden willen rijden, sneden geen hout.
Dit zei de spr. omtrent het gehalte der argumenten, en hij vroeg verder de verg. of men met zulke argumenten, en dan nog wel in de Gemeenteraad, een ernstige zaak mocht afmaken ? Vooral ook de argumenten van de Heer S. Jitta onderwierp spr. aan een scherpe kritiek. Het tarief vond die spr. immers zeer goed, al was 't ook dat dit voor de korte lijnen, ook naar zijn inzien, wel wat hoog was. Deze spr. bezigde daarvoor dit argument: „Ik heb geen sympathie voor mensen, die geen korte afstand willen betalen", en wat de gemeenteexploitatie betrof: „ik ben een onverbiddelijk tegenstander van gemeente-exploitatie, hetgeen veel te veel beslommering geeft en in strijd is met de gemeentewet!" Spr. eindigde zijn beschouwingen met de aanneming der voordr. ten sterkste te ontraden, want dat naasting alle aanbeveling verdiende.
Ja, eindigde spr., zelfs het Handelsblad is er voor, maar zoals gewoonlijk, wanneer het er eindelijk vóór is.... Nu nog niet (gelach)!"
Na hem sprak nog de Heer Andriessen voor de voordr. en trachtte de argumenten, door de Heer Calisch aangevoerd, te ontzenuwen. Hij wenste de concessie eerst aangenomen te zien alvorens tot naasting over te gaan. Eerst de concessie en dan de naasting, zoals de Heer Mr. De Vries reeds in de raad had aangevoerd. Het kwam spr. voor, dat ook de voorstanders van gemeenteexploitatie eerst de voordr. moeten aannemen om dan een voorstel tot naasting in te dienen.
De Heer Sanders, aan wie thans het woord werd gegeven, verklaarde zich een heftig bestrijder van alles wat naar monopolie geleek, vooral wanneer het uitgaat van partijbelang. Het is een wegschenken van het algemeen belang en het binden van het openbaar verkeer op een wijze, die ongeoorloofd is en die het belang van het publiek met miljoenen zal benadelen. Er zijn slechts twee wegen in deze: naasting of concurrentie. Hierdoor komen de voordelen aan de burgerij. Dat concurrentie nuttig is, bleek dezer dagen, nu een kleine Maatschappij hare tarieven lager heeft gesteld; daardoor is aan de A. O. M. de schrik om het hart geslagen en heeft ook zij haar tarieven verminderd. Volgens spr. kan dan ook deze voordr. niet anders dan verworpen worden. Hij zou zijne concessie dan ook handhaven met al de middelen, die hem ten dienste stonden, en daarom is door hem ook de bekende brochure geschreven, waartegen in de laatste raadsvergadering protest is ingediend. De beschuldigingen, daarin geuit, zou spr. handhaven tot het laatste toe en ze verdedigen met al de middelen, die hem ten dienste stonden.
De Heer Heineken, lid van de commissie voor het adres, deed uitkomen, dat daar, waar aan de commissie voor de Trarmconcessies tijd gegeven was van November '88 tot nu voor enige weken om haar rapport gereed te maken, het een onbiliijkheicl was geweest om aan een andere commissie — waartoe spr. behoorde — geen vier weken ter voorbereiding van haar verdediging te gunnen! Maar wat was dan de oorzaak ? Wel, de Heer De Vries, die altijd heftig tegen het recht van voorkeur zich had verklaard, was van opinie veranderd, en toen moest, in verband daarmede, plotseling de concessie in dezelfde vergadering behandeld en afgehandeld worden! Maar dit was toch niet gelukt. Gelukkig komt zij Woensdag weer aan de orde en, zeide spr. met verheffing van stem, „wij zullen die met alle kracht, die in ons is, bestrijden en ons voorstel verdedigen (langdurig applaus)!"
Spr. herinnerde, dat hij jaren lang zitting in den Raad had en alle concessies had helpen (….) maken. En altijd had het hem gehinderd, dat de kracht dier concessies hierin gelegen was, dat er winst moest behaald worden. Winst, zooals men zich die in zodanige omstandigheden voorstelt. Hij besprak, in verband daarmede, de nu hangende concessie en ging na hoe de gemeente bij eventuele latere naasting of overdracht van een andere concessie het dubbele aan de A. O. M. zal moeten betalen van nu, en keurde het zeer af en beneden de waardigheid van een Gemeentebestuur om de tantièmes ook als grondslag voor de bepaling der naastingsom te maken.
Ten slotte besprak hij nog de argumenten, die tegen zijn voorstel door verschillende sprekers waren ingebracht, en beriep zich ter bestrijding daarvan op zijn langdurige ondervinding als lid van de raad, om aan te tonen, dat de nieuwe concessie, die B. en W. thans voorstellen, geen voordelen geeft aan de Gemeente, maar wel alle voordelen aan de A. O. M.
(…….)
Ten slotte besprak spreker de concessie-aanvragen Sanders en Bos in 1880. Wanneer men toen het belang der gemeentenaren beter begrepen had dan had men nu reeds tien jaren de verbindingen gehad, die men nu nog immer mist. Hij eindigde met zijn houding in zake de gasconcessie en duinwatermaatsehappij toe te lichten en concludeerde, dat men met het geven van dergelijke concessies daarbij ook een vorm moest geven aan de wijze van uitvoering. Nog meende hij te moeten releveren, dat men bij eventuele naasting de exploitatie niet moest opdragen aan P. W., want dat was slechts een verzending, gelijk spr. op vermakelijke wijze (onder toejuiching der aanwezigen) aantoonde, van het ene bureau naar het andere.
Onder dankzegging aan de aanwezigen meende hij aan het voorafgaande nog te moeten toevoegen, dat de zaak eenvoudig genoeg te behandelen was, als men maar een bekwaam directeur vond met een commissie van toezicht; dan geloofde spr., dat dit beheer voor gemeente-rekening op een eenvoudige wijze kon gevoerd worden.
De Heer H. H. Timmer lichtte nog een en ander nader toe, verenigde zich in vele opzichten met wat de Heer Heineken had gezegd en verklaarde zich dus ook voor gemeente-exploitatie. De druk der belastingen zou er door verminderen, afgezien nog van meerdere voordelen, die een en ander zou opleveren. Daar het omstreeks half twaalf uren was geworden sloot de Voorzitter de vergadering.

GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 21 Mei 1890 (1 uur). Voorzitter, de Burgemeester Mr. G. van Tienhoven. Tegenwoordig 32 leden. Afwezig de heeren: Van Bosse, Heemskerk, Hovy, H. S. van Lennep, Moltzer en De Vries van Buuren. Na voorlezing van het gebed heropende de Voorzitter de jl. Woensdag geschorste vergadering, en deed mededeling der volgende sedert ingekomen stukken:
Adres van van de Raad van Best. der Amst. Tram-Omnibusmaatecbappü. met verzoek dat in de concessie aan de Amst. Omnib.maats, niet wordt opgenomen enige lijn of fractie van een lijn, die door hem wordt geëxploiteerd of tot welker exploitatie vergunning is verkregen, enz. Te behandelen bü de voordr.
Id. van T. Sanders, verklarende, naar aanleiding van liet protest, door de leden der tram-commissie in de raadsvergadering van 14 Mei jl. tegen zijn beschuldigingen ingebracht, deze in hun gehele omvang en in leder onderdeel te handhaven. Kennisgeving.
Id. van A. C. Schroot c. s, verzoekende bij het verlenen der tramconcessies verplichtend te stellen, de in het het amendement van het Raadslid Mr. Alting Mees c. s. bedoelde lijn Amsteldijk, Sarphatipark, Ferdinand Bolstraat, Stadhouderskade (-angs bet Rijks-Museum), Leidscheplein. Te behandelen bij de voordr.

23-5-1890
Door de „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij" is bij B. en W. een plan ingediend om de lijn P. C. Hooftstraat om te leggen naar de ingang :van genoemde straat. Als dit plan wordt goedgekeurd, kan dus spoediger dan door het tot stand komen van een onteigeningswet kan geschieden, aan de onhoudbaren toestand, door het afsluiten van de Hobbemastraat veroorzaakt, een einde komen.

Gemeenteraad
Vervolg der zitting van Woensdag 21 Mei. De Raad ging daarna over tot de voortzetting der behandeling van :
Ho. 238. Rapport van de Commissie uit den Gemeenteraad in zake de aanhangige TRAMWEG-AAN VRAGEN, met de naar aanleiding van die voordracht ingediende amendementen, voorstellen en adressen.
(………………………..)
De heer Heineken opende de beschouwingen over de aanhangige voordracht. In een brede terugblik op de geschiedenis van deze zaak deed hij uitkomen hoe de illusies van een jong ingenieur, waarom toen schouderophalend gelachen werd, thans door dezelfden, die ze toen met minachting bejegenden, worden aangegrepen om ze in de praktijk te brengen
Er is een tweede punt waarover thans de geschiedenis uitspraak heeft gedaan: de kwestie van het tarief. De verandering ligt niet in het doorzicht van de tegenwoordige concessionaris, maar het blijkt, dat hij heeft gefaald door het niet vroeger te doen, want nu is door het toenemend vervoer gebleken, dat een dergelijke vermindering van inkomsten inderdaad een belangrijke vermeerdering van inkomsten is geweest. Hij wees voorts op het adres van de Amst. Tram-Omnibus Mij., waaraan hij als concurrent een lang leven toewenste, al deed het hem leed, dat zij geen krachtiger concurrent is tegen de A. O. M. Deze zal, als zij deze laatste blijft hinderen, wel zorgen, dat zij verdwijnt, en dan staat te vrezen weer een hoger tarief. Wel is 't nu, dank zij de concurrentie met de Tram-Omnibus-Maatschappij, op 6½ cent gebracht, maar met het oog op de nieuwe concessie wordt reeds nu voorgesteld het tot 7½ cent te kunnen opvoeren.
Spr. schetste hoe de algemene denkwijze over de voordr. zich gevoegelijk in drie zienswijzen liet splitsen. Er waren er die overtuigd waren dat de nieuwe toestand niet goed is; anderen dat de oude echter ook niet goed was, weer anderen maar die van oordeel zijn: een nieuwe zal verbetering brengen in de oude. Dit is over 't algemeen het gevoelen zonder dat zij, die buiten de tram-commissie stonden — ook spr. en zijne mede-voorstellers — op de hoogte zijn, omdat de ware cijfers der A. O. M. wel aan de Tramcommissie zijn bekend gemaakt, maar niet, wat toch meer dan billijk en dringend nodig was, aan alle leden van den Raad.
Spr. vreesde dat men straks, bü de voortzetting van de deliberaties - zoals in de vorige vergadering — elkaar wel met cijfers zal doodgooien, zonder dat men voldoende op de hoogte is van de portée er van. Daarop trad spreker in een tal van financiële beschouwingen en becijferingen, en vergeleek daarbij de oude en nieuwe concessie om te komen tot het antwoord op de vraag: wat onder dezelfde omstandigheden onze rechten zijn? Volgens hem was dit niet twijfelachtig, want de naastingvoorwaarden van de nieuwe concessie zijn veel nadeliger dan van de oude. De oude krijgen wij wanneer wij betalen de eigendommen van de Mij. en een premie. Daartegen wordt nu gesteld het bedrag van den kapitaal-staat met een zekere afschrijving en weer een premie. Volgens het oordeel nu van spr. en van zijne mede-adressanten, is die kapitaalstaat fictief, wat spreker met voorbeelden en cijfers aantoonde. Hij legde daarbij over een berekening van de rails, en om de Heer S. Jitta gerust te stellen dat het officieële rapporten waren, kon hij mededeelen, dat het rapporten zijn van de Rotterdamsche Tram-Maatschappij. Volgens die rapporten zou, wanneer b. v. het lijnmaterieel voor een eventuele naasting op de basis van Rotterdam was gebracht, slechts zijn ƒ1,600,000, terwijl het nu op den kapitaal-staat is uitgetrokken to. ƒ1,627,240.47. Eveneens was het met de stallen en gebouwen, die te zamen voor ƒ367,700 waren uitgetrokken. Ja! zelfs de stal op de Stadhouderskade stond genoteerd voor f 121,000. Spr. vroeg „hebben we hier met paleizen of met stallen te doen?" En wanneer nu de electriciteit in de toekomst ook op de trams wordt toegepast, zullen de paarden vervallen en zal er een stalruimte van 4600 M2 vrij komen, en wat dat voor een verandering in de gehele toestand van de tram-exploitatie zal teweegbrengen, kunnen zij zich voorstellen, die zich herinneren wat een verandering het was toen de omnibussen in trams werden veranderd.
Verder zijn becijferingen voortzettende, deed hij uitkomen, dat het eindcijfer van de kapitaalstaat was ƒ2,200,000 en niet, zoals in een vorige vergadering, door de Heer Van Nierop was gezegd, 4 miljoen. Hetzelfde gold omtrent de exploitatierekening. Daaromtrent ontbreken evenwel alle gegevens. Ook de tram-commissie had ze niet ter inzage gekregen, althans in haar rapport wordt er geen melding van gemaakt.
De Rotterdamsche Tram-maatschappij was in dat opzicht veel vrijgeviger, maar hier moeten we ze door vergelijkingen trachten te verkrijgen. Spr. gaf daarop een serie van cijfers, zooals hij die in de kapitaal-staat had aangetroffen over verschillende jaren, en nu mocht hij misschien in sommige opziohten gefaald hebben, maar hij had de zaak deugdelijk onderzocht, en het was hem gebleken, dat niet volgens een vroegere beschouwing van de HeerDijkmans de winst was 40 pCt, maar 70 pCt. Men zou dus nu komen tot het standpunt van den Heer Jitta in 1876 die toen gezegd hoeft: dat de Omnibus-Maatschappn een netto winst zou opleveren van 60 pCt. Het cijfer door spr. verkregen komt daarmede nu vrijwel overeen, tegen naasting bestaan dus niet zoveel bezwaren als men het heeft willen doen voorkomen, want waar zoals later gebleken is, een zuivere winst wordt behaald van 57 pCt., daar kon inderdaad best een Raadhuisstraatje op overschieten! Naast de gemeente, zodra de nieuwe concessie is aangenomen, dan is — zegt men — de gemeente van voordeeliger conditie. Met nieuwe becijferingen toonde hij dat aan en wat verder de voorstellingen die men van een exploitatie door de gemeente had gegeven. De onjuistheid van vele cijfers sprongen daarbij in het oog. Men had o. a. gesproken over de paarden en er de vergelijking bij gemaakt, dat stadspaarden duurder van onderhoud zijn dan trampaarden. Spr. weet 't niet of zij meer eten dan andere, maar hij zou er tegen aanvoeren : ..onze directie eet zoveel minder en behoeft geen ƒ6o,ooo per jaar aan honorarium. Zooals de tram-maatschappij nu is ingericht, hebben we aan éen directeur genoeg, en die zal ons geen ƒ60,000 kosten.
Op deze en nog andere gronden bepleitte spr. d» naasting door de gemeente van de tram. Hij verontschuldigde zich dat hij reeds veel te lang van het geduld zijner medeleden had gebruikgemaakt, maar de zaak is te belangrijk, en spr. deed zichzelven de vraag: „heb ik bewezen dat wij een financiële dwaasheid zouden doen, en wanneer wij dit doen dan konden wij alleen tot gemeente-exploitatie overgaan. Maar dit kon hij wel zeggen, dat wij een financiële dwaasheid zouden begaan als wjj deze concessie aannemen, en mocht de naasting niet worden toegepast dan wordt ze ook hier in principe uitgesloten. Hü althans en zijne medevoorstellers zouden er vóór stemmen, en, zoo eindigde spr.: „wanneer wij in de minderheid blijven dan zal men van ons niet kunnen zeggen dat wij geen geestkracht hebben gehad om de regeling van de beweging in onze gemeente wel in eigen hand en niet in die van een ander te hebben."
De Heer Heemskerk was niet voor naasting, en wenst van regeringswege het vervoer in de gemeente vrij te laten. Onder de condities tot naasting behoorde ook, dat, wanneer de gemeente tot naasting overgaat, zij er voor altoos aan gebonden is, en nu zou het kunnen gebeuren, dat zij op een ogenblik dat het haar ging vervelen weer met de hoed in de hand bij de A. O. M. zou moeten komen, en dan kan het wel zijn, dat er een groot proces van schadeloosstelling het gevolg van was. Maar — vroeg spr. — als men aan eenmaal gaat naasten, omdat iets een goede affaire is, waarom naast men dan niet de Duinwaterschappij, de gasfabrikatie, de telefoon, ja zelfs de bierbrouwerijen die zijn immers ook nuttig en goed (algemene hilariteit). Spr. was dan ook tegen gemeente-exploitatie hoe. wel hij zich aan de anderen kant niet kon verenigen met het recht van voorkeur aan de A O. M. gegeven, waardoor men steeds aan handen en voeten gebonden is.
Men moest zich dan, heette het, in de voordracht niet inlaten met een algemeen tramstelsel. Men had aan de A.O.M. een algemeen tramnet moeten voorleggen, dan was dat recht van voorkeur althans gebroken. Hij kon dan ook niet goedkeuren, dat het mandaat van de commissie zo beperkt was, en daardoor was aan de A.O.M. tegenover de anderen een voorrang gegeven. Van dat standpunt moest men af, en kwam men daardoor van de omnibus-kwestie nu niet af, ook door de aanneming van deze voordracht kwam men van de kwestie óok niet af. De commissie had dus om een ruimer mandaat moeten vragen, en spr. geloofde dan ook dat er geen andere oplossing te vinden was dan thans de voordracht te verwerpen en ………… moest er dan nog wat bij, welnu, een uitnodiging om de zaak nog eens te onderzoeken (hilariteit), waarop de spr. antwoordde ,ja mijne heeren! ge lacht, maar op die wijze wordt de zaak toch ook niet opgelost, en er is dus, daar blijf ik bij, op dit oogenbiik geen andere uitweg dan de voordracht te verwerpen en ons op een geheel vrij onbevangen standpunt te begeven."
De Heer Dijkmans verklaarde zich op de vroeger reeds door hem aangevoerde gronden voor de voordracht.
Door de Voorritter werd voorgesteld om de discussies óf heden avond óf morgen voort te zetten.
De Heer Gerritsen stelde voor — daar de Heer Heineken cijfers heeft overgelegd — ook door de commissie de cijfers aan de voorstellers zouden worden verstrekt, anders kon men de zaak niet door vergelijking beoordelen.
De Heer Mr. J. C. de Vries kon op dit ogenblik hieromtrent niet beslissen, maar moest eerst overleggen met de leden der commissie. Overigens zou hij het betreuren, indien de zaak weer acht dagen zou worden uitgesteld. De Heer Gerritsen stelde nu voor de commissie uit te nodigen de cijfers over te leggen, waarop de redeneering van den Heer Van Nierop in de vorige vergadering gebaseerd was. Na eenige gedachtenwisseling hierover, — waarbij de bedenking werd gemaakt in hoeverre de commissie gerechtigd zou zijn, alvorens een definitief besluit in dezen was genomen, deze cijfers te publiceren — werden de discussiën geschorst, en de vergadering verdaagd tot (Donderdag) middag t» éen uur.

Zitting van Donderdag 22 Mei 1890, 1 uur.
Voorzitter de Burgemeester, Mr. G. van Tienhoven. Na de heropening der gisteren geschorste zitting, stelde de Voorzitter de verdere behandeling van het rapport der Raadscommissie in zake de aanhangige tramweg-aanvrage aan de orde.
Hij gaf hiervoor het eerst het woord aan de Heer Treub die, na zijn dank betuigd te hebben voor het verstrekken der gisteren gevraagde cijfers van de Commissie, een vergelijking maakte tusschen art. 15 en art. 18 van de beide (oude en nieuwe) concessiën, betrekking hebbende op de voorwaarden van overneming van de tram door de Gemeente.
In het art. van de bestaande concessie was duidelijk bepaald, dat bij intrekking van de concessie of bij overneming niet meer zou worden vergoed aan de A. O. M., dan de werkelijke waarde, welke gebouwen, materiaal enz. alsdan zouden hebben.
Het art. van de nieuwe concessie daarentegen spreekt niet van „eigendommen" en hunne werkelijke waarde, doch heeft ook opgenomen de vergoeding voor uitgaven welke niet gedaan zijn aan werkelijke bezittingen van de Maatschappij. Dat staat wel niet zo in het betrekkelijke artikel, maar is er blijkens de toelichting en blijkens andere bepalingen van de concessie toch de bedoeling van. Op deze wijze zijn ten onrechte op de kapitaalstaat gebracht de som van ƒ 1,500,000 voor uitgaven aan werken van de stad. Zo enige dan zal deze bepaling bij aanneming van de concessie aanleiding tot processen kunnen geven.
Spr. herhaalt dat in dit opzicht het oude artikel beter was, daar hierin allerduidelijkst bepaald was dat generlei uitgaven het verkrijgen van de concessie vergoed zouden worden bjj intrekking of naasting door de gemeente.
Bij de bestaande concessie wordt teruggave hiervan toegestaan. Reeds daarom acht spr. het aannemen van deze concessie verwerpelijk! Doch afgescheiden hiervan zijn de overige en meer bepaalde financiële bepalingen in de concessie in het nadeel van de gemeente. Uit de cijfers der commissie licht spr. dit toe. Het heeft hem verwonderd dat de opbrengst per K.M., die in 1880 bedroeg f 48,000, en tot 1884 ongeveer zoobleef, na dat jaar verminderd is tot ƒ 36,000 in 1885 en slechts geklommen was tot ƒ37,000 in 1889. Dit komt, omdat na 1884 op een klein stukje na geen enkele lijn is bijgetrokken. Toch doet de becijfering van de commissie het voorkomen alsof niet het net verlengd was met slechts ½ km, maar met 5 ½ km; zij grondde deze bewering hierop, dat op sommige lijnen dubbelen dienst werd gedaan, doch dit was ook reeds het geval vóór 1889, dus spr. begrijpt niet, waarom de commissie na dat jaar vermeerdering aanneemt voor het aantal kilometers.
Uit een raming van de directeur van P. W. bespeurt spr. voorts, dat de waarde van de trams niet meer bedraagt dan de som van ƒ 600,000 en dat dus de waarde van de bezittingen der Mij. op de kapitaalstaat ƒ1,000,000 te hoog is, evenals gisteren de Heer Heineken beweerde, die toen daarom werd uitgelachen. Geeft men op, dat de stallen van de A. O. M. paleizen zijn, zoals gisteren beweerd werd, dan merkt spr. op, dat die paleizen toch in elk geval aan den rand van de gemeente staan waar de grond aiet zulk een hooge waarde heeft. Het heeft er wel iets van alsof men op de bezittingen van de Mij. gebouwen, paarden, enz. door te hoge raming de som van ƒ1,000,000 heeft willen zoeken, die men zelf begreep dat in de post waar in zij voorkwam, de kapitaalstaat, niet aanwezig was. Na de tariefberekening besproken te hebben, merkte spreker op, dat door deze wijze van doen de overneming met een extra premie van ƒ 1,000,000 beloond werd. Hij ging nu na wat hiervan afgescheiden de gevolgen zullen zijn van aanneming van deze ooncessie en becijferde dat de gemeente van de winstverdeling zou krijgen ƒ 21,000 meer dan onder de oude ooncessie. Voor dit meerdere bedrag is de com. gezweekt (? Bedoeld is wellicht “gezwicht”.).
Het is de val geweest die de A. O. M. voor haar heeft opgezet en waar zij is ingelopen. Tegen deze vermeerderde ontvangst van ƒ21,000 per jaar staat echter dat men de concessie voor de eerste 5 jaar aan de A. O. M. in de hand geeft, al luidt de bepaling tot wederopzeggens toe en dat men zelfs dan naastende behalve de ƒ 1,000,000 die verkeerdelijk op de kapitaalstaat is gebracht, en behalve de premie welke wordt toegestaan 15 X 1½ % meer aan de aandeelhouders moet uitkeren dan onder de bestaande concessie.
Concluderende, besluit spr. dat derde voordracht zowel uit een oogpunt van redactie (daar zij aanleiding geeft tot processen) als om de nadelen die zij inhoudt voor de gemeente verworpen moet worden (Applaus op de tribune).
(De zitting, duurt voort)

(Vervolg der zitting van gisteren.)
Vervolgens bespreekt spr. de lengte van de lijnen waarop dubbele dienst is; wil men het aantal kilometers op zulke lijnen bij de rekening tweemaal zo groot nemen, dan zou deze opvatting juist zijn, maar dan moet zij ook toegepast worden niet alleen na maar ook vóór het jaar 1884. Minder geeft men — de bedoeling mag het dan niet zijn — een verkeerde voorstelling van de toestand. Tegenover de voordelen van de nieuwe concessie als daar zijn: het medegebruik van de rails door andere lijnen, regeling van overstapkaartjes, statutenwijziging in overleg met de gemeente, taxatie bij naasting door deskundigen, stelde spr. de nadelen: het ontbreken van de verplichting om arbeiderstrams te laten lopen ('s morgens voor 8 uur), waarborgen voor een goede behandeling van het personeel, de slechte redactie van art. 18, de betaling dat de A. O. M. alleen verplicht is opening van zaken te doen aan het Dagel. Bestuur en niet ook aan de Gemeenteraad, slechte regeling vanhet gevolgde participatiestelsel en eindelijk, wanneer de Cemeente niet wil naasten, de eindeloosheid van deze Concessie.
De Heer Sillem vroeg nu het woord om de Heer Gerritsen te beantwoorden, waar deze het voor de Keer Sanders had opgenomen. Hij zei zachter te oordelen over de Heer Sanders dan zijn mede-commissieleden, en erkende dat de Heer S. tot in 1880 recht heeft kunnen hebben tot de verwachting dat hem de aangevraagde concessie zou gegund worden.
Toen de A. O. M. echter het aanbod van de hand wees en het bekende raadsbesluit daarmede in verband was aangenomen, had de Heer Sanders moeten begrijpen dat voor zijn concessie geen kans meer was. Toen hij onderhandelde met de tweede tram-commissie en hem werd duidelijk gemaakt hoe de zaken stonden, heeft hij een brochure geschreven, onbehoorlijk van toon en gebrekkig van argumentatie. Spr. haalt aan een „bewijs" van de Heer S. voor de „kwade trouw," waarvan hij de afdeeling P. W. beschuldigt. Dat argument komt hierop neer, dat, waar de Heer S. bij de onderhandeling over het aanleggen van een brug over de Amstel had geschreven „de brug kan een zodanige hoogte hebben," het Dagl. Best. meende, dat die brug zulk een hoogte moest hebben. Dat noemde de Heer Sanders „tegenwerken". Ook de „tegenwerking" ten opzichte van de Ceintuurbaan besprak spr., waarbij zijn conclusie was: dat ook hier de Heer Sanders geen recht had over onbillijke bejegening te klagen. Spr. behandelde daarna enige andere grieven van de Heer S., waaromtrent zijn conclusie dezelfde was. Spr. meende dat de Heer Sanders — hoewel spr. zijn prikkelbaarheid na zoveel teleurstelling begrijpelijk vond — op zeer ongemotiveerde wijze de tramcommissie had aangevallen.
De Heer Serrurier, die opmerkte dat de raad bij de behandeling van deze voordracht nu en dan veel had gehad van een debating-club, waar men elkander vliegen tracht af te vangen, zei tegen de Heer Treub, dat inderdaad na '84 meer lijnen waren aangelegd dan deze bij zijn beschouwingen in rekening had gebracht. Hij becijferde de juistheid van het bij overneming aangenomen cijfer per meter, en toonde aan dat bij aanneming van deze concessie nog zeer goed lijnen zijn aan te leggen buiten het net van de A. O. M. Door de Ceintuurbaan buiten deze concessie te houden, heeft men het b. v. mogelijk gemaakt, dat een buitenlijn in verbinding kan worden gebracht met het Centraal Station. Spr. heeft, toen hij in de tram-commissie zitting nam, ook niet veel gevoeld voor deze voordracht, maar hij heeft gepoogd haar zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het uitvoeren der plannen van den Heer Sanders.
Nadat de Heer Bake kortelijk de Heer Treub beantwoord had en de voorzitter de Heer Gerritsen, '. werden de algemene beschouwingen gesloten. Van de Heer Muijsken was een motie.van orde ingekomen, strekkende om de stemming over het voorstel-Heineken te verdagen tot na het nemen van een beslissing omtrent de voordracht. Deze motie werd verworpen met 22 tegen 13 st.
Het voorstel-Heineken (tot naasting) werd daarna in stemming gebracht en verworpen met 25 tegen 10 Stemmen. Voor stemden de h.h. Becker, Berns, Sassen, Meltzer, Willeumier, van Hall, Gerritsen, Treub, Heineken en Hovy; tegen de hh.: Bake, Ten Brummeler, Dyserinck, S. W. Jitta, Everwijn Lange, Serrurier, Sillem, Mr. de Furies, Wüste, Ankersmit, Driessen, Luden, Van Nierop, Pijnappel, Den Tex, De Vries van Buuren, Daniëls, Dijkmans, Van Eeghen, Heemskerk, Korthals Altes, Alting Mees, Van Ogtrop en Vas Visser. Afwezig waren de h.h. H. S. van Lennep, W. van Lennep, Van Bosse en D. Jitta. Nadat een voorstel, om met de verdere behandeling van de voordracht nog heden voort te gaan, met 23 tegen 12 stemmen verworpen was, werd alsnu in behandeling gebracht:
Nr. 287. Voordr. om de medewerking van Hoger Bestuur ln te roepen ter verkrijging van de indiening van een wet, verklarende, dat de aanleg van een straat tussen de Stadhouderskade en de P. C. Hooftstraat een werk van algemeen nut is, teneinde met behulp van die wet over te gaan tot onteigening der gronden gelegen tussen de aangewezen rooilijnen van de Hobbemastraat en van drie percelen langs het Schapenburgerpad (het bekende nu door de eigenaar, de Heer Wente afgesloten plekje), welke zullen blijken nodig te zijn tot het maken van een toegang van de Hobbemastraat tot het overblijvende gedeelte van genoemd pad.
Na enige dicussie werd deze voordracht aangenomen. Dit geschiedde (….) zonder hoofdelijke stemming.

24-5-1890
Vervolg van de middagzitting van Donderdag).
De Heer S. W. Jitta is mede-oprichter van verschillende tramwegen zo hier als in het buitenland. Zijn ervaring is, dat bij een goede directie de zaken óok goed gaan. In Frankfort gaat het niet zo goed, en daar denkt men er over, de tram van gemeentewege te exploiteren, welnu laat Frankfort dit dan doen en wij hier zien hoe dit afloopt. Spr. weerlegt de geopperde mening dat het in Haarlem met de exploitatie der gasfabriek van gemeentewege zeer gunstig geshapen staat, en verklaart zich tegen de voordracht.
De Heer Becker stelt het tramverkeer op éen lijn met gas, duinwaterleiding enz., en meent dat er alle reden is om ook de tram van gemeentewege te exploiteren. Geen afgunst tegen de aandeelhouders bezielt spr., maar alleen de zucht te handelen in het waarachtig belang van de gemeente.
De Heer Hovy zegt het begrijpelijk te vinden dat de hogere winsten van de A. O. M. de begeerlijkheid hebben opgewekt en de vraag doen rijzen of naasting in het voordeel der gemeente niet wenselijk was. Wel heeft de A. O. M. haar tarieven verlaagd, maar spr. heeft bezwaar tegen deze voordracht, omdat de A. O. M. dan nimmer een concurrerende Maatschappij naast zich zal hebben, waardoor de tariefsverlaging misschien nog verder zal kunnen worden voortgezet. Spr. zal nog geen stem uitbrengen, want hij wil eerst de discussie afwachten, maar zijn sympathie is niet met deze voordracht.
De Heer v. d. Wall Bake komt op tegen het wantrouwen, dat men in het werk van de commissie heeft getoond te bezitten. Er moet niet gesproken worden van fictieve cijfers en dergelijke uitdrukkingen; verdachtmakingen welke beneden raadsleden moesten zijn. (Applaus op de tribune).
De commissie heeft getracht het recht van voorkeur tot de engst mogelijken kring terug te brengen,, opdat wij niet meer in het zelfde geval komen voortaan, als waarin we nu verkeren tegenover
den Heer Sanders. Haar tweede werkzaamheid betrof het bezwaar, dat men, behalve de tegenwoordige premie, nog een andere zou hebben te betalen, en naasting, in verband met de bepaling omtrent exploiteren van gemeentewege of het opnieuw verlenen van concessie aan derden. Spr. toonde aan dat het billijk was niet alleen dat de A. O. M. bij naasting d» voorkeur gaf aan gemeente-exploitatie, maar dat zij een extra premie kreeg wanneer de exploitatie werd gegund aan derden. Omtrent een beweerde fictieve opgaaf van ƒ1,000,000 op de kapitaalstaat merkte spr. op, dat de werkelijke waarde van de bezittingen van de A. O. M. niets heeft uit te staan met de kapitaalstaat. Men heeft hier verwarring, doordat men heeft vergeleken de voorwaarden van naasting in de bestaande en diezelfde voorwaarden in de nieuwe concessie.
Spr. toonde aan dat de A. O. M., nu weer haar concessie ten einde liep ook tot meer rust gedwongen was, omdat zij niet voor nieuwe werken de vereiste afschrijvingen kon vinden, daarom was het goed gezien, de tijdelijke in een voortdurende concessie te veranderen.
Wanneer der commissie verweten is, dat zij de exploitatierekening niet aan de voordracht heeft toegevoegd, dan merkt spr. op, dat de vraag van naasting niets heeft uit te staan met die exploitatie-rekening.
Spr. treedt hierna in een weerlegging van de gisteren door de Heer Heineken gegeven berekeningen en die heden door de Heer Trenb gemaakt. Hij maakt voorts nog tegen deze spreker de opmerking, dat terecht de lijnen berekend zijn niet naar de geografische lengte, maar naar de wijze van berijding, want naar die verhouding vermeerderen ook de exploitatiekosten. Spr. constateert, dat de waarde van de onderdelen, der bezittingen van de A. O. M. hooger is dan de som waarvoor zij voorkomen op den kapitaalstaat. Zegt de Heer Heineken, dat later electriciteit kan worden gebezigd als trekkracht en dan de kapitaalstaat te hoog is, en omdat men dan gebouwen (stallen) krijgt die niet meer te gebruiken zijn — dan vraagt spr. of dit niet juist een reden is om niet te naasten, want wat heeft men aan de naasting van gebouwen, die niet te gebruiken zijn ?
Spr. is niet de mening toegedaan dat naasting door de gemeente bij de gemeentewet verboden is, maar hij gelooft in elk geval dat controle door de gemeente niet zo afdoende zal kunnen geschieden als door een bestuur als van de A. O. M., dat autocratisch is en in het belang van den gang van zaken moet zijn.
De Heer Mr. De Vries protesteert tegen het gisteren geuite gezegde „de Heer De Vries is gewonnen!" Men moet zijn woorden met meer zorg kiezen, als men spreekt en zonder wantrouwen, als iemand van mening veranderd is, daarvan mededeling kunnen doen, als men dit nodig oordeelt.
Voorts zegt spr. als men vraagt: waarom heeft de commissie niet meer lijnen voorgesteld, dan is het antwoord, dat dit niet in haar mandaat lag. Spr. is geen tegenstander van naasting, maar wel van gemeente-exploitatie. Als er iemand komt die zonder het recht van voorkeur de gehele concessie van de A. O. M. wil overnemen — dan zal spr. daar voor zijn, mits maar niet de gemeente exploiteert.
Als men de kwestie van kwade trouw en „rechthaberei" buiten beschouwing laat, dan vraagt spr. waarom of de taxatie van de heeren Treub c. s. juister moet zijn dan die van de deskundigen, die taxeerden voor de commissie. In de nieuwe concessie is bovendien gezorgd voor een meer afdoende regeling van de waardeschatting.
Ook spr. merkt de Heer Treub op, dat wanneer de taxatie van de commissie juist is, er tusschen hém en de Heer Treub slechts een verschil is van f 1,500,000, en dat de berekeningen gemaakt zijn buiten de kapitaalstaat om, alleen met de bedoeling om de werkelijke waarde te weten.
Spreker weerlegde, dat de premie te hoog zou zijn en toonde aan dat onder de oude en nieuwe concessie de voorwaarden voor uitbetaling daarvan dezelfde waren gebleven. Hij zei voorts — doch node — dat de A. O. M. elk ogenblik haar statuten precies zoo kan wijzigen als zij wil, wanneer de oude concessie gehandhaafd bleef. Spr. zou het niet onbillijk vinden de A. O. M. te naasten als het gemeentebelang dat meebracht, doch daarvan is hij niet overtuigd. Spr. doet uitkomen dat onder de nieuwe concessie de voorwaarden van naasting beter zijn dan onder de oude en schetst enkele van de bezwaren aan gemeente-exploitatie verbonden. Bij het bespreken van de voordelen van de nieuwe. concessie deed spr. uitkomen dat gevaar voor verlies van de opoffering door de gemeente te doen niet groot was, tevens besprekende de beperking welke onder de nieuwe concessie aan het recht van voorkeur gemaakt was, en andere gunstige bepalingen. Wat de Heer Treub heeft opgemerkt omtrent hetgeen te veel op de kapitaalstaat voorkomt, wil eigenlijk zeggen dat in de redactie een fout is, want uit de concessie zelf blijkt te duidelijk dat niet op de kapitaalstaat onder „weg en werken" zal gebracht wat ten koste gelegd is aan werk aan de openbare weg. Spr. stelde nog in het licht, dat bij vermeerdering van vervoer, door het meermalen laten rijden in de zelfde tijd, het aantal passagiers wel is waar vermeerdert, maar dat daardoor toch ook de exploitatiekosten hoger worden. Tot de Heer Heemskerk zegt spreker, dat als zijn voorstel wordt aangenomen de
Raad weer terugkomt op het standpunt van voor 1887, en dat men lamngs die weg in een kringetje draait.
Ten slotte verklaart spr. zijn houding in deze zaak thans vergeleken met vroeger. Was hij eenmaal vóór de heer Sanders en heeft hij meegrwerkt hem de concessie van de lijn Houbrakenstraat te verlenen, - nu de Heer Sanders deze concessie nadat hij haar verkregen had niet ten uitvoer gelegd heeft en nu deze Heer niet een tramaanleg wil aanvaarden, zoals spr. haar in het belang van de gemeente nodig acht, is hij veranderd van mening en meent hij dat de gemeente meer gebaat zal worden met de aanneming van deze voordracht. Spr. eindigde met als zijn mening te openbaren, dat de Heer Sanders beter had gedaan, wanneer hij het schrijven van zijn brochure had achterwege gelaten.
De Heer Gerritsen begrijpt niet hoe de Heer Bake heeft kunnen verklaren, dat de onderdelen der bezittingen der A. O. M. meer waard zijn dan waarvoor zij te boek staan. Spreker herinnerde dat deze voordracht een gevolg is van de slechte concessie aan de A. O. M. verleend, en daarom mag men het die raadsleden niet euvel duiden die een strenge controle willen uitoefenen over de bepalingen van een nieuwe concessie. Spr. betoogt verder dat wij bij deze nieuwe concessie niet krijgen een volledig tramwegnet, maar slechte die twee lijnen, welke voor de A. O. M. aannemelijk zijn. Hij stond hierna stil bij de voordelen verbonden aan exploitatie van de tram van gemeentewege, welke voordelen groot konden zijn omdat de gemeente bij het drijven van een onderneming andere doeleinden heeft dan een financiële vereniging, waarbij nog komt dat naasting — waarvoor de tegenwoordige rentestand zeer gunstig is — onze buitenwijken in het bezit kan stellen van de daar zo hoog nodige tramwegen.
Spr. becijfert dat bij naasting op dit ogenblik alles geschieden zal zoals de commissie heeft voorgespiegeld maar dat wanneer men naast na het vervallen van de concessie de gemeente in 1925 nog bezwaard zal zijn met een schuldenlast van meer dan ƒ2,000,000. Hij weerlegde daarna de verschillende bezwaren aangevoerd tegen gemeente-exploitatie en beweerde dat verschillende gegevens tegen deze exploitaitie al weinig vertrouwbaar waren bovendien. Ten slotte wees spr. er op, dat men in de raad bij het maken van concessies zich altijd beroept — wanneer bezwaren gebracht worden — op de aanwezigheid van een bepaling waarin de naasting geregeld is, maar dat het wanneer, zoals hier, er op aankomt voor de toepassing terugdeinst.
De vergadering werd hierop verdaagd tot des Avonds half-acht.

Avondzitting van Donderdag 22 Mei (7 ½ uur). Voortzetting.
De Heer Sassen huldigt de commissie voor de ijver, die zij aan de dag heeft gelegd, en wijst op de bezwaren, voortvloeiende uit het voorgestelde art 18 en wel op de premie, die de gemeente heeft te betalen, als zij naast en niet zelf de exploitatie ter hand neemt. Doch al was dit bezwaar niet aanwezig, dan nog zou spr. aarzelen deze voordracht te noemen in het belang van de gemeente. De economisch-sociale kwestie is te veel in de voordracht uit het oog verloren. Hiermede bedoelt spr., dat verzuimd is de minder-, met uame de zeer wéinig-gegoeden, in het bezit te stellen van de tramwegen, welke deze klasse zozeer behoeft, n.l. de lijnen, die de buitenste wijken verbinden met het centrum van de stad.
Vele leden hebben het stelsel van gemeenteexploitatie bestreden, maar hun zwakke argumenten tonen, dat het stelsel nog niet zoo onzinnig is. Men wees op de kostbaarheid. Dit is, zegt de Heer Heineken terecht, de schuld van gemeenteambtenaren omdat deze den prikkel van het eigenbelang missen. Men (….) (moet) hen echter (laten) delen in de winst; dan is dat bezwaar uit de weg geruimd. Zegt de Heer Jitta dat de oorzaak van het niet renderen van tramwegen ligt bij het niet aanwezig zijn van goede directies, dan vraagt spr.: of dan de directie van de A. O. M. een eeuwig bestaan zal hebben?
Spr. zegt, om ook dit bezwaar te bespreken, dat een gemeentelijk bestuur evenzeer autocratisch, dat wil toch zeggen: flink kan zijn als elk ander. Bovendien sprak de Heer De Vries in enigszins lijnrechte tegenspraak hiermede. Aan de Heer Heemskerk, die zei, dat men bij naasting van tramwegen met evenveel recht broodbakkerijen of bierbrouwerijen zou kunnen naasten, vraagt spr. of, al gelooft men aan de kracht van de concurrentie, er dan geen zaken bestaan (de economisten noemen zulke zaken natuurlijke monopolies), die beter zijn toevertrouwd aan de overheid dan aan particulieren. Op al deze gronden zal spr. zijn stem geven aan het voorstel-Heineken en bij verwerping daarvan die stem geven aan zulke voorstellen, die ook de buitenwijken gedenken.
De Heer Van Nierop zal over de financiële punten nog een enkel woord zeggen, die taak is onaangenaam, omdat spr. nu en dan in herhaling zal moeten vervallen en omdat cijfers niet gemakkelijk te volgen zijn. Daarom betreurt spr. het, dat de cijfers van de commissie niet publiek zijn gemaakt.
Ten volle erkent spr., dat de Duitse sociaalpolitiek in hoofdzaak juist is en dan ook reeds in het Duitse volksleven is toegepast. Maar ten opzichte van de tramwegen is zij in Duitsland nog niet toegepast. Men acht dit dus blijkbaar nog niet wenselijk. Toch heeft men in Berlijn b. v., het centrum der sociaal-politiek, dezelfde toestand als hier: daar zijn ook directeuren met hoge salarissen, tantièmes, enz.
Welnu, in de Gemeenteraad van Berlijn heeft men voorstellen, als wij thans hier behandelen, zegt spr., nog niet gehad. Alleen in Frankfort is de zaak aan de orde gesteld — doch ook nog niet aangenomen. Spr. vestigt er bovendien de aandacht op, dat gemeente-exploitatie altijd duurder is dan particuliere. Spr. weet niet of ons tramwegnet zoveel gebreken heeft als thans — voor het eerst — beweerd wordt. Over de oostelijke lijn is ook door de vier voorstellers geen woord gesproken. De A.O.M. wilde al lang nieuwe lijnen aanleggen, maar de commissie was gebonden aan de voorgestelde lijnen.
Nu wil men naasting, een denkbeeld, dat reeds herhaaldelijk in de tramcommissie besproken is. Wat zou dat kosten? vroeg de commissie.
De conclusie van de directeur van P. W. was ƒ 3,000,000 ; er zijn nog meer cijfers genoemd. Als men de zaak aan de drie deskundige schatters overlaat, zal elk van hen (….) weer een ander cijfer noemen. Spr. meent, dat de berekening van de directeur niet zo geheel onjuist is. Er is bij naasting nog een kwestie. De A. O. M. heeft 12 ton gestoken in gemeentewerken (verlaging van de Hoogesluis, Muntsluis, enz.).
De Heer Treub zegt: zij heeft daarvoor geen recht op vergoeding. Spr. is het hiermede eens, maar de rechter kan de rechtmatigheid van de eis erkennen. In de veronderstelling, dat dit wel zo was, heeft de A. O. M. veel afgeschreven op haar gebouwen.
Daaruit verklaart zich, dat weg en werken door de directeur van P. W. veel lager zijn getaxeerd dan de gebouwen. Dit komt omdat er terreinen bij zijn, waarvan de grond zeer hoog in waarde is. Spr. herhaalt, dat de boeken van de A. O. M., waarin de commissie inzage heeft gehad, volkomen de opvatting van die maatschappij wettigen.
Voordat spr. nu de vraag beantwoordt: voor welke som zullen de inrichtingen van de A. O. M. kunnen genaast worden, moet hij eerst vragen of de gemeente dezelfde voordelen zal kunnen behalen als de A. O. M.. en dit is niet uitgemaakt.
De commissie had een staat van de A. O. M. van het oorspronkelijk bedrag der kosten van de nog bestaande inrichtingen der A. O. M. tot een som van 42 ton. Neemt men daar nu af 12 ton voor de aanleg van den weg, dan blijft nog over een cijfer van ƒ 3 miljoen. Voorts, indien wij naasten: moeten wij betalen ƒ 1miljoen premie, daarover is men het eens in de Raad, en ten derde moeten wij bij naasting onmiddellijk aanleggen de nieuwe lijn, wat zal kosten ƒ210,000. Bovendien : ƒ 15,000 voor het doorbreken van de Heerengracht, ƒ 6000 voor exploitatiekosten en ƒ 100,000 voor bedrijfskapitaal.
Vraagt men nu : wat zal de opbrengst zijn van de nieuwe lijn? dan kan spr. die vraag niet beantwoorden. Zegt men, dat de exploitatie van de Rotterdamsche tram goedkoper is, dan ontkent spr. dit, want zelfs de secretaris van die maatschappij kon spr. dit niet bevestigen.
Bovendien mag men niet vergeten, dat de A. O. M. verdiensten krijgt op een wijze, zoals het beneden de waardigheid van een gemeente zou zijn om ze te krijgen. Mag bij voorbeeld de gemeente ƒ14,000 aannemen voor advertenties van Van Houtens cacao ? Of zal de gemeente verkondigen : dat Het Nieuws van dan Dag het meest gelezen dagblad is? Dat de gemeente aldus niet kan handelen, begreep de Raad, toen hij onlangs het verzoek van de firma Perry afwees om op de stadsgrachtwallen te adverteren.
Wat de exploitatie betreft, vraagt spr. of wij op een opbrengst mogen rekenen van ƒ 376,000 of ƒ 400,000 als de A. O. M. in de laatste 3 jaren gemaakt heeft. De vermindering van opbrengst dit jaar heeft bedragen ƒ 67,000. Men schrijft dit toe aan de zo schone Meimaand van het vorige jaar. Maar dat bewijst niets waar de ervaring leert, dat bij elke tramonderneming een opkomst en een teruggang is waar te nemen. Eotterdam is nog in haar opkomst — ten onzent is de achteruitgang reeds ingetreden. Maar bovendien zijn (bij ons) de uitgaven voor de tram vermeerderd. Zal men nu overnemen een onderneming, waarvan de ontvangsten verminderen en de uitgaven stijgen ? In elk geval moet men bij de overname deze omstandigheden in rekening brengen.
Op de opbrengst van de nieuwe lijn komende, herhaalt spr., dat deze lijn verlies zal opleveren, omdat zij zoveel eist aan onteigeningskosten. Tegen 21 ton voor uitgaaf zal het geheele nieuwe net slechts ƒ 386,000 opbrengen, en het is volstrekt niet zeker, dat die opbrengst op dit bedrag blijven zal.
Aanleg van nieuwe lijnen geeft vermindering van de gemiddelde opbrengst; deze ervaring heeft spr. opgedaan als directeur van drie tramwegen op Java. En dit is zeer duidelijk, daar men natuurlijk altijd begint met de aanleg van de beste lijnen. Zegt men nu: er moet een krachtige eoncurrerende maatschappij komen naast de A. O. M., dan constateert spr., dat nog nimmer zulk een maatschappij zich heeft opgedaan. Alle concessionarissen, ook de Heer Sanders, zagen in, dat de nieuwe lijn verlies moest opleveren.
Hierbij komen nu de kosten voor de gemeente, die op dezelfde wijze zal moeten afschrijven als de A. O. M., wel niet op gebouwen, maar toch op paarden, uniformen en wagens. Dit zal bedragen 4% voor rente en aflossing en 1% voor afschrijving. Bij deze rekening zal voor amortisatie niet meer overblijven dan ½ %. Aldus komt spr. aan zijn verleden week genoemd cijfer van ƒ 120,000. Hierbij (moet) men niet (vergeten), dat de oprichtingskosten niet 20 jaren op de balans kunnen blijven staan.
Spr. vestigt de aandacht er op, dat het aandeel in het super-dividend nog zit in de ƒ55,000. Bovendien ligt in de niet-naasting dit voordeel, dat elk jaar de premie, die de gemeente te betalen heeft, lager wordt. Op grond van al deze argumenten kwam spr. er toe om niet te mogen zijn stem uitbrengen voor gemeente-exploitatie.
De waarschijnlijkheidsrekening is, dat het dividend niet zal rijzen, maar dalen; daarom is het niet geraden te naasten.
Men zegt, dat de naasting onder de nieuwe concessie zoveel moeilijker is dan onder de oude. Dit ontkent spr. De gevallen staan gelijk. Alleen de kapitaalstaat verschilt, maar men zegt, dat de taxatie van de drie deskundigen niet hoger zal zijn. Dus nu weet men wat de naasting kan kosten, en bij de oude concessie verkeert men in het onzekere. Spr. toont aan, dat tot 1910 onder de oude concessie de naasting integendeel lastiger is, en vestigt de aandacht er op, dat men onder de nieuwe concessie, de industriële waarde van de A. O. M. voor de naasting zal kunnen schatten. Spr. blijft persisteren bij het voorstel van de commissie.
De Voorzitter spreekt een woord van grote waardeering uit aan de leden van de commissie, die in de 15 jaren, waarin spr. aan het bestuur is, meer heeft gewerkt dan hij ooit een raadscommissie heeft zien doen. Wat ook de uitslag van hun werk zal zijn, spr. meent, dat de leden van den Raad die commissie grote dank verschuldigd zijn. Voorts wijst spr. er op, dat men in het oog moet houden wat de opgaaf was van deze commissie, n.l. het standpunt.- of men gemeente-exploitatie zou hebben of niet, met naasting.
Spreker kan ook het standpunt van de Heer Sassen begrijpen, die de misdeelden in de buitenwijken wil gedenken. Alleen betreurt spr. het, dat men zich op beide standpunten niet reeds vroeger heeft geplaatst, in December 1885, dan was al het werk van een vol jaar overbodig geweest. Toen in 1885 B. en W. bezwaar maakten om 12 ton uit te geven voor de verkeersweg en daarom toen hun voordracht deden, heeft de raad die niet willen aannemen; dit maakte dat de commissie een beperkte opdracht had. Van gemeente-exploitatie was toen geen sprake. Spr. is daarvan geen tegenstander. Dit tweede vraagpunt echter is zoo oud als de wereld, maar altijd is het de vraag: wanneer moet de gemeente tussenbeide komen en wanneer niet. Van alle zaken is niets zo moeilijk door de gemeente te esploiteeren als een tram, omdat deze onderneming zoo bijster gecompliceerd is. In vroegere functies is spr. belast geweest met de zorg over de veemarkt. Toen werden de stallen verpacht en klachten werden niet vernomen. Nu men de veestallen op het abattoir zelf exploiteert, zijn zij niet zo gezocht als vroeger, hoewel zij uitstekend zijn ingericht en beheerd worden. En renderend zijn zij ook alles behalve.
Men verlangt soms naar de oude pachter terug, die zelf verklaarde te kunnen doen wat de gemeente nimmer zal kunnen verrichten. Bij gemeente-exploitatie staat spr. in voor eerlijke ambtenaren, van welke afdelingen men ze ook nemen zal, maar zij kunnen niet doen wat particulieren kunnen. De commissie heeft getracht de westelijke en oostelijke lijnen te verkrijgen zonder enig risico. Dit zal door deze voordr. bereikt worden, en bovendien zullen verschillende verbeteringen in de bestaande concessie worden aangebracht. Daarom deed het spr. leed, dat hier hedenavond gesproken is van deze „allerslechtste" concessie. Aan deze met zorg saamgestelde concessie hebben zeer verdienstelijke ambtenaren medegewerkt, te beginnen met de directeur van P. W., en ook de vorige wethouder van financiën, welk verdienstelijk lid van het Dag. Bestuur spr. nog dagelijks mist.
Tot de Heer Gerritsen zegt spr., dat, wanneer de Heer Gerritsen eenmaal aan de gemeente een dergelijke zorg en toewijding zal ten koste leggen, hij er bij het verscheiden uit het leven of vertrekken uit den raad zich zeer op zal kunnen beroemen.
Spr. toonde verder nog aan in welke opzichten de nieuwe concessie een verbetering was, vergeleken bij de oude, en wees op de voordelen, welke door deze concessie aan het verkeer zullen ten goede komen.
Buitenlijnen worden er door mogelijk en naasting kan elk ogenblik geschieden. De gemeente is absoluut vrij in dit opzicht.
Bij aanneming van het voorstel tot naasting zullen B. en W. zo goed mogelijk zich van hun taak kwijten, maar de bezwaren mogen wel overwogen worden voor men tot zo iets besluit. Wanneer men dit niet wil en ook de voordracht verwerpt, dan kan men misschien met de Heer Jitta alles bij het oude willen laten; dan noemt spr. dit echter een standpunt, dat hij moeilijk begrijpen kan en een terugkeer tot na 1888. Spr. adviseert aan te nemen de voordracht, het uitvloeisel van het werk der commissie.
De Heer Heineken verklaarde wat hij bedoeld had met zijn gezegde over het weigeren, ook van Mr. de Vries, om uitstel van behandeling van de voordracht in de vorige vergadering.
Hij achtte dit een ongeoorloofd doordrijven van de zaak, tegenover het voorstel van de vier voorstanders van naasting. Zo heeft spr. zijn uitdrukkingen bedoeld en hij neemt van geen dezer iets af. Vooral de Heer de Vries, die zelf ook wel eens uitdrukkingen ten opzichte van andere leden bezigt, welke wel eens een enigszins persoonlijk karakter hebben, had daaraan niet de betekenis moeten hechten, die hij er in gezien heeft. In den brede herhaalde spr. hierna zijn argumenten voor exploitatie van gemeentewege, vooral in onze gemeente, waar het tramverkeer het gehele verkeer beheerst, en spr. zag niet in welk verschil er zou zijn tusschen de exploitatie van een spoor- en van een tramlijn, welke eerste niemand bezwaarlijk vindt om door de Staat te doen beheren.
Met betrekking tot de opmerking, dat in het buitenland deze zaak ook nog niet rijp wordt geacht, deelde de spr. mede, dat in Engeland 31 plaatsen zijn, waar gemeente-exploitatie reeds bestaat terwijl zij elders wordt voorbereid. Spr. weerlegde de mening, dat het tramverkeer alhier zijn culminatiepunt zou hebben bereikt, en vestigde er de aandacht op, dat, wanneer nu niet genaast wordt, dit nimmer zal geschieden. De moeilijkheid om bij exploitatie van gemeentewege een geschikte directie te vinden, acht spr. al zeer gering: bekwame en eerlijke mannen, do voorzitter heeft het in de middagzitting nog gezegd, zijn er velen onder de gemeenteambtenaren, en de overige praktische bezwaren, welke als het gevolg van gemeente-exploitatie genoemd werden, zijn mede overdreven, daar inderdaad niet alles van de directie zelf afhangt. Of, vraagt spr. gaat b. v. de directeur van de A. O. M. er zelf op uit om paarden voor zijn wagens te kopen? Neen, dit laat hij aan geschikte ambtenaren over en dat kan ook zeer gevoegelijk gebeuren. Dat spr. in 1888 nog niet voor gemeente-exploitatie was, mag hem niet worden euvel geduid, daar er toen nog aanleiding was om concurrentie te verwachten, wat thans niet meer bestaat.
Nadat spr. nog enkele gisteren en heden gemaakte opmerkingen beantwoord had, werd het woord verleend aan de Heer Treub, die het gevraagd had, doch die de wens te kennen gaf liever daarmede te wachten tot een volgende zitting, daar het laat was en vele leden reeds wegliepen. (Tijdens liet spreken van den Heer Heineken waren de Heer de Vries en eenige andere leden afwezig geweest.)
De Heer Willeumier trad in een weerlegging van de cijfers, door de Heer van Nierop genoemd, en stond stil bij enkele argumenten, door sommige andere tegenstanders van naasting aangevoerd. De Heer van Nierop had z. i. verzuimd aan te tonen, dat gemeente-exploitatie nadelig zal werken. Hoewel spr. is voor naasting, betwijfelt hij toch of het thans het juiste tijdstip is om daaromtrent een beslissing te nemen. Thans is bekend wat van de A. O. M. te verkrijgen is; het is nu de vraag of de gemeente zal naasten en dan zelf de exploitatie ter hand nemen of voortleven blijven onder de oude concessie. Dit laatste komt spr. verkieslijker voor; hij geeft daarom de heren Heineken c. s. in overweging hun voorstel in te trekken en tegen de voordracht te stemmen, zooals spreker.
Op voorstel van de Heer Mr. de Vries wordt hierna de zitting verdaagd tot Vrijdag 1 uur, als wanneer den Heer Treub nog het woord zal gegeven worden en de algemeene beschouwingen daarna zullen worden gesloten.
Een zeer talrijk publiek woonde de zitting bij.

Zitting van Vrijdag 23 Mei (1 uur).
Voorzitter Mr. G. van Tienhoven.
Aan de orde zijn de gisteren gestaakte algemene beschouwingen over de aanhangige tramweg-aanvragen. De Heer Gerritsen verlangde het woord en herinnerde, dat in de zitting van gisteravond de voorzitter had gezegd, dat hij brieven bezat, waarin aanvragen vervat waren van concessionarissen, die aanvragen zouden kunnen doen met het doel om zich later te doen uitkopen. Spr. achtte het wenschelijk, dat de raad inzage van die stukken verkreeg.
De Voorzitter antwoordde, dat hij van geen brieven had gesproken, doch dat hij alleen gewaagd had van de bepaling in de concessie, welke tegen zulke bedoelingen waakte.
De Heer Gerritsen, voor deze mededeling dank betuigende, bracht nu in herinnering, dat hij, zonder af te willen dingen op de verdiensten van hen, die hadden medegewerkt aan de concessie, had gewaarschuwd tegen het opnemen van bepalingen, gelijk in 1881, waardoor men later in moeilijkheden kon geraken. Nog bestaat de „natuurlijke positie", waarvan in 1881 in de raad gewaagd werd en waartegen men waarschuwde, nl. dat de A. O. M. zoo weinig mogelijk zou geven en zooveel mogelijk zou wensen te verkrijgen.
Zegt de voorzitter, dat de verkeersweg, welke wij bij de nieuwe concessie zullen krijgen, de gemeente niets zal kosten, dan merkt spr. op, dat er bij de tramconcessies, ook bij deze niet, nimmer sprake is geweest om een bepaald stelsel te volgen ter verkrijging van een afdoend tramnet en lette alleen op de financiële baten voor de gemeente.
De Heer Van Nierop had in zijn speech van gisteravond blijk gegeven een angstige natuur te bezitten: waarom zou de gemeente niet durven ondernemen wat particulieren wel durven onderstaan? Met te zeggen: dat zal wel niet gaan en daarvan zijn wij niet zeker, komen wij niet verder.
Door de Heer de Vries, vervolgt spr., is de brochure van de Heer Sanders ter sprake gebracht, maar de feiten, welke in die brochure geboekt staan en welke voor ieder gemeenteraadslid gemakkelijk te controleren zijn, heeft hij niet weerlegd. In deze brochure toch wordt bewezen, dat het gemeentebestuur 9 jaren lang de Heer Sanders heeft tegengewerkt, op een wijze die spr. noemt: beneden de waardigheid van zulk een bestuur. Spr. citeert uit de brochure verschillende plaatsen welke die bewering staven, en zeide het te betreuren dat deze beweringen niet hetzij door de raad hetzij door de tramcommissie weerlegd zijn. Spr. besluit met te herhalen, dat voor hem nog niet bewezen is, dat op de kapitaalstaat van de A. O. M. de onderdelen der bezittingen voor minder geboekt staan dan zij waard zijn. De Heer Treub verkrijgt nu het woord ter beantwoording van de heeren Bake, de Vries en Van Nierop. Deze heren, die spreker bestreden hebben, verschillen op sommige punten onderling. Zo b. v. zegt de Heer Bake, dat het niet de taak was van de commisssie om de kosten van naasting ook tot het onderwerp van hare bemoeiingen te maken, terwijl de Heer de Vries een tegenovergesteld gevoelen is toegedaan. Over de kapitaalstaat sprekende en de daarop verkeerdelijk geplaatste uitgaven voor de verkeersweg, toonde spr. nog nader uit de toelichting aan, die hij miraculeus verward noemde, dat wel degelijk volgens de kapitaalstaat meer zal worden terugbetaald dan de werkelijke waarde der eigendommen van de A. O. M., welke alleen voor terugbetaling in aanmerking komt.
De taxatie van de commissie noemt spr. berustende op een weinig betrouwbare grondslag, waarmede hij bedoelt, dat het niet aangaat deze taxatie te laten verrichten door éen persoon, de directeur van P. W. Daarmede had zich een commissie, in ieder geval meer personen moeten bezig houden, als een te gewichtige zaak om door éen persoon, hoe bekwaam ook, te laten verrichten. Deze persoon toch zal onwillekeurig zich laten leiden door het bedrag van de schatting der A. O. M. zelve, die hem bekend was.
De bewering, dat spreker’s berekeningen onjuist zijn, omdat hij heeft buiten rekening gelaten de uitkomsten van de nieuwe verkeersweg, noemt spr. ongegrond, omdat men immers die uitkomsten nog niet kent.
Spr. becijfert, dat, afgaande op de taxatie van de commissie aan de A. O. M., niet, zoals de Heer de Vries berekent, ƒ 140,000, maar ƒ 350,000 als een direct voordeel zal worden geschonken. Waar men wil uitmaken of de voorwaarden voor naasting voordeliger zijn onder de nieuwe dan onder de oude concessie, heeft men rekening te houden, behalve met de kapitaalstaat, ook met de premie. Nu zeggen wel de bestrijders van spr. dat de bepalingen omtrent de premie in beide concessies dezelfde zijn, maar zij vergeten dat in verband met de Overige bepalingen van de toch verschillende concessies de gevolgen niet dezelfde zullen zijn. Spr. becijfert nog nader wat hij reeds gisteren beweerde dat d» A. O. M. als minimum niet meer dan ½ % over het bedrag van de leningen zal afschrijven, want hoe minder zij afschrijft, hoe hoger de premie bij naasting.
Daartegen voerde de Heer Serrurier, wethouder van P. W. aan dat dit onjuist was, daardoor de A. O. M. aan rente en afschrijving een even groot bedrag zal gegeven worden als vroeger.
Het lage cijfer waartoe de Heer Treub komt wordt hierdoor veroorzaakt dat hij de de door de A. O. M. te betalen uitgaven voor de nieuwe verkeersweg buiten rekening laat. De Heer Treub stemde dit toe, maar beweerde dat die verkeersweg moest buiten beschouwing blijven, omdat wij hieromtrent geen bepaalde gegevens hebben. Over de gevolgen van de tariefsverlaging sprekende — waaromtrent volgens sprekers bestrijders — ook nog niets met zekerheid te zeggen is, meent hij de conclusie van den heer Willeumier te moeten omhelzen, die zeide, dat omtrent zulke onzekerheid dan nog geen besluit moest worden genomen.
(De Zitting duurt voort.)

26-5-1890
(Vervolg der zitting van gisteren.)
Vervolgens bespreekt spr. de lengte van de lijnen waarop dubbele dienst is; wil men het aantal kilometers op zulke lijnen bij de rekening tweemaal zo groot nemen, dan zou deze opvatting juist zijn, maar dan moet zij ook toegepast worden niet alleen na maar ook vóór het jaar 1884. Anders geeft men — de bedoeling mag het dan niet zijn — een verkeerde voorstelling van de toestand. Tegenover de voordelen van de nieuwe concessie als daar zijn: het medegebruik van de rails door andere lijnen, regeling dat overstapkaartjes, statutenwijziging in overleg met de gemeente, taxatie bij naasting door deskundigen, stelde spr. de nadelen: het ontbreken van de verplichting om arbeiderstrams te laten lopen ('s morgens voor 8 uur), waarborgen voor een goede behandeling van het personeel, de slechte redactie van art. 18, de bepaling dat de A. O. M. alleen verplicht is opening van zaken te doen aan het Dagel. Bestuur en niet ook aan de Gemeenteraad, slechte regeling van het gevolgde participatiestelsel en eindelijk, wanneer de Cemeente niet wil naasten, de eindeloosheid van deze Concessie.
De Heer Sillem vroeg nu het woord om de Heer Gerritsen te beantwoorden, waar deze het voor de heer Sanders had opgenomen. Hij zei zachter te oordeelen over de Heer Sanders dan zijn mede-commissieleden, en erkende dat de Heer S. tot in 1880 recht heeft kunnen hebben tot de verwachting dat hem de aangevraagde concessie zou gegund worden. Toen de A. O. M. echter het aanbod van de hand wees en het bekende raadsbesluit daarmede in verband was aangenomen, had de Heer Sanders moeten begrijpen dat voor zijn concessie geen kans meer was. Toen hij onderhandelde met de tweede tram-commissie en hem werd duidelijk gemaakt hoe de zaken stonden, heeft hij een brochure geschreven, onbehoorlijk van toon en gebrekkig van argumentatie. Spr. haalt aan een „bewijs" van de Heer S. voor de „kwade trouw," waarvan hij de afdeling P. W. beschuldigt. Dat argument komt hierop neer, dat, waar de Heer S. bij de onderhandeling over het aanleggen van een brug over de Amstel had geschreven „de brug kan een zodanige hoogte hebben," het Dagl. Best. meende, dat die brug zulk een hoogte móest hebben. Dat noemde de Heer Sanders „tegenwerken". Ook de „tegenwerking" ten opzichte van de Ceintuurbaan besprak spr., waarbij zijn conclusie was: dat ook hier de Heer Sanders geen recht had over onbillijke bejegening te klagen. Spr. behandelde daarna enige andere grieven van de Heer S., waaromtrent zijne conclusie diezelfde was. Spr. meende dat de Heer Sanders — hoewel spr. zijn prikkelbaarheid na zoveel teleurstelling begrijpelijk vond — op zeer ongemotiveerde wijze de tramcommissie had aangevallen.
De Heer Serrurier, die opmerkte dat de raad bij de behandeling van deze voordracht nu en dan veel weg had gehad van een debatingclub, waar men elkander vliegen tracht af te vangen, zei tegen de Heer Treub, dat inderdaad na '84 meer lijnen waren aangelegd dan deze bij zijn beschouwingen in rekening had gebracht. Hij becijferde de juistheid van het bij overneming aangenomen cijfer per meter, en toonde aan dat bij aanneming van deze concessie nog zeer goed lijnen zijn aan te leggen buiten het net van de A. O. M. Door de Ceintuurbaan buiten deze concessie te houden, heeft men het b. v. mogelijk gemaakt, dat een buitenlijn in verbinding kan worden gebracht met het Centraal- Station. Spr. heeft, toen hij in de tram-commissie zitting nam, ook niet veel gevoeld voor deze voor- dracht, maar hij heeft gepoogd haar zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het uitvoeren öer plannen van den Heer Sanders.
Nadat de Heer Bake kortelijk de Heer Treub beantwoord had en de Voorzitter den Heer Gerritsen, werden de algemene beschouwingen gesloten.
Van de Heer Muijsken was een motie van orde ingekomen, strekkende om de stemming over het voorstel-Heineken te verdagen tot na het nemen van een beslissing omtrent de voordracht. Deze motie werd verworpen met 22 tegen 13 st.
Het voorstel-Heineken (tot naasting) werd daarna in stemming gebracht en verworpen met 25 tegen 10 Stemmen. Voor stemden de h.h. Becker, Berns, Sassen, Moltzer, Willeumier, van Hall, Gerritsen, Treub, Heineken en Hovy; tegen de hh.: Bake, Ten Brummeler, Dyserinck, B.W. Jitta, Everwijn Lange, Serrurier, Sillem, Mr. de furies, Wuste, Ankersmit, Driessen, Luden, Van Nierop, Pijnappel, Den Tex, De Vries van Buuren, Daniëls, Dijkmans, Van Eeghen, Heemskerk, Korthals Altes, Alting Mees, Van Ogtrop en Vas Visser. Afwezig waren de h.h. H. S. van Lennep, W. W. van Lennep, Van Bosse en D. Jitta.
Nadat een voorstel, om met de verdere behandeling j»an de voordracht nog heden voort te gaan, met 23 liegen 12 stemmen verworpen was, werd alsnu in behandeling gebracht: (…………)

28-5-1890
Omtrent de passagiersbeweging kwamen wij de volgende cijfers te weten: Met de beide spoorweg-maatschappijen werden heen en weer vervoerd 14,860 personen; bij de A. O. M. steeg dat gedurende de beide Pinksterdagen tot 165,000; in de bootjes van de Haven-Stoombootdienst lieten zich 32,159 passagiers van en naar de verschillende punten vervoeren; door de Centraal-Tram-Omnibus-maatschappij werden van de punten Heerenmarkt-Amstel en terug 2560 personen overgebracht, terwijl de Gooische Stoomtram 7295 reizigers naar buiten bracht, tegen een ontvangst van ƒ 2084.20.

Ter Secretarie zijn ter lezing neergelegd de stukken No. 292—296.
No. 292. De volgende motie van orde met toelichting:
Toelichting.
Doel van ons amendement was om de voordracht te verbeteren door deze lijn alsnog op te nemen omdat wij van mening zijn, dat aan die lijn behoefte bestaat. Echter zijn wij door de debatten tot de conclusie gekomen, dat wij in deze voordracht die lijn met moeten opnemen, en wel, omdat voor die lijn — als liggende buiten het rayon, waarvoor de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij uitsluitend recht van exploitatie heeft — meer voordelige condities zijn te bedingen, b. v. de verplichting tot het bouwen van een brug over de Amstel als anderszins Bovendien wensen wij het mogelijk te maken dat, ook na de aanneming van deze voordracht, de Ceintuurbaan met voordeel zal kunnen worden geëxploiteerd, waarvoor nodig is, dat de exploitant van de Ceintuurbaan tevens enige der daar aansluitende lijnen in beheer moet hebben. Ten einde echter spoedig bedoelde lijn te bekomen, komt het ons raadzaam voor, dat de raad de wenselijkheid van een spoedige totstandkoming dier lijn uitspreekt, weshalve de ondergeteekenden de eer hebben voor te stellen de volgende motie van orde: Motie van orde.
De Gemeenteraad,
Gezien het amendement van de heeren Alting Mees, Vas Visser en Wüste om alsnog op te nemen in art. I sub B: de lijn Amsteldijk, Sarphatipark, Ferdinand Bolstraat, Stadhouderskade, Leidscheplein, Gehoord de motieven van de voorstellers om dit amendement in te trekken,
Spreekt uit de wenschelijkheid, dat zoodanige lijn spoedig tot stand kome, en dit, zoo mogelijk, met een Ceintuurbaan, welke ook aan het terrein van de Handelsinrichtingen aansluiting vindt.
J. W. Alting Mees. G. Vas Visser. J. Wüste.
No. 293. Het volgende amendement: om te lezen in art. 8 sub a. „voor het vervoer per persoon en per rit langs elke lijn, in art. 1 onder A en B genoemd met inbegrip van het verlengde daarvan, worden door de Mij. abonnementskaartjes verkrijgbaar gesteld voor ten hoogste 6 ½ cents per stuk, en mag zij van eenen passagier, niet in het bezit van een abonnementskaartje, ten hoogste 7 ½ cents vorderen."
Toelichting.
Sedert de invoering van het tarief van 6 ½ cents voor abonnementskaartjes is het verkeer 35 pCt. toegenomen, zoodat de ontvangst van de eerste 4 ½ maand van 1890 slechts een verschil van 7 ½ pCt aanwijst in het nadeel der A. Omnibus-Mij., vergeleken bij dezelfde periode van 1889, toen het tarief 10 cents gold.
Daar het te verwachten is, dat, bij handhaving van bet thans bestaande tarief, zoo geriefelijk voor de burgerij, het verkeer nog zal toenemen, kan er volgens de mening van de ondergetekenden, niet de tamste aanleiding bestaan aan de Mij. bevoegdheid te geven haar tarief weder te verhogen.
Hoe wenselijk het overigens ook zij, met het oog op vereenvoudigde controle, dat passagiers zich zoveel mogelijk van abonnementskaartjes voorzien, zijn er echter categoriën van personen, voor wie dit moeilijk of onmogelijk is. Mingegoeden, die onvoorbereid, en vreemdelingen, die onkundig zonder kaartje de tram instappen, voor hunne onkunde de boete van een met 60 pCt. verhoogd tarief op te leggen mag wel eene stuitende onbillijkheid genoemd worden, en een verhooging van 15 pCt. moet zeker voldoende worden geacht.
J. Beckers. M. de Vries van Buuren.
(………..)

29-5-1890
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 28 Mei (1 uur),
Voorzitter : de Burgemeester Mr. G. van Tienhoven Tegenwoordig 36 leden. Afwesig de h.h.: Van Bosse, H. S. van Lennep en Becker.
Na voorlezing van het gebed en vaststelling der notulen van de vorige vergadering, deed de Voortitter mededeling der navolgende sedert ingekomen stukken :
(…….)
Voorts het reeds medegedelde adres van de Heer Wente, waarin deze protesteert tegen het gesprokene door de Wethouder Serrurier in de vorige zitting nopens zijn aanvraag tot onteigening van het Schapenburgerpad. De Heer Serrurier leest hierop voor uit het stenografisch verslag wat hij hieromtrent gezegd heeft. Daaruit bleek, dat spr. niet had gezegd, dat de Heer Wente na het afsluiten van de Hobbemastraat onteigening had gewenst, maar daarvoor, toen de Heer Wente nog met de A. O. M. aan het onderhandelen was. Vervolgens merkte spr. nog op, dat, na het gevallen vonnis, de gemeente had gemeend, dat nu de zaak uit was en daarom zich had onthouden van inmenging.
De Heer Heineken vroeg: of nu zou komen een verleggen van de lijn Dam—P. C. Hooftstraat naar de ingang van de straat, waarop de weth. v. P. W. zei, dat de A. O. M. had verzocht de lijn te mogen omleggen — voorlopig tijdelijk — en dat B. en W. daarop goedkeurend hadden geantwoord.
De Heer Berns vroeg: of in het belang van het publiek verkeer deze omlegging niet van tijdelijk moest worden veranderd in een blijvende. De Wethouder antwoordde, dat dit gedaan was om later, zo noodig, te kunnen gelasten, dat de lijn weer door de Hobbemastraat zou gaan.
De Heer Heineken wees op de mogelijke bezwaren tegen de ingang in de P. C. Hooftstraat en meende dat in elk geval deze kwestie in de raad had behoren gebracht te zijn.
De Heer Pijnappel vroeg: of de toestand, zoals hij thans zou worden, geen bezwaar zou zijn tegen een eventuele verlenging van de lijn P. C. Hooftstraat naar de grens der gemeente.
De Wethouder van P. W. ontkende dit. Het adres werd hierna voor kennisgeving aangenomen.
De behandeling werd vervolgens voortgezet over:
238. Rapport der Commissie uit de Gemeenteraad inzake de aanhangige tramwegaanvragen met de daarbij behorende motie van orde, amendementen en adressen.
De Voorzitter zei, na nogmaals het standpunt van de commissie te hebben toegelicht, dat zij met de volgende amendementen of wijzigingen daarvan zou kunnen medegaan, om nl., na het gereedkomen der lijn Centraalstation—Weesperzijde, het gedeelte Tulpplein—Weesperzijde in de eerstvermelde lijn op te nemen, terwijl dit blijft gelden als verlengde van de lijn Dam—Sarphatistraat. Voorts: De exploitatie van elke in artikel 1 onder B bedoelde lijn vangt aan binnen zes maanden nadat de van Gemeentewege te maken baan, met inbegrip der kunstwerken, zover zal gereed zijn, dat door de Maatschappij de tramsporen kunnen gelegd worden en nadat de, zo nodig, door derden te verlenen vergunningen verkregen zijn.
Intussen is de Gemeenteraad bevoegd om uiterlijk ten tijde dat over het gedeelte Dam—Marnixstraat van de lijn Dam—Bilderdijkstraat de tramsporen kunnen gelegd worden, nader te bepalen of het gedeelte Marnixstraat—Bilderdijkstraat zal uitgevoerd worden volgens het tracé, aangewezen op de in artikel 1 onder B bedoelde tekeningen, of wel volgens het tracé Marnixstraat — brug vóór de Kinkerstraat — Kinkerstraat — Bilderdijkstraat.
En eindelijk omtrent de premie het volgende in acht te nemen :
1°. indien de gemeente na de naasting de exploitatie der tramwegen zelve ter hand neemt en zich tegenover de Amsterdamsche-Omnibusmaatschappij verbindt, de exploitatie tot 1910 in eigen beheer te houden, bedraagt de premie zoveel malen de som, die door de Maatschappij gemiddeld in de laatste 5 jaren, aan de naasting voorafgaande, boven het bedrag van 5 pCt. over het gestort maatschappelijk kapitaal aan hare aandeelhouders is uitgekeerd, als het aantal jaren bedraagt, waarvoor de concessie, zo zij eerst met 1 Januari 1910 ware ingetrokken, nog aan de maatschappij zou verbleven zijn;
2°. Indien de Gemeente na de naasting de exploitatie aan derden opdraagt, betaalt zij als premie, geheel te harer keuze, hetzij een bedrag vertegenwoordigende, naar een rentevoet van 4 pCt. 's jaars, de met samengestelde interest (en in de onderstelling dat dividend en tantièmes betaalbaar zjjn op 1 Mei) berekende contante waarde van hetgeen aan de aandeelhouders boven 5 pCt. over het gestort maatschappelijk kapitaal en aan de Directie in tantièmes alsnog zoude ten goede komen, volgens de maatstaf van het gemiddelde der deswege werkelijk genoten sommen over de laatste 5 jaren, aan de naasting voorafgaande, wanneer de concessie eerst met 1 Januari 1910 ware ingetrokken ; hetzij het bedrag, vertegenwoordigende de industriële waarde, welke drie deskundigen, te benoemen en oordelende volgens de regelen van artikel 26 dezer concessie, aan de onderneming, eindigende 1 Januari 1910, boven die, door den kapitaalstaat aangeduid, zullen toekennen.
Er was nog ingekomen een amendement van de heeren Heemskerk en Hovy om uit de concessie te lichten de wijziging, dat na 1 Januari 1910 de gemeente zal moeten naasten naar de kapitaalstaat, en daarvoor in de plaats te stellen de bepaling hieromtrent van de vorige concessie. Dit amendement werd bestreden door de hh. Mr. De Vries, Bake en Van Nierop (leden van de commissie), die in het licht stelden, dat dit amendement eigenlijk neerkwam op een voorstel tot verwerping van de voordracht. Het amendement werd verworpen met 24 tegen 10 stemmen.
Van den Heer Hovy was nog ingekomen een amendement, om te verbieden, dat Zondags gereden zal worden.
In behandeling werd thans gebracht een motie van de h.h. Alting Mees, Vas Visser en Wüste, ingediend na intrekking van het amendement van deze heren en van de volgenden inhoud:
De Gemeenteraad, gezien het amendement van de heren Alting Mees, Vas Visser en Wüste om alsnog op te nemen in art. I sub B ; de lijn Amsteldijk, Sarphatipark, Perdinand Bolstraat, Stadhouderskade, Leidscheplein, gehoord de motieven van de voorstellers om dit amendement in te trekken, spreekt uit de wenselijkheid, dat zodanige lijn spoedig tot stand komt, en dit, zo mogelijk met een Ceintuurbaan, welke ook aan het terrein van de Handelsinrichtingen aansluiting vindt." (De Zitting duurt voort.)

30-5-1890
GEMEENTERAAD.
Züting van Woensdagavond 28 Mei (des avonds 7 ½ u.) Men was genaderd - met de voortzetting van dé behandeling der tramconcessie — tot art. 9. Op dit artikel waren amendementen ingekomen van de heren Heemskerk en Hovy en van de Heer Treub.
De laatste had voorgesteld ’s morgens van 4 of 5 uur tot 7 of 8 uur op alle lijnen ten minste elk kwartier tramwagens te doen lopen voor de helft van het vast te stellen tarief (zg. arbeiderstrams).
Het amendement van de heren Heemkerk en Hovy betrof het rijden van trams op zondag. Met de Zondagswet in de hand betoogde de heer Heemskerk dat alleen in geval van nood beroepswerkzaamheden mochten toegelaten worden op zondag. Hier nu was geen noodzaak aanwezig, meende spr. Voorts hield diezelfde wet strafbepalingen in tegen het maken van geraas en beweging op zondag. En deze bepalingen overschreden de trams. Spr. noemde dit een schending van de zondagswet, tegen welke wet, hoewel zij als verouderd werd beschouwd, de publieke opinie niet meer zo gekant is als vroeger. Beriep men zich nu op een contract met de gemeente, als deze concessie is, dan meende spr. dat het in strijd is met de roeping van een gemeenteraad om contracten aan te gaan welke indruisen tegen de wet. Spr. hoopte dat d egemeenteraad van Amsterdam er eindelijk eens toe zou overgaan omwa meer eerbeid voor de wet aan de dag te leggen.
De heer Mr. de Vries vond de zaak welke het hier gold – dienstbeperking voot het werkend personeel van de A.O.M. op zondag - te ernstig om haar af te doen met allerlei spitsvondigheden.
Het gaat niet aan in dezen zich op de Zondagswet te beroepen, was het de heer Heemskerk ernst geweest met zijn voorstel, dan had hij een praktische maatregele voorgesteld, gunstig voor het personeel en tevens niet strijdend met het belang van het publiek, dat ontspanning zoekt op zondag.
Tor de heer Treub zegt spr. dat B. en W. kunen gelasten arbeiderstrams te laten lopen in de wijken waar zij nodig zijn.
De Heer Sassen wil geen gezochte juridische argumenten aanvoeren, maar is uit sociaal oogpunt voor Zondagsrust. Maar de grootste vijanden van gezonde Zondagsrust zijn de hh. Heemskerk en Hovy, met hun totaal verbieden van alle arbeid op Zondag, en (want daar komt het op aan) van alle genoegens op Zondag. De spr. zou het betreuren als de Gemeenteraad aan deze overdrijving zou mededoen.
De Heer Hovy vond de Heer Sassen inconsequent en onbarmhartig; het eerste omdat hij zegt te zijn voor Zondagsrust en de toepassing niet wil, het laatste omdat de Heer Sassen als sociaal hervormer geen rustdag gunt aan de beambten van de tram. die, zoals hier zelf is getuigd, autocratisch d.w.z. met ijzeren hand geregeerd worden.
Ook de Voorzitter meende dat men te ver ging met de eisen dat de verkeersmiddelen zouden stilstaan des Zondags en deed uitkomen, dat ook vroeger diligences reden des Zondags, terwijl rijtuigen de mensen naar de kerk brengen en brachten. Aan de kerkgang wordt zelfs de tram dienstbaar gemaakt. De Heer v. Hall wil in het oog doen houden, dat het personeel van de tram des Zondags meer rust zal hebben dan op werkdagen. Spr. nodigt den Raad uit B. en W. te verzoeken hierover met de A. O. M. te overleggen.
De Heer Hovy ondersteunt dit voorstel en wil, dat het personeel om den anderen Zondag vrij zal liebben. De Heer Sassen heeft een sub-amendement op het amendement van de Heer Treub, betreffende arbeiderstrams, wat de Heer Treub overneemt.
Dit wordt daarna in stemming gebracht en met 27 tegen 5 stemmen verworpen.
Het amendement—Hovy (tot verbieden van rijden op Zondag) werd verworpen met 29 tegen 3 stemmen.
De motie—Van Hall (dat B. en W. de A. O. M. uitnodigt haar personeel op Zondag meer rust te geven) werd met 20 tegen 11 stemmen verworpen.
Omtrent art. 11, luidende : „De voerlieden, conducteurs en oprijders zijn onderworpen aan de bevelen, door of namens het hoofd der politie, in het belang der goede orde of openbare veiligheid gegeven, en kunnen door dezen, voor hoogstens éene maand, in de uitoefening hunner betrekking worden geschorst, ingeval zij aan die bevelen niet voldoen of zich schuldig maken aan ongepaste bejegening van het publiek of van de politie," had de Heer Treub bezwaar, welk lid voorstelde weg te laten al hetgeen volgt op het woord „gegeven" aan het einde van de vierde regel. Hij meende, dat tegenover een particuliere maatschappij dergelijke inmenging op die wijze niet te pas kwam.
Daar evenwel andere leden deze zienswijze bestreden en de Voorzitter opmerkte, dat bij de concessie aan de Tram-Omnibus-Maatschappij en Rijtuig-Vereeniging een dergelijke bepaling wel degelijk door de Raad was goedgekeurd, trok de Heer Treub zijn voorstel in.
Omtrent art. 14 (regelende de winstverdeling) stelde de Heer Treub voor, dat van de jaarlijkse nettowinst in de eerste plaats 6 % over het gestorte kapitaal aan de Maatschappij wordt uitgekeerd en het overblijvende tot een maximum van 6 %, eveneens berekend over het gestorte kapitaal der Maatschappij, aan de gemeente wordt uitbetaald, terwijl het restant tussen de gemeente en de Maatschappij wordt verdeeld in dier voege, dat daarvan aan de gemeente 3/8 en aan de Maatschappij 5/8 gedeelte toekomen. De spr. verdedigde dit voorstel op grond hiervan, dat men bindt de Maatschappij tot een exploitatie en het haar zeer moeilijk maakt de exploitatie te verbeteren in haar eigen belang en in dat van het publiek. Spr. bedoeling was te doen uitkomen, dat bij minder gunstige exploitatie iets minder aan de gemeente kon worden uitgekeerd, maar bij verbetering van de exploitatie ook een groter bedrag.
De Heer J. C. de Vries meende, dat bij de kwestie der winstverdeling niet mocht gevraagd worden: welke verbetering kunnen wij op deze wijze krijgen iv de bestaande concessie ? Het voorgestelde door de commissie was daarom dan ook gebaseerd op de bestaande concessie. Gold het hier een nieuwe concessie dan zou spr. misschien vragen: moet niet het retributiestelsel vervangen worden door een participatiestelsel ?
Spr. merkte op, dat het hoogste dividend van de A. O. M. is geweest 14% (door elkaar 10%) en zegt dan dat in het amendement ligt een bezwaar dat men dan niet meer zal krijgen dan 6% en dus daarin nooit zal toestemmen. Doch dat daargelaten, dan strijdt het amendement-Treub met de grondslag van de bestaande concessie en met die bepalingen, welke de Commissie reeds van de A. O. M. heeft verkregen.
De Heer Heineken acht het argument van de Heer de Vries uitsluitend in het belang van de A. O. M., doch spr. meent dat wel degelijk in andere zin de concessie in de grondslag gewijzigd is, nl. daar waar de concessie schijnbaar in 1910, maar in werkelijkheid afloopt in 1950. Spr. wijst de Heer De Vries op de onjuistheden in zijn becijfering en toont aan, dat men zou komen tot een uitkering over de netto winst van 24 pCt. Zooals de Heer De Vries wil, komt men tot een concessie in het nadeel van de gemeente. De financiële regeling is gebaseerd op een concessie van 60 jaar. Dus men moet niet zeggen dat men geen principiële veranderingen heeft aangebracht.
De Voorzitter merkte op, dat men een concessie heeft behoudens naasting en met de bepaling dat alsdan de A. O. M terug geeft wat voor haar is uitgegeven. Spr. becijferde voorts, dat deze regeling niet was in het nadeel van de gemeente en dat de regeling wel eens kon indruisen tegen het belang van de gemeente en in het voordeel zijn van de A. O. M., want thans krijgt de gemeente uitkering vóór de aandeelhouders iets hebben, terwijl het bij de Heer Treub juist omgekeerd is.
De Heer Van Nierop merkte op, dat de commissie was uitgegaan van de mening, dat de concessie moest herzien worden, in verband met de nieuwe verkeersweg en op sommige andere punten. Dit punt nu meende spr. had niet behoeven herzien te worden. De Heer Treub heeft op éen punt gelijk, doch wat staat hier tegenover? Dat bij participatiestelsel — gelijk de Heer Treub wil — de A. O. M., als zij eens ongunstige jaren heeft, aan de gemeente niets zal uitkeren. Dat zou onbillijk zijn tegenover anderen, bv. een stationerend rijtuig of kooplui met vaste standplaats, die winst of niet een vaste vergoeding moeten geven aan de gemeente.
Het staat toch niet vast, dat de A. O. M. altijd bloeien zal. Men heeft breed uitgemeten van de nadelen van het retributiestelsel maar de nadelen van het participatiestelsel heeft men onbesproken gelaten.
Men heeft hieromtrent gewezen op de Ned. Bank, maar spr. vond het -opmerkelijk, dat daar reeds bij de eerste regeling een klein geschil is gerezen. Bij de A. O. M. zullen tal van geschillen rijzen vreest spr., hetgeen hij nader toelicht.
De Heer Treub merkt de Heer de Vries op, dat hij niet anders gedaan heeft dan niet-ontvankelijkheid pleiten. Het doet spr. genoegen, dat de Heer de Vries nu niet als in de middagzitting telkens heeft gezegd: de A.O.M. neemt het voorgestelde niet aan maar dat hij heeft gezegd: het is een incidentele quaestie. Ten onrechte sprak zowel de Heer de Vries als de Heer Van Nierop van een vaste retributie, en deze retributie is niet vast, omdat zij wordt berekend naar de bruto ontvangsten. Juist bij een concessie als deze, waar men zo makkelijk kon overzien dat de voorgestelde regeling tegenwerkt een verbetering ten opzichte van verhoging van de exploitatiekosten, mag men zich niet afmaken van de zaak met te zeggen: daar mogen wij niet over spreken, dat hebben wij tien jaar geleden al gdaan. Wel is deze concessie altijd ophefbaar, maar de zienswijzen kunnen veranderen, en dat zal men in de eerste jaren niet geneigd zijn te doen.
Het nadeel van de regeling der concessie bestaat in het minst niet. Wat de opmerking van de voorzitter hetreft, zei spr. dat hij wel een mindere uitkering aan de A. O. M. zou gunnen, wanneer daardoor verkregen werden minder rendeerende maar voor de burgerij toch gewenste lijnen. De Heer De Vries meende dat, als de Heer Treub meent dat participatie beter is dan retributie, dan is toch het tijdstip ongunstig gekozen daarvoor thans een lans te breken, want nogmaals merkte spr. op, dat komt bij deze gewijzigde concessie niet te pas. Kan men werkelijk zeggen, dat deze concessie is een doorloopende tot 1950, waar men het recht heeft de A. O. M. te naasten in 1910?
Wat de tarieven betreft merkte spr. op dat in de middagzitting de maxima 6 ½ en 10 cent was vastgesteld. Nu moet men niet trachten op andere wijze die cijfers te verlagen. Dan had men de maxima lager moeten stellen. Sprekers hoofdbezwaar was en bleef dat men bij participatiestelsel ook moest mede exploiteren en de bezwaren hieraan verbonden ontwikkelde spreker.
De Heer Luden zou gaarne zien, dat voortgegaan werd op het standpunt door de Heer Treub aangegeven, want het beginsel daarin gelegen omhelst spr., doch voor het overige meent hij de toepassing van dat beginsel, zooals de Heer Treub dit wil, te moeten bestrijden. Ten onrechte trekt de Heer Treub niet af van de bruto-ontvangsten, de tantièmes van directie en commissarissen. Wanneer men aandeel wil hebben in de netto winst, dan moet men onder winst ook alleen begrijpen de zuivere netto winst en alles daar af nemen wat genoemd kan worden onkosten in de ruimsten zin genomen.

De Heer Pijnappel zegt, dat het beginsel van den Heer Treub is een erkend economisch stelsel, maar de Heer Treub slaat er een slag in daar waar het erop aankomt het toe te passen. Men kan evenwel regelingen treffen, die maken dat de retributie zo nodig in het belang van de gemeente kan gewijzigd worden.
De Heer Heineken herinnert de Heer de Vries, dat het mandaat van de commissie niet is geweest een wijziging van de concessie, maar dat haar opdracht luidde: de oostelijke en westelijke lijn te verkrijgen op de meest voordelige wijze voor de gemeente.
De spr. stelde voor het amendement van de Heer Treub te renvoyeeren naar de commissie, er op wijzende welke financiële nadelen de gevolgen zullen zijn bij aanneming van de voorgestelde regeling. Spr. toonde voorts aan, dat alle bezwaren, door de Heer Pijnappel genoemd, reeds in deze concessie bestaan. Spr. deed uitkomen dat het amendement van de Heer Treub berust op hetzelfde beginsel waarop de hh. Bake en Dijkmans hun voorstel betreffende de electriciteitsconcessie gedaan hebben. De Voorzitter vraagt of het grote praktische bezwaar, dat de Heer Treub in het retributie-stelsel vindt, zo slecht gewerkt heeft op de exploitatie van de A. O. M. Deze Maatschappij wordt nog in het buitenland als een voorbeeld gesteld. Heeft het b. v. tariefsverlaging tegengehouden of gemaakt dat het personeel niet behoorlijk behandeld werd? Nog altijd komen lieden tot spr. hem verzoeken voorspraak te zijn ter verkrijging van een betrekking bij de A. O. M., dat zij als een begeerlijke positie voorstellen.
De Heer Bake, die in beginsel aan de zijde van de Heer Treub zei te staan, ontwikkelde de praktische bezwaren in het amendement van de Heer Treub, welke hem niettemin noopten te stemmen tegen diens amendement.
De Heer Hovy meende, dat in deze concessie het participatiestelsel wel op haar plaats zou zijn, doch spr. kon niet medegaan met het amendement van de Heer Treub zoals het daar lag. In beginsel ging spr. met de Heer Luden, om in deze concessie in te vlechten een ander stelsel dan het thans gevolgde.
De Heer Treub erkende, dat hij, bij gemis van de noodige gegevens, zijn amendement niet heeft kunnen formuleeren zoals wel gewenscht was. Bij aanneming van zijn amendement zou evenwel de wijze van participatie in overleg met de commissie nader geregeld kunnen worden. De Heer Luden vroeg: heeft de commissie de kwestie van participatiestelsel onderworpen aan het oordeel van de A. O. M.? De Heer Van Nierop herhaalt, dat hij in het retributiestelsel veel goeds vindt en toont aan dat door stijging van de exploitatiekosten voordeel voor de A. O. M. en uit daling geen nadeel voortvloeit voor de Gemeente. Spr. herinnert nogmaals dat de A. O. M. die nu bloeit kan achteruitgaan. Men heeft het gezien, zegt spr., met de Duinwater-Maatschappij. Deze gaf eenmaal hoge dividenden, nog hoger dan de A.O.M. ... „Maar geen water!" riep de Heer Sassen. De Heer Heineken stelde, nu zoveel bezwaren waren ingebracht tegen het amendement-Treub, de volgende motie voer: De Gemeenteraad, overwegende dat het wenselijk is dat de gemeente een aandeel ontvangt in de netto ontvangsten van de A. O. M., verzoekt de commissie in die geest art. 14 van de concessie te wijzigen. Deze motie werd nu in stemming gebracht en met 25 tegen 8 stemmen verworpen. Voor stemden de hh. Berns, Van Hall, Heemskerk, Heineken, Hovy, Luden, Moltzer en Treub.
De vergadering werd hierna geschorst tot Donderdagmiddag 1 uur.

Ter Secretarie is ter lezing gelegd
No. 297. Amendementen op de voordr. No. 238 in zake de aanhangige tramwegaanvragen, benevens een motie, naar aanleiding van art. 18 dezer voordr. van het Raadslid Mr. M. W. F. Treub:
1. Art. 2 al. 1 te lezen als volgt: „De Gemeente heeft het recht om binnen het gedeelte der Gemeente, begrensd tot het Westelijk boord der Buitensingelgracht, zelve tramlijnen aan te leggen of bestaande lijnen te verlengen en die lijnen te exploiteeren. De Gemeente is bovendien vrij :" enz. En in te voegen in art. 2 op bladz. 204 regel 5, tusschen de woorden: „In geval van weigering" en „laat de Maatsch. toe": „alsmede in geval de Gemeente van het door haar in het eerste lid van dit artikel voorbehouden recht gebruik maakt."
2. In art. 2, 2o in te voegen achter de woorden „A. O. M.: „deze lijnen te kruisen en voor het tot stand brengen der verbinding de grenzen" enz.
3. In art. 2 tusschen de woorden: “gezamenlijk en “”te aanvaarden of te weigeren” in te voegen: „zonder eenig voorbehoud." 4.
4. In art. 2, achter de woorden: „vergoeding voor de beschikbaarstelling van haar eigendom" in te voegen: „welke, bij gebreke van minnelijke overeenstemming, daaromtrent zal worden bepaald door drie scheidslieden, te benoemen en oordeelende als in art. 26 is bepaald."
5. Aan het slot van art. 4 toe te voegen : „De Raad kan het nemen van dergelijke proeven voorschrijven, met aanduiding van de lijn, waarop, en den tijd, gedurende welken zij genomen moeten worden".
6. Als 2e lid van art. 9 op te nemen: „Bij de vaststelling der dienstregelingen wordt bepaald, dat van 1° Oct. tot ult°. Maart, des morgens van vijf uur tot acht uur, en van 1° April tot ult°. Sept., des morgens van vier uur tot zeven uur, op alle lijnen ten minste elk kwartier tramwagens moeten loopen, en dat de Mij. in die uren van het vervoer per persoon en per rit in geld niet meer mag vorderen, dan de helft van het overeenkomstig het voorgaande art. vast te stellen tarief."
7. Uit art. 11 weg te laten al hetgeen volgt op het woord „gegeven", in het midden van de derden regel.
8. De drie eerste leden van art. 14 te vervangen door de volgende bepalingen: „Van de jaarlijksche netto-winst, gerekend van 1 Jan. 1890, komt in de eerste plaats 6 pCt. van het gestorte kapitaal aan de Mij.; het overblijvende komt tot een maximum van 6 pCt., eveneens berekend over het gestorte kapitaal der Mij., aan de Gemeente. Het restant wordt tusschen de Gemeente en de Mij. verdeeld in dier voege, dat daarvan aan de Gemeente 3/8 en aan de Mij. 5/8 gedeelten toekomen. Als netto-winst wordt beschouwd hetgeen van de bruto-ontvangsten overblijft, na aftrek van: 1° de expl.-kosten, waaronder ook zijn begrepen alle uitgaven, gedaan voor onderhoud of vernieuwing; — 2° de vaste salarissen van directie, ingenieurs, bedienden en controle ; — 3° assurantie, huren, drukloonen en verdere administratiekosten ; — 4° belastingen en retributiën ; — 5° de afschrijvingen, gedaan overeenkomstig het bepaalde in art. 18, letters d en ƒ; — 6° de renten van geldleeningen; — 7°. de kosten der voorziening in geval van invaliditeit, ongelukken en overlijden van het aan de directie ondergeschikte personeel. Als bruto-ontvangsten worden beschouwd: 1° alle ontvangsten van het vervoer op alle door de Mij. geëxploiteerde tram- en omnibuslijnen; 2°. de vergoeding door andere ondernemingen aan de Mij. voor het medegebruik van hare lijnen toegekend ; — 3°. alle verdere ontvangsten, hoe ook genaamd, of uit welken hoofde ook, met uitzondering van den interest van het op 1 Jan. 1890 aan de Mij. toebehoorende reservefonds. Jaarlijks, in den loop der maand Jan., wordt door het bestuur der Mij. aan den Raad schriftelijk opgave gedaan van de opbrengst van het vervoer in het afgeloopen jaar, onder bijvoeging van al zoodanige bewijsstukken als door de Raad worden verlangd. Jaarlijks voor ult. Mei worden door het bestuur der Mij. afschriften van de balansen van de winst- en verliesrekening, vergezeld van de verlangde bewijsstukken, aan de Raad verstrekt, ter beoordeeling in hoeverre het aandeel in de winst, dat overeenkomstig dat art. aan de Gemeente toekomt, juist is bepaald. Het bedrag van het winstaandeel wordt op de eerste uitnoodiging van B. en W. voldaan." En in verband hiermede weg te laten de 5e alinea van art, 14.
9. In art. 15 1e al. te veranderen de woorden: „die vooraf door de Gemeente" enz., in : „die voor rekening der Gemeente wordt of is aangelegd." In het voorl. lid van hetz. art. te lezen, in de plaats van „voordeelige saldi, na deze vereffening verkregen, worden gelijkelijk tusschen de Gemeente en de Mij. gedeeld:" „Van de voordeelige saldi, na deze vereffening verkregen, komt 75 pCt. aan de Gemeente en 25 pCt. aan de Mij." En in de laatste alinea te laten wegvallen: „alinea 3."
10. Voor het geval mijne onderstaande motie niet mocht worden aangenomen.- a. In art. 18 de woorden „als door B. en W., na overleg met de Mij., zal worden vastgesteld", te veranderen in: „als door den Raad zal worden vastgesteld. De voordr. daartoe wordt door B. en W., na overleg met de Mij., opgemaakt." — b. In art. 18 achter 2°. (bladz. 211) in te voegen: „Ingeval de naasting vóór 1 Jan. 1895 geschiedt, wordt voor de berekening van de premie ook gelet op de dividenden (en tantièmes), onder de werking der vorige concessie binnen vijf jaren, aan de naasting voorafgaande, uitgekeerd."
11. Het eerste lid van art. 21 te vervangen door: „De Mij. is verplicht: a. het aan de directie ondergeschikte personeel ten genoegen van B. en W. te verzekeren tegen ongelukken, welke aan dat personeel in en door den dienst bij de Mij. overkomen, en b. onder goedkeuring van B. en W. voorzieningen te treffen in geval van invaliditeit en overlijden van het genoemde personeel".
12. In te voegen als nieuw 2e lid van art. 21: „Het aan de Direotie van de Mij. ondergeschikte personeel heeft geen langeren werktijd dan ten hoogste 60 uren per week; het heeft wekelijks ten minste één geheel vrijen dag".
Motie.
De Verg. besluit, de Tramcommissie uit te nodigen art. 18 harer voordr. in dier voege te wijzigen, dat in geval van naasting hetgeen door de Gemeente aan de Mij. moet worden betaald, buiten en behalve de premie, wordt bepaald: a voor het net, gelijk het op 1 Jan. 1890 was, op gelijke wijze als in art. 15 der bestaande concessie is omschreven, en b voor de uitbreidingen, die ten gevolge der nieuwe concessie zullen geschieden, volgens het beginsel, in art. 18 der voordr. neergelegd.

30-5-1890
GEMEENTERAAD
Vervolg der zitting van gistermiddag.
De Heer Dijkmans meende, dat deze motie een wijdere strekking moest hebben, en stelde daarom voor, dat de Raad de wenselijkheid zou uitspreken van het tot stand komen van meer tramlijnen in de buitenwijken, buiten het recht van voorkeur van de A. O. M. Spr. stelde voor, dat, om dit te onderzoeken, een raadscommissie van 7 leden zou worden benoemd.
De Heer Berns zeide al zijn amendementen te handhaven en stelde derhalve voor de verplichting tot aanleg van de volgende lijnen in de concessie op te nemen:
a. van einde Oostenburgergracht langs Nassaukade, Dapperstraat, van Swindenstraat (later Wijttenbachstraat), met aansluiting aan de lijn Dam—Linnaeusstraat; —
b. van einde Sarphatistraat voortzetting tot Muiderpoort en aldaar verbinding met de lijn Dam—Linnaeustraat; —
c. van Haarlemmerplein langs Nassauplein, Nassaukade en aldaar aansluiting aan lijn Dam—Lange Bleekerspad; —
d. van Nassaukade naar Westerstraat, Prinsengracht, Prinsenstraat, Heerenstraat, Blauwburgwal, Lijnbaansteeg tot N. Z. Voorburgwal, en vandaar zowel aansluiting op de Prins Hendrikkade met de lijn Dam— Haarlemmerplein—Houthaven als aansluiting met de Dam.
Voorts stelde spr. voor nog aan de voordracht toe te voegen, dat de Amst. Omnibus-Maatsch. verplicht zal zijn, zodra de uitbreiding der Gemeente zulks zal vorderen en toelaten, op aanzegging van het Gemeentebestuur aan te leggen de navolgende lijnen:
a. een verbinding van de lijn Leidscheplein—Concertgebouw met de lijn Amsteldijk—Govert Flinckstraat, Stadhouderskade, Leidscheplein, die de Ruysdaelkade kruist en met de laatstgenoemde lijn, waar deze de Govert Flinckstraat verlaat, samentreft; —
b. een verbinding van het uiteinde der lijn Leidscheplein—Overtoom, achter Vondel- en Willemspark, hetzij met het uiteinde der lijn Leidscheplein—P. C. Hooftstraat, of met de zijtak van die bij het Concertgebouw; —
c. een verbinding van de lijn Leidscheplein—Overtoom van het einde van de Overtoom langs de Kostverloren vaart naar het Haarlemmerplein, aansluitend aan de Dam—Houthaven, met de alsdan nodig blijkende vertakkingen, om het verband met de reeds bestaande lijnen daar te stellen.
De Heer Heemskerk stelde voor, de motie-Dijkmans uit te stellen tot na de beslissing over de voordracht.
De Heer De Vries zeide zich met de motie—Dijkmans te kunnen verenigen, maar meende dat het onderzoek, als daartoe beter bevoegd dan een raadscommissie, aan B. en W. moest worden opgedragen. Voorts merkte spr. de Heer Berns op dat de aanneming van zijn amendement om een lijn door de Lijnbaansteeg te leggen — wat gepaard zou moeten gaan met verbreding (op kosten van de A. O. M.) van Prinsen- en Heerenstraten — zou gelijkstaan met verwerping van de voordracht.
Wat verder de lijn naar de Muiderpoort betreft, door de Heer Berns voorgesteld, herinnerde spr. dat men dan de terreinen van de Rhijnspoor moest betreden, wat ook een onoverkomelijke zwarigheid zou blijken.
De Heer Berns lichtte nog eens toe, dat de door hem voorgestelde lijnen thans beter konden tot stand komen dan later, en stelde voor de concessie uit te stellen totdat de zaak nader zou zijn onderzocht. De Heer Sassen wees op het zonderlinge om de lijnen, die de voorstellers bij amendement als noodzakelijk hadden beschouwd, nu bij motie te doen vervallen.
De Heer Alting Mees deelde mede, dat na de indiening van de motie—Dijkmans, hij de zijne introk.
De Heer Hovy had liever gezien dat de commissie haar mandaat wat wijder had opgevat en dat zij ook zelfstandige voorstellen had gedaan tot aanlegging van die lijnen, welke inderdaad noodig zijn (b. v. buitenlijnen). Doch nu dit niet is geschied, zou spr. hiertoe alsnog maatregelen willen zien voorgesteld. De Heer Daniëls deed uitkomen, dat het beter was een onderzoek omtrent nieuw aan te leggen lijnen te doen plaats hebben door een commissie dan geheel onvoorbereid te gaan spreken over een reeks van lijnen als door de Heer Berns wordt voorgesteld. De Heer Heineken zeide, dat het niets betekende eenvoudig — als in de motie geschiedt — een wenselijkheid uit te spreken, zonder nadere omschrijving. Spr. is het met de Heer Pijnappel eens, dat een zodanige motie volkomen overbodig is.
De Heer Dijkmans verdedigt de motie en meent dat zij wel nodig is, omdat het beter is dat de gemeente aanwijst welke nieuwe lijnen nodig zijn als dat men eerst de verschillende concessie-aanvragen afwacht.
Ten slotte wordt op voorstel van de Heer Heemskerk de motie uitgesteld tot na de beslissing omtrent de voordracht.
Alsnu kwam aan de orde art. 1 van de concessie, met de amendementen van den Heer Berns en die van enige andere leden, door die heer overgenomen. Art. 1 luidt aldus : De Maatschappij belast zich met:
A. het onderhoud en de exploitatie, voor hare rekening, van de thans bestaande en door haar aangelegde lijnen, vallende onder de concessie, aan haar verleend bij Raadsbesluiten van 9 Juni en 6 September 1881, of sedert, krachtens die concessie, door haar aangelegd, te weten : de lijnen Dam—Sarphatistraat; Dam—Vondelstraat; Dam—Prins Hendrikkade ; Dam—Haarlemmerplein ; Dam—Pieter Corneliszoon Hooftstraat; Dam—Linnaeusstraat; Dam—Amsteldijk; Dam—Centraal-Station; Dam—Rijnspoor ; Haarlemmerplein—Leidscheplein ; Leidscheplein—Plantage; Leidscheplein—Vondelkade; alsmede de verlengden van bestaande lijnen, zijnde de gedeelten Kadijksplein—noordelijk einde der Czaar Peterstraat, en Tulpplein—Weesperzijde, tot de grens der gemeente ;
B. den aanleg, het onderhoud en de exploitatie, voor hare rekening, van de lijn Dam—Nassaukade— Bilderdijkstraat; de lijn Centraal-Station—Jonas Daniël Meijerplein—Weesperplein—Weesperzijde, en den zijtak uit de Czaar-Peterstraat naar het Abattoir, overeenkomstig de tracés, als op de bij deze concessie behoorende, door beide partijen gewaarmerkte teekeningen is aangewezen, geldende de zijtak naar het Abattoir als verlengde van de lijn Dam—Prins Hendrikkade.
Na het gereedkomen der lijn Centraal-Station— Weesperzijde, onder B hiervoren genoemd, wordt het gedeelte Tulpplein—Weesperzijde in de eerstvermelde lijn opgenomen en geldt dit niet meer als verlengde van de lijn Dam—Sarphatistraat.
Binnen een door B. en W. na het aanvaarden dezer concessie te bepalen termijn wordt het gedeelte van de lijn Leidscheplein—Plantage, begrepen tusschen de Sarphatistraat en de Plantage, door de Maatschappij verlegd volgens het tracé, dat op de mede bij deze concessie behoorende, door beide partijen gewaarmerkte teekening is aangewezen.

Tegen B. hebben de hh. D. Jitta en Pijnappel enkele bezwaren, en wel wat betreft de verbreding van de brug over de Warmoesgracht. De laatste meende dat een eventuele plaatsing van de Beurs tussen de Heeren- en Keizersgracht niet werd in de hand gewerkt door de voorgestelde loop van de lijn Dam—Nassaukade, terwijl de eerste vroeg of het bepaalde omtrent de tracés voor de A. O. M. verbindend was. Hier zouden zich practische bezwaren kunnen voordoen.
De Wethouder van P. W. zeide, dat voor een latere beursbouw de onteigening zou kunnen worden uitgebreid, terwijl hij de Heer Jitta opmerkte, dat over de tracés, zo vereist, in een schikking zou kunnen worden getreden. Tot de Heer Van Hall, die vroeg of ook het lijntje naar de Verlengde Vondelstraat zou tot stand komen, zei de Wethouder, dat hieromtrent nog geen bepaalde beslissing was genomen, en tot de Heer Hovy, die hetzelfde vroeg omtrent een lijn langs de Kattenburgerkade, dat omtrent de aanleg van deze lijn geen onderhandelingen waren gevoerd.
De Heer Korthals Altes verdedigde den aanleg van een lijn langs de De Ruyterkade, mede door de Heer Berns voorgesteld, waarbij de Voorzitter opmerkte, dat de handel zelf hiertegen was wegens de last dien men zou hebben van de rails. Het amendement van de Heer Berns omtrent de lijn Sarphatistraat werd daarna in stemming gebracht en verworpen met 24 tegen 11 stemmen.
Zijn overige amendementen met 25 tegen 10 stemmen.
Art. 1 werd vervolgens met de wijziging, daarin door de commissie zelve gebracht (zie boven), zonder hoofdelijke stemming aangenomen.
Hierna werd in behandeling gebracht: een amendement van de Heer Treub op art. 2, om aan de gemeente het recht te geven om in de oude stad zelve tramlijnen aan te leggen of bestaande lijnen te verlengen en die lijnen te exploiteren. Het werd verworpen met 27 tegen 8 stemmen. Een amendement van de heren Wüste en Dijkmans (eveneens op art. 2), luidende : „De voorgeschreven last kan, met inachtneming der daarbij gestelde bepalingen, doch uitsluitend voor goederenvervoer, worden uitgebreid, zóo, dat hij niet enkel geldt voor gedeelten van lijnen, maar ook van toepassing wordt op een of meer geheele lijnen," werd aangenomen met 19 tegen 16 stemmen.
De volgende artikelen van de concessie werden nu zooals zij luidden of met kleine wijzigingen vastgesteld tot art. 6, waarin vermeld wordt, dat de A. O. M. dubbel spoor moet aanleggen overal waar dit is voorgeschreven of door de Gemeenteraad, op voorstel van B. en W., wordt bevolen. Sommige leden stelden voor de gecursiveerde woorden uit het artikel te lichten. Dit voorstel werd echter met 21 tegen 18 stemmen verworpen.
Art. 7 (regelend het aantal passagiers) gaf mede aanleiding tot eenige discussie. De Heer Mees besprak het aantal kinderen, dat toegelaten mocht worden, en stelde voor, de A. O. M. te gelasten ook binnenin de wagens de richting aan te geven, waarin men zich beweegt, opdat vreemdelingen of onwetenden niet op een verkeerde lijn plaats nemen. De Voorzitter eaf de spreker de verzekering dat beide wensen aan de A. O. M. zouden worden kenbaar gemaakt.
Art. 8 betrof het tarief, luidende :
“a. voor het vervoer per persoon en per rit langs elke lijn, in artikel 1 onder A en B genoemd, met inbegrip van het verlengde daarvan, worden door de Maatschappij abonnementskaartjes verkrijgbaar gesteld voor ten hoogste 7 ½ cents per stuk en mag zij, in geld, ten hoogste 12 ½ cents vorderen;
b. de bij het verleenen dezer concessie getroffen regeling omtrent de overstapkaarten op de lijnen onderling blijft van kracht, voor zooveel daarin niet, onder goedkeuring van B. en W., wijziging wordt gebracht”
De hh. Dijkmans en Meltzer hadden bij amendement voorgesteld de abonnementskaartjes op 7 ½ cent en de prijs van een rit in geld op 10 cent te bepalen.
De hh. Becker en De Vries van Buuren stelden voor ten hoogste 6 ½ voor de kaartjes en in geld ten hoogste 7 ½ cent. De Heer Mr. de Vries, lid van de Commissie, zei dat de Commissie bij de A. O. M. alle moeite had aangewend om de 7 ½ ct. veranderd te krijgen in 6 ½ ct. maar dat de A. O. M. dit geweigerd had, niet om dat zij van plan was de 6 ½ ct. op 7 ½ ct. te brengen, maar omdat zij onder eventuele omstandigheden zich het recht wil voorbehouden om 7 ½ cents te stellen. De verlaging van 12 ½ tot 10 cents vond spr. niet noodig, eensdeels omdat ieder toch kaartjes kan kopen en ook vreemdelingen dit zelfs spoedig als voordeliger leren inzien, anderdeels omdat een deel van het publiek dit zelf niet verlangt: „sommige menschen vinden er nl. een soort van chic in," zeide spr., „om nooit kaartjes te nemen, maar altijd in geld te betalen. Dat vinden zjj voornamer!"
De Voorzitter deelde mede, dat van het aantal passagiers op de Pinksterdagen (70,000) slechts 5 pct. in geld betaald hadden, 5 pct. overstapkaartjes hadden, en de overigen van kaartjes voorzien waren. Een bewijs, meende spr. dat het niet-nemen van kaartjes grotendeels door buitenmensen geschiedt. Ook de Heer Heineken achtte de boete voor het niet nemen van kaartjes te hoog. Voor meergegoeden, die de kaartjes bij boekjes tegelijk nemen, is dat te doen, maar voor de mindere man niet. Ook verenigde spr. zich met het eerste gedeelte van het amendement der heren Becker en De Vries van Buuren om de kaartjes te stellen op 6 ½ cent. Dit amendement (kaartjes 6 ½ cent en in geld 7 ½ ct.) werd daarna met 22 tegen 10 stemmen verworpen. Het amendement Dijkmans en Moltzer (overstapkaartjes ten hoogste 7>_T cent en de prijs per rit in geld ten hoogste 10 cent) werd vervolgens aangenomen met 18 tegen 14 stemmen.
De zitting werd hierna verdaagd tot hedenavond half acht.

GEMEENTERAAD
Zitting van Donderdag 29 Mei (1 uur). Voorzitter: Mr. G. van Tienhoven. De gisteravond geschorste zitting werd heden voortgezet met de verdere behandeling van de tramconcessie. Het debat werd aangevangen met de behandeling van art. 15, luidende : „De Maatschappij is verplicht, op verlangen der Gemeente en voor hare rekening, zich te belasten met het onderhoud en de exploitatie, en desgewenscht met den aanleg, van elke lijn, die vooraf door de Gemeente aan de Maatschappij zelve is aangeboden, doch door deze niet op de door de Gemeente gestelde voorwaarden is aanvaard. „De kosten van aanleg van zoodanige lijnen worden door de Gemeente binnen drie maanden na den aanvang der exploitatie aan de Maatschappij terugbetaald. „Voor bedoelde tramlijnen wordt eene afzonderlijke exploitatie-rekening gevoerd. „Nadeelige saldo's komen ten laste van de gemeente, voordeelige saldo's komen, zoolang de nadeelige saldo's van vorige jaren niet zijn ingehaald, geheel aan de gemeente, voordeelige saldo's, na die vereffening verkregen, worden gelijkelijk tusschen de gemeente en de A. O. M. verdeeld."
Op dit artikel was een amendement ingekomen van den Heer Treub, om namelijk in de 1e al. te veranderen de woorden: „die vooraf door de gemeente enz.", in : „die voor rekening der gemeente wordt of is aangelegd." , In het voorlaatste lid van hetzelfde artikel te lezen in de plaats van „Voordeelige saldi, na deze vereffening verkregen, worden gelijkelijk tusschen de gemeente en de Maatschappij gedeeld": „Van de voordeelige saldi, na deze vereffening verkregen, komt 75 pCt. aan de gemeente en 25 pCt. aan de Maatschappij."
De Heer Treub lichtte zijn amendement kortelijk toe. De Heer Hovy meende, dat hierbij niet werd toegepast het door de commissie omhelsde standpunt, dat de A. O. M., als zij deelt in de winst ook moet delen in het verlies. Spr. diende in deze geest een amendement in.
De Heer Mr. de Vries deed de bedoeling van art. 15 uitkomen. Deze was: als de gemeente een lijn wil aanleggen op zekere voorwaarden, die niet gewenst wordt, noch door de A. O. M., noch door derden, de gemeente de A. O. M. toch kon nopen, deze lijn te exploiteren op kosten van de gemeente. De Heer Bake voegde hieraan toe, dat het kapitaal van de A. O. M., in de exploitatie van dergelijke lijnen te steken, groter zal zijn dan dat van de gemeente ; derhalve is er wel grond voor deze verdeling half om half. Zij kon in geen geval worden genoemd een voor de gemeente nadelige regeling. Het denkbeeld van de Heer Hovy noemde spr. een onbillijke eis. De Weth. van P. W. merkte op, dat het voordeel wat de gemeente hierbij bedongen heeft, hierin bestaat, dat de A. O. M. zal moeten exploiteren tegen de gemiddelde kosten per tramkilometer.
Het amendement-Treub, in stemming gebracht, werd verworpen met 21 tegen 3 stemmen. Het amendement-Hovy werd insgelijks verworpen met 22 tegen 2 stemmen.
Aan de orde was thans art. 18 (betreffende de voorwaarden van naasting), waarop door de Heer Treub de volgende motie was ingediend: De vergadering besluit, de Tramcommissie uit te nodigen art. 18 in dier voege te wijzigen, dat in geval van naasting hetgeen door de Gemeente aan de Maatschappij moet worden betaald buiten en, behalve de premie, wordt bepaald: „a. voor het net, gelijk het op 1 Januari 1890 was, op gelijke wijze als in art. 15 der bestaande concessie is omschreven; en b. voor de uitbreidingen, die tengevolge der nieuwe concessie zullen geschieden, volgens het beginsel in art. 18 der voordracht neergelegd."
De Heer Treub zei over deze motie, na al het aangevoerde bij de algemeene beraadslagingen, kort te kunnen zijn. Spr. bepaalde zich tot toelichting van zijn motie aan te voeren, dat z. i. voor het oude bestaande net kon worden genaast op de ouden voet, d. w. z. door middel van taxatie en voor de onkosten voortvloeiende uit de aanleg van de nieuwen verkeersweg naar de kapitaalstaat. Nadat de heeren De Vries, Dijkmans en Bake artikel 18 kortelijk hadden toegelicht, werd de motie-Treub in stemming gebracht en met 22 tegen 4 stemmen verworpen. De Heer Treub had nog voor het geval, dat zijn motie niet werd aangenomen een amendement, om te voorkomen dat de A. O. M. op materieel en paarden te veel zou afschrijven, waartegen de Heer Van Nierop opmerkte, dat dit 1°. voor de gemeente zoveel bezwaar niet inhield en 2°. dat dit in geval van naasting voor de A. O. M. zelf zou nadelig zijn. Na eenige discussie trok de Heer Treub zijn amendement in.
Daarna werd gestemd over een amendement van de Heer Treub, om in art. 18 in te voegen: „Ingeval de naasting voor 1 Januari 1895 geschiedt, wordt voor de berekening van de premie ook gelet op de dividenden (en tantièmes), onder de werking der vorige concessie binnen vijf jaren, aan de naasting voorafgaande, uitgekeerd." Dit amendement werd verworpen met 16 tegen 10 stemmen.

31-5-1890
GEMEENTERAAD.
(Vervolg der zitting van gisteren.)
De Heer Pijnappel vroeg enige inlichtingen omtrent de in de concessie gestelde regelen voor het opmaken van de kapitaalstaat, welke de Heer Dijkmans en de Voorzitter en enige leden van de Commissie den spr. verschaften. Op art. 21 (omtrent het personeel) waren door de Heer Treub twee amendementen ingediend, de strekking hebbende, dat de A. O. M. verplicht wordt haar personeel te verzekeren tegen ongelukken en onder goedkeuring van B. en W. voorzieningen treffen in geval van invaliditeit en overlijden; bovendien vroeg hij voor dit personeel een maximum-werktijd, van ten hoogste 60 uren per week en ten minste een vrije dag per week.
Na korte toelichting van de voorsteller, merkte de Heer Daniëls op, dat de inhoud van de amendementen niet voldoende omschreven was — daargelaten nog verschil van opinie —; zo b. v. bepaalde de Heer Treub wel de duur van de arbeidsweek, maar had daaraan niet toegevoegd, dat de werklieden hetzelfde loon als vroeger moesten ontvangen. Dit toch bracht het logische van het voorstel mede.
De Heer Van Nierop zette uiteen waarom de nadere regeling van dit onderwerp in de Commissie aan het overleg van B. en W. en de A. O. M. was overgelaten. Dit was gedaan met het oog op de praktische bezwaren, aan een andere regeling verbonden.
De Voorzitter wees er op, dat deze bepaling een verbeterde was, vergeleken bij die van de oude concessie. Het was een voorwaarde, gesteld door de A. O. M., die had gevraagd: als de gemeente naast, wat zal er dan worden van mijn werklieden? De Heer Treub vergeet, dat volgens de concessie ook uitkering geschiedt als de ongelukken niet in en door de dienst veroorzaakt zijn. Dit is dus een ruimere bepaling dan de Heer Treub wil. De Commissie heeft gemeend, dat de beste regeling was deze, waarvan het gevolg zal zijn, dat de werklieden van de Amsterd. Omnibus Mij. zullen behandeld worden op den voet als die in dienst van de gemeente. Wat de werktijd van 60 uren per week betrof, merkte spr. op, dat vele koetsiers b. v. hun vrije tijd zelfs gaarne doorbrengen in de stallen en bij de paarden. Zal men nu die mensen voortaan de stallen moeten uitzetten? De werktijd, berekent spr., is door elkaar 11 ½ uur per dag, wat hij voor deze tak van bedrijf een niet te zware arbeid noemt. Bovendien: als men hieromtrent voorschriften geeft, moet men ook strafbepalingen er naast stellen, en hiervan ontwikkelde spreker de bezwaren. De Heer Hovy meent mede, dat de werktijd voor het personeel van de A. O. M. te lang is en nodigt B. en W. uit die maatregelen te nemen, welke de werktijd zullen verkorten, wat zal neerkomen op vermeerdering van personeel met 50 pCt.
De Heer Heineken merkt op, dat nu de regeling moet geschieden „in overleg" met B. en W. en niet zal geschieden als dat overleg niet verkregen wordt, spr herinnert, dat de diensttijd van het personeel moet vermeerderd worden met de uren, 's morgens, voor den dienst, aan de schoonmaak der wagens e. d. besteed en ‘s avonds, na afloop van de dienst, aan het opbergen van wagens en paarden. Dit heeft de voorzitter uit het oog verloren.
De heer De Vries zegt het verschil tussen de heer Heineken en de Voorzitter te moeten verklaren hieruit dat de Voorzitter het gemiddelde neemt van de werktijd en de Heer Heineken het uiterste. Beasmbten van de tram, die spr. hieromtrent ondervraagd had zeiden hem, dat zij liever een dubbeltje meer loon dan een uur minder werktijd zouden hebben. Spreker betuigt tenslotte, dat, bij vergelijking van de oude en de nieuwe concessie hieromtrent de vergelijking uitvalt in het voordeel van de nieuwe.De heer Pijnappel vraagt waarom hier staat In overleg met B. en W., en niet, als in soortgelijke gevallen elders in de concessie, „ten genoegen van B. en W.”
De Voorzitter herinnert, dat hij reeds heeft opgemerkt, dat en waarom men de voorkeur heeft gegeven aan een regeling ten genoegen van beide partijen.
De Heer Willeumier betreurt met de heer Heineken, dat deze gewichtige zaak niet anders geregeld is. Hij zou willen voorstellen, dat de voorziening in geval van invaliditeit, ongelukken en overlijden verplichtend zou worden gesteld op dezelfde wijze als geldt voor de gemeentewerklieden. Dit toch, heeft de Voorzitter gezegd, begeren B. en W. en de A. O. M. weet dat. Waarom het dan niet in de concessie neergeschreven? Spr. maakt hier een amendement van. De Heer De Vries zei, dat de A.O.M. de uitdrukking „in overleg" opvat als: „onder goedkeuring van". Nadat de heren Willeumier en Treub hun amendementen nader hadden toegelicht en de Heer Treub zijn eerste amendement (omtrent de verzekering) had ingetrokken, omdat de Voorzitter had verklaard, dat bij niet-overeenstemming de zaak zal worden uitgemaakt door arbiters, werd het tweede amendement-Treub (omtrent den werkduur) in stemming gebracht en verworpen met 28 tegen 3 stemmen. Het amendement-Willeumier werd niet ondersteund.
Een amendement van de Heer Sassen (die de woorden „in overleg met B. en W." wilde doen vervangen door „ten genoegen van B, en W.” werd verworpen 27 tegen 4 stemmen.
„Art. 26. Alle geschillen, omtrent uitlegging of toepassing van deze concessie worden — voor zoveel de beslissing niet is opgedragen aan de Gemeenteraad of aan B. en W. — beslist door drie scheidslieden, als goede mannen in het hoogste ressort naar billijkheid oordelende," gaf de heer Willeumier aanleiding tot de vraag of dit artikel niet enigszins illusoir maakte de bevoegdheid, die in de concessie aan de raad of aan B. en W. is toegestaan. De Heer Mr. De Vries merkte hierover op dat de kwesties van competentie nooit worden beslist door een der partijen, maar door de daarvoor in de concessie aangewezen bevoegden.
Hiermede waren alle artikelen van de concessie behandeld.
De heer Serrurier, Weth. van P. W., deelde mede op een gisteren tot spr. gerichte vraag, dat op de A.O.M. de verplichting rust om al hare gebouwen te doen assureren. Aan de Commissie werd hierna opgedragen dezen eisen in een door haar aan te wijzen artikel van de Concessie te formuleren.
De hele concessie werd daarna aangenomen met 23 tegen 8 stemmen. Vóór stemden de heren Ankersmit, Alting Mees, Dijserinck, J.C. De Vries, Driessen, Daniëlls, Dijkmans, Den Tex, Everwijn Lange, S.W. Josephus Jitta, Korthals Altes, Luden, Pijnappel, Serrurier Ten Brummeler, Van den Wall Cake, W. W. van Lennep, Van Nierop, Vas Visser, Van Eeghen, van Ogtrop en Wüste. Tegen stemden de heren Van Hall, Willeumier, Helneken, Moltzer, Treub, Heemskerk, Sassen en Hovy. Aan de orde kwam thans de volgende motie van den heer Dijkmans: „De Gemeenteraad, in aanmerking nemende dat het gemeentebelang medebrengt te voldoen aan de behoefte aan tramlijnen buiten het rayon van voorkeur van de A. O, M. en met het die maatschappij aansluitende, draagt op aan een commissie bestaande uit zeven leden, waarvan vijf te benoemen door den Raad en twee aan te wijzen door B. en W., om te onderzoeken in hoeverre die behoefte zich uitstrekt en op welke wijze daaraan kan worden voldaan, teneinde daaromtrent aan de Raad van rapport te dienen en voorstellen te doen”.
De Heer Sillem stelde bij amendement voor, dit onderzoek niet op te dragen aan een Raadscommissie, maar aan B. en W, Dit zou de bespoediging van de zaak in de hand werken, meende spr.
De heer Heemskerk meende, dat B. en W. blijkens het verloop van de discussies, uit eigen beweging deze zaak zouden ter hand nemen en dus achtte spr. moties of amendementen overbodig. Het amendement-Sillem (onderzoek aan B. en W.) werd daarop met 18 tegen 15 stemmen aangenomen en de motie aldus gewijzigd aangenomen met 25 tegen 2 stemmen.
Alsdan werd in behandeling gebracht (…….)

2-6-1890
Een dronken man, die met een wisselwachter van de tram in de Beursstraat twist zocht en hem daarna op den grond wierp, is door de politie mee naar het bureau genomen.

3-6-1890
Het personenvervoer der Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij bedroeg gedurende de maand Mei 212,639, tegen Maart 168,991 en April 186,387. De maandelijkse opgaven betreffen alleen de betalende personen, exclusief de geabonneerden.

9-6-1890
Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd de volgende stukken :
No. 306. Voordr. (…….);
No. 307. Id. om de lijn N.Z. Voorburgwal-Leidscheplein der Amsterdamsche Tram-Omnibus-maatschappij in aansluiting te mogen brengen met de lijn N. Z. Voorburgwal—Amsteldijk, waardoor eerstgenoemde zou eindigen op de Stadhouderskade bij het Rijksmuseum en de standplaatsen der omnibussen op het Leidscheplein kwamen te vervallen.

16-6-1890
De Gemeenteraad vergadert aanst. Woensdag, 's namiddags te éen uur, ter behandeling van (o.a.):
No. 307. Wijziging in de lijn der Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatsch. ;
(………)

Ter openbare kennis wordt gebracht, dat op Maandag 16 Juni e. k., des avonds te 10 uren een vuurwerk op de Amstel zal worden ontstoken, waarbij de volgende maatregelen worden bevolen :
(………………)
— e. De standplaats der tramwagens Dam-Amsteldijk is (van 9 uur tot een kwartie na afloop van het vuurwerk) bij de Hemonystraat.
— ƒ. Op de lijn Amstelhotel—Schulpbrug zal het tramverkeer geschorst zijn van 9 uur tot een kwartier na afloop van het vuurwerk;
(……………..)

23-6-1890
Zitting van Vrijdag 20 Juni 1890 ('s nam. 3 uur).
307. Voordr. tot wijziging in zoverre van de vergunning van de Amsterdamsche Tram-Omnibus Maatschappij, dat de lijn N. Z. Voorburgwal—Leidscheplein zal worden veranderd in N. Z. Voorburgwal—Stadhouderskade bij het Rijksmuseum, waardoor de standplaatsen der omnibussen op het Leidscheplein kwamen te vervallen.
Noch bij B. en W. noch bij de Politie bestaat tegen deze wijziging bezwaar. (De voordracht wordt) Goedgekeurd.

24-6-1890
De tramlijn Dam —P. C. Hooftstraat is sinds Zaterdag weer éen geheel. Zij laat de betwiste Hobbemastraat rechts liggen, slingert zich in sïerlijke bocht om de Stadhouderskade en volgt verder de P. C. Hooftstraat in haar gehele lengte. I De lijn is er voor de onderneming niet slechter op geworden; de tram rolt nu een menigte deuren meer dan vroeger voorbij, 't geen aan het aantal passagiers altijd ten goede komt, en overigens zal voor de P.C. Hooftstraters, die voetgangers hadden willen blijven, de gedwongen omweg de verleiding om in de tram te stappen groter maken. Heeft misschien de Heer Wente eigenlijk een vriendendienst aan de A. O. M. willen bewijzen? Waarlijk, de schutting in de Hobbemastraat zal wel niet op verzoek van de A. O. M. opengemaakt worden.

25-6-1890
De Gooische stoomtram heeft, evenals alle andere trams, behalve de betalende passagiers, nog al eens vluchtige passagiers uit de straatjeugd der verschillende plaatsen, die op de wagens springen of daaraan gaan hangen, om kosteloos een eindje mee te roden. Bij de komst van den conducteur gaan de bengels ijlings weg en zij komen doorgaans er goed af. Dat die manier van meerijden echter een gevaarlijke grap is, waartegen niet genoeg gewaarschuwd kan worden, is de vorige week opnieuw gebleken. Een knaap, een conducteurszoon, die op de Oetewalerweg op een der wagens van de voorbijrijdende stoomtram sprong, is daarvan af gevallen, onder de wielen geraakt en overreden. Hij was onmiddellijk dood.

Zondag heeft iemand, die op het Koningsplein van een tramwagen wilde springen, zich zo ernstig bezeerd, dat hij per vigelante naar zijn woning vervoerd moest worden.

26-6-1890
Men zal zich herinneren, dat in de Raadszitting van 23 Mei jl. de Heer Sillem, lid van de Tram-commissie, een betoog hield, tot weerlegging van de laatste brochure (van de heer Sanders). Nu het officieel verslag van die zitting is verschenen, heeft de Heer Sanders tot de Heer Sillem een open brief gericht, waarin de schrijver grote betekenis zegt te hechten aan de „rondborstige verklaring" (van de heer Sillem), dat (Sanders') concessieaanvraag sedert 1887 een volkomen hopeloze taak was, omdat de Gemeenteraad een proces met de A. O. M. niet aandurfde.
Dat is voor schrijver het meest sterke en onomstotelijke bewijs, dat de Tram-commissie slechts in schijn met hem onderhandeld heeft, en dat derhalve al wat in haar rapport over die onderhandelingen geschreven werd van a tot z onwaar is.
De Heer Sillem, lid van de Raadscommissie, heeft dus hiermede verklaard, dat met de A. O. M. slechts, kon onderhandeld worden over de oostelijke en westelijke stadslijnen, dat, zoals ook andere raadsleden gezegd hadden, de voorwaarden, door de A. O. M. gesteld, moesten worden aangenomen, zonder dat zelfs de Gemeenteraad recht van amendement had.
Als men openlijk dit standpunt eerder had bloot gelegd, zou spr. berust hebben. Men heeft evenwel anders gewild, en daardoor staat schrijvers beschuldiging vaster dan ooit, meent hij.
De schr. herinnert verder aan de wijze, waarop door de A. O. M. de onderhandelingen over de aansluiting van de buitenlijnen der combinatie-Sanders met de lijnen der A. O. M. zijn afgebroken. Onverklaarbaar noemt hij het, dat de commissie niet de geringste poging deed om die onderhandelingen te hervatten. Dit had zij moeten doen, als de onderstelling waar was, dat haar die aansluiting voorkwam als zijnde in het gemeentebelang. En indien zij niet zo dacht waarom dan de onderhandelingen voorbereid en begonnen? De schrijver noemt dit een “onwaardige comedie”.
De laster dat schrijvers bedoeling alleen was zich te laten afkopen, brengt hij in herinnering, wijl ook de commissie hieraan geloof heeft geschonken en daarom hare houding des te onverklaarbaarder wordt. Had men hem inlichtingen der wegen gevraagd, dan zou hij dadelijk bereid en in staat zijn geweest, al het lasterlijke der aantijging met bewijzen aan te tonen, evenals schr. dit nog is.
In de concessie der A. O. M. is de aansluiting van de buitenlijnen vastgesteld op een wijze, dat ze in schrijvers stelsel ten enen male niet passen. Of dit voor de leus geschied is of ernstig bedoeld werd, weet schrijver niet, maar in beide gevallen acht hij zich weder dupe van „een dubbelhartigheid, waarvan de ware betekenis nog onbekend is, maar die zeker vroeg of laat tot klaarheid zal komen. Schr. eindigt met te zeggen, dat zijn aanklacht door een weerlegging als die van de heer Sillem niet ontzenuwd is. Hij zal op dergelijke weerleggingen niet meer antwoorden. Bij een aanklacht, zo waar als de zijne, kon slechts recht worden gesproken door het voeren van een regelmatig geding, hetzij voor de gewone rechter of voor een raad van eer. Het staat niet aan schr. zulk een beslissing te verhaasten, die in stilte zal afwachten het vonnis, dat, vroeg of laat, door de openbare mening zal worden geveld.

30-6-1890
D e prijs per rit in geld op de lijnen van de „Amsterdamsche Omnibusmaatschappij" — tot dusver 12½ cent — wordt per 1 Juli a.s. op 10 cents gebracht. De overstapkaartjes blijven voorlopig onveranderd in prijs.

2-7-1890
Gedurende het 2e kwartaal 1890 zijn door de Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij vervoerd: 3,468,930 passagiers, tegen 2,758,259 in hetzelfde tijdvak van 1889. Totaal van 1 Januari af 6,316,532 passagiers, tegen 4,852,719 in het vorige jaar.

4-7-1890
De Amsterdamsche Tram-Omnibus Maatschappij vervoerde in April 186,387, in Mei 212,639 en in Juni 203,374 passagiers, exclusief abonnees en vrijkaarten.

11-7-1890
Zitting van Woensdag 9 Juli 1890 ('s nam. 1 u.) (Vervolg.)
350. Voordr. tot wijziging der richting van een lijn van de Amsterdamsche Tram-Omnibus- Maatschappij. De lijn bepaalt zich tot N.Z. Voorburgwal—Centraal Station—de Ruyterkade—Nieuwmarkt, van welke lijn de eindpunten zullen zijn eenerzijds N. Z. Voorburgwal, anderzijds Nieuwmarkt, ter vervanging van de lijn Gedempte Spui—Centraal-Station.
(Deze voordracht is) Aangenomen.

16-7-1890
Bij de „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij" zijn plannen in overweging en onderhandelingen gaande over het doortrekken van de lijn P. C. Hooftstraat (door de Van Baerlestraat) naar het Wïllemspark. Er bestaat reëel kans, dat men het hierin tot een goed einde zal brengen.
Voorts heeft de Maatschappij een groot terrein voor stallen en remise aan de Rustenburgerstraat nabij de Amsteldijk gekocht, met het oog op de aanleg van een tramlijn Amsteldijk—Sarphatipark—Leidscheplein, of, indien tegen de spoedige inwilliging hiervan bij de gemeente bezwaar mocht bestaan, een omnibusdienst op die lijn.
De weg, door tram of omnibus te nemen, zal zijn als volgt: Amsteldijk, Ceintuurbaan, Sarphatipark, Jan Steenstraat, Ferdinand Bolstraat (of Frans Halsstraat), Stadhouderskade en Leidscheplein. Tijdens bet asfalteren van de Reguliersbreestraat worden de rails aldaar verlegd naar de andere helft van de straat, waaraan pas wordt begonnen als de eerstgenoemde helft is gereed gekomen. Op die wijze zal het tramverkeer geen vertraging ondervinden. Morgen begint men met het werk.

19-7-1890
Intusschen had daar (Spiegelstraat-Keizersgracht) hedenmorgen nog een ongeluk plaats met een tram-omnibus, die bij het afrijden van de sluis over de Keizersgracht in een spiegelruit van Ferwerda en Tieman's depot op de hoek van de Spiegelstraat reed, waardoor die grote ruit verbrijzeld werd. De paarden bleken volstrekt niet gedeerd.

Ter Secretarie zijn ter lezing gelegd de stukken No. 381—407:
(……….)
No. 396. Id. (voordracht) houdende mededeeling, dat het besluit door de Raad op 29 Mei 1890, op voorstel van de commissie uit haar midden, genomen in zake de concessie aan de „Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij," ter kennis van die Maatschappij is gebracht en deze de concessie, zoals deze door de Raad is vastgesteld, aanvaardt.
B. en W. menen, dat de Raad thans in staat is om ook een beslissing te nemen omtrent punt I van het advies der voormelde commissie, luidende als volgt
af te wijzen -. a. het verzoek van A. J. Bos c. s., ter zake van tramaanleg in deze gemeente, — b. het verzoek van T. Sanders c. s., ter zake als voren, —en c. het verzoek van het bestuur der Amsterdamsche Ómnibus-Maatscliappij, ter zake als voren, gedaan bij adres aan de Gemeenteraad van 15 Dec. 1888.
(…………)

26-7-1890
De Gemeenteraad vergadert a.s. Dinsdag 29 Juli (‘s nam. 1 u.) ter behandeling van
396. Besluit omtrent het aangeh. punt I v/h advies der Comm. inzake de aanvragen om Tram-concessie;
414. Wijziging in de Vergunning aan de Naaml. Vennootschap A. C. T. O. M.;

Ter Secretarie zgnter lezing ge legd de stukken No. 414—421:
No. 414. Voordr. van B. en W. tot vergunning aan de naamlooze vennootschap „Amsterdamsche Centraal Tram-Omnibus-Onderneming" tot het openen van twee nieuwe lijnen : Waterlooplein—Handelskade (eindpunt het gebouw voor algemene dienst) en Waterlooplein—Daniël Stalpertstraat, terwijl in een nader adres gevraagd wordt, de laatstbedoelde lijn te verlengen tot de Stadhouderskade bij het Leidscheplein.
Deze vergunning, die een uitbreiding van de bestaande beoogt, kan worden verleend onder dezelfde bepalingen, als bij Raadsbesluit van 20 Nov. 1889 zgn vastgesteld. Kan de Raad zich met dit voorstel verenigen om de gevraagde uitbreiding toe te staan, dan zou art. 1 van genoemd besluit aldus moeten worden gelezen : Het vervoer heeft plaats langs de wegen, door B. en W. aan te wijzen, tussen de navolgende aanvangs- en eindpunten : Waterlooplein—Heerenmarkt; — Waterlooplein— Handelskade ; — Waterlooplein—Stadhouderskade (bij het Leidscheplein). De juiste plaats der aanvangs- en eindpunten zal door de hoofdcommissaris voor de gemeentepolitie, namens B. en W., worden aangewezen. De voorschriften, daaromtrent gegeven, moeten stipt worden nagekomen.

30-7-1890
Gemeenteraad.
Zitting van Dinsdag 29 Juli 1890 (1 u.). Voorzitter Mr. G. van Tienhoven, Burgemeester.
Tegenwoordig bij de aanvang der zitting 20 leden. Afwezig de heren: Ankersmit, Berns, Van Bosse, ten Brummeler, Van Eeghen, Van Hall, Heemskerk, Hovy D. Jitta, S. Jitta, Luden, Mees, Moltzer, Van Nierop, Van Ogtrop, Pijnappel, Sillem, Den Tex, Mr. J. C. de Vries en Willeumier.
Na voorlezing van het gebed en vaststelling der notulen van de vorige vergadering, deed de voorzitter mededeling der navolgende ingekomen, stukken:
(……………………)
Adres van J. Scheuer en R. Rittner Bos, namens de Amsterdamsche Tram-Omnibus maatschappij, verzoekende om aan die vennootschap het recht te verlenen tot het hebben, leggen en exploiteren van tramlijnen, buiten het stadsgedeelte, waarin aan de A. O. M. concessie is verleend, meer speciaal het daarstellen en in exploitatie brengen van eene verbinding van de Amsteldijk met de Haarlemmerweg. (Besluit:) Aan B. en W. tot preadvies.
396. Voordr. om, nu de Amsterdamsche Omnibusmaatschappij de nieuwe concessie heeft aanvaard, omtrent het aangehouden punt I van het advies der Commissie in zake van de aanvragen om tramconcessiën te besluiten:
Af te wijzen:
a. het verzoek van A. J. Bos c.s.; b. van T. Sanders c.s.; ter zake van tramaanleg in deze Gemeente, en c. het verzoek van het Bestuur der A. T. O. M. ter zake als voren.
(Besluit:) Goedgekeurd.
414. Voordr. tot vergunning aan de „Amsterdamsche Centraal Tram-Omnibus-Onderneming" tot het openen van twee nieuwe lijnen: Waterlooplein— Handelskade (eindpunt het gebouw voor algemene dienst) en het Waterlooplein—Daniël Stalpertstraat en die tevens te verlengen tot de Stadhouderskade nabij het Leidscheplein.
(Besluit:) Goegekeurd.

9-8-1890
De Amsterdamsche Tram-Omnibus- Maat schappij vervoerde gedurende de drie laatste maanden 641,537 personen, nl.: in Mei 212,639, Juni 203,374 en Juli 225,524, behalve de abonnementen en vrijkaarten.

12-8-1890
In het Gemeenteblad, afd. 3, zijn opgenomen
Wijziging der bepalingen, waaronder aan de Naaml. Vennootschap Amsterdamsche Centraal Tram-Omnibus- Onderneming voorwaardelijk vergunning is verleend voor een geregelde dienst, en wel: Waterlooplein— Heerenmarkt, Waterlooplein—Handelskade en Waterlooplein—Stadhouderskade (bij het Leidscheplein).

18-8-1890
In ons vorig nummer is abusievelijk bericht, dat de leden van de vergadering der Union Permanente de Tramways een bezoek zouden brengen aan het depot der Amst. Tram-Omnibusmaatschappij. Dit moest zijn de Amsterdamsche Omnibusmaatschappij.

21-8-1890
Op 14 Februari 1.1. werd de eerste steen gelegd van 25 perceelen, aan de Potgieterstraat, de Costakade en Bilderdijkstraat; dit terrein, behorende feit het Van Lennepkwartier, is gunstig gelegen, omdat het door de nieuwen verbindingsweg (gedempte Rozengracht—Kinkerbrug) niet veel meer dan 15 minuten gaans van de Dam verwijderd, en door de ontworpen tramverbinding binnen weinige minuten van daar te bereiken zal zijn. De bouw is thans gedeeltelijk voltooid.

29-8-1890
Bij wijze van proef zullen per 1 september a. s. op al de lijnen der Amsterdamsche Omnibus-Maatschappij retourkaarten à 12½ cts. verkrijgbaar worden gesteld.

5-9-1890
Mijnheer de Redacteur!
Is het niet mogelijk, nu gebleken is dat bij de versperring op de Dam (noodzakelijk door verandering van rij- en voetpaden) de tramwagens der A. O. M. voor dat gedeelte wat de Paleisstraat moet passeren, die plaats voor een blijvende aan te wijzen ? De dienst der A. O. M. ondervindt daardoor zeker geen vertraging en het publiek en vreemdelingen zouden zich zeker getroosten een vijftig meter verder te gaan. De toegang tot onze zoo veel besproken Kalverstraat en Nieuwendijk zou daardoor voor wandelaars en rijtuigen weder geheel onbelemmerd vrij komen, de gevaarlijke hoek tussen Kon. Paleis en Grote Club worden vermeden, en de Paleisstraat een veel vrolijker aanzien bezorgen. Bovendien zou de Dam weer voor een gedeelte ons Damplein worden en de bijnaam van Tramplein voor een groot gedeelte verliezen. Mocht ook in de standplaatsen der tramwagens Centraal-Station, Linnaeusstraat, Rhijnspoor, Frederiksplein een verandering kunnen worden gebracht, dan zou zeker de toegang tot Beursplein en Vischsteeg worden verbeterd, daar genoemde toegangen, vooral des morgens en ook meermalen op de dag, geheel van de Beurs tot aan de Beursstraat zijn afgesloten door tramwagens. Is het niet mogelijk tusschen die standplaatsen een vaste doorgang of vluchtheuvel te maken.
Amsterdam, 3 September 1890. Laurens Janszoon Koster.

6-9-1890
Vervoerde passagiers door de Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij: Juni 203,374, Juli 225,524, Augustus 226,244.
In deze cijfers zijn abonnementen en vrijkaarten niet opgenomen.

De politie legde de hand op een 15-jarige jongen, die op de Marnixstraat met stenen wierp ; een 11-jarige knaap welke een spiegelruit in een tramomnibus had ingeworpen, en een opgeschoten jongeling van 13 jaren, die op de Marnixstraat straatschenderij pleegde.

8-9-1890
Door de Amsterdamsche Omnibus- Maatschappij zijn twee tramwagens, groot model, in dienst gesteld, welke door haarzelve zijn vervaardigd.
De wagens zijn net afgewerkt en lopen zeer zacht. Zij zgn genummerd 192 en 193 en doen dienst op de lijn Dam-Linnaeusstraat.

11-9-1890
Een zevenjarige jongen, die in de St.-Anthoniebreestraat op een tram-omnibus sprong is daar af gevallen en met een der handen onder de wielen geraakt. Dit lichaamsdeel was zoo ernstig gekwetst dat de roekeloze knaap in het gasthuis moest worden opgenomen.

20-9-1890
Gisteren had een vijftienjarige jongen het ongeluk op de Joden-Breestraat te vallen juist toen een tramomnibus passeerde. Dit voertuig reed hem aan, tengevolge waarvan zijn (de knaap) de arm gekneusd werd en hij dit lichaamsdeel in het Binnengasthuis moest laten verbinden.

6-10-1890
De Amsterdamsche Tram-Omnibusmaatschappij vervoerde in de maanden Juli 225,524, Augustus 226,244, September 220,603 personen.

In het Binnen-Gasthuis werden gebracht:
……………………………………..
en een 13-jarige knaap, die op de Weteringschans door een tramwagen werd aangereden en daarbij kneuzingen bekwam aan het linkerscheenbeen.

27-10-1890
Memorie van Beantwoording van het Algemeen Verslag der Afdeelingen van den Gemeenteraad over de Begrooting voor 1891.
(Vervolg.)
Dat de verhoogde raming van die onderhoudspost voor een deel te wijten is aan het beschadigen van het plaveisel door de tram-omnibussen kan, niet worden ontkend. Met vermeerdering van het verkeeï gaat verhoging van onderhoudslast gepaard. B. en W. betwijfelen, met verscheidene leden, of het aanbeveling verdient in de politie-verordening regelen vast te stellen voor het gewicht der voertuigen en de onderlingen afstand en de breedte der wielen.

29-10-1890
Memorie van Beantwoording van het Algemeen Verslag der afdeelingen van den Gemeenteraad over de Begrooting voor 1891.
(Vervolg.)
Eene juiste raming van de opbrengst van de tramconcessie is onmogelijk, zolang behalve de bruto ontvangsten, niet ook de netto winsten bekend zijn. Het percentage toch over de bruto ontvangsten, dat aan de gemeente moet worden uitgekeerd, is van de gemaakte winst afhankelijk.
De raming is hoger dan die van het lopende jaar. B. en W. zien generlei reden om ze nog hoger op te voeren.
Inlichtingen omtrent de dienstregeling van het trampersoneel zijn aan de Amsterdamsche Omnibus- Maatschappij verzocht.
Zoodra B. en W. daartoe in staat zijn, zullen voorstellen ter uitbreiding van het tramnet worden ingediend. Daarbij zal dan tevens het al of niet opleggen van nieuwe lijnen aan de A. O. M. ter sprake worden gebracht.

30-10-1890
GEMEENTERAAD.
(Zitting van Woensdag 29 October ('s nam. 1 u.). Voorzitter: de weth. Driessen. Tegenwoordig bij de aanvang der zitting 21 leden. Afwezig met kennisgeving de h.h. Pijnappel, Moltzer, Van Eeghen. Sassen en Willeumier. Voorts afwezig de hh. Ankersmit, Bake, Heemskerk.
Adres van de Amsterdamsche Omnibus-maatschappij, houdende verzoek om vergunning tot de aanleg en de exploitatie van de navolgende verlengingen van bestaande tramlijnen: a. van de P. C. Hooftstraat, nabij de van Baerlestraat met dubbel spoor door laatstgenoemde straat tot aan de grens der Gemeente ; b. van de Vondelstraat, met dubbel spoor langs de R.K. kerk tot aan de grens der Gemeente in genoemde straat ; c. van de Ceintuurbaan, nabij de Amsteldijk, met dubbel spoor langs de Ceintuurbaan, Sweelinckstraat, Jan Steenstraat, Ferdinand Bolstraat, aansluitende aan de sporen der lijn Amsteldijk—Dam in het verlengde van de Vijzelgracht. (Besluit:) In handen van B. en W. tot preadvies.

3-11-1890
Gemeenteraad, begroting 1891
Bij Hoofdstuk IV (69) Vergoeding van de A. O. M., vraagt de Heer Gerritsen of spoedig zal worden ingediend een voordracht omtrent bet aanleggen van een tram in de nieuwe wijken ?
De Weth. v. P. W., geeft spr. dienaangaande eenige voorlopige inlichtingen. Hij herinnerde dat aan B. en W. was opgedragen een geheel net van tramlijnen in de nieuwe stad te ontwerpen.

5-11-1890
De Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij heeft gedurende October 196,956 passaders vervoerd, zonder abonnements- of vrijkaart.

Gisteravond omstreeks halfnegen is in de Gasthuismolensteeg een knaapje van ongeveer 12 jaren door eigen onvoorzichtigheid door een tramomnibus overreden, tengevolge waarvan zijn rechterarm deerlijk gekwetst werd. De knaap is ter verpleging in het gasthuis opgenomen.

7-11-1890
Een tramkoetsier van de lijn Sarphatistraat is gistermiddag, omstreeks kwart voor drieën, op de Dam, terwijl hij daar met zijn wagen stilstond, door een beroerte overvallen. De ongelukkige werd voor dood in een vigilante weggebracht.

13-11-1890
Hoe dikwerf op de zeer drukke tramlijn Dam-Linnaeusstraat reeds geklaagd is over het oponthoud, veroorzaakt door den spoorwegovergang nabij de Muiderpoort, valt zeker moeilijk te bepalen, dooh nu het ongunstige seizoen is aangebroken en het soms 10 à 12 minuten stilstaan op een zeer tochtige plaats voor de passagiers alles behalve aangenaam is, mag het zeker niet overdreven worden genoemd, op dit ongerief nogmaals de aandacht te vestigen van hen, in wier handen een verandering in dezen toestand, al is het dan ook pas over enige tijd, berust. Dinsdagmiddag, te ongeveer 12 uren stonden aan weerszijden der brug weer 3 tramwagens vol mensen; daar deze wagens om de 5 minuten van de eindpunten vertrekken, is er blijkbaar zeer veel oponthoud veroorzaakt en is zeker menigeen geducht teleurgesteld. De vraag: hoe hierin verbetering te brengen, is zeker moeilijk op te lossen. Voorlopig zou reeds een beperking van de duur der afsluiting een gewenste tegemoetkoming zijn.

GEMEENTERAAD.
(Zitting van Dinsdag 11 November, 's av. 8 uur). Voorzitter : de burgemeester Mr. G. van Tienhoven. Aanwezig 29 leden.
Adres der verenigingen „Buurt YY” en „Jacob van Lennep," waarin zij verzoekt in zake het aanleggen van nieuwe tramlijnen in deze buurten aan de-concessie-aanvraag van de Amst. Tram-Omnïbusdienst de voorkeur te geven boven die van de Amst. Omnibus-Maatschappij. (Besluit:) Te behandelen bij de voordracht.

21-11-1890
Dinsdagmorgen is op de tramlijn Dam—Prins Hendrikkade een ongeluk gebeurd, dat zeer ernstige gevolgen had kunnen hebben. Op de hoogte van de Kweekschool voor de Zeevaart wilde iemand op een wegrijdende tramwagen springen; hij sprong echter mis en geraakte toen beklemd tussen de wagen en een van de bomen, die, vooral op dat gedeelte van deze lijn, zeer dicht bij de rails staan. De man werd ernstig aan de borst en een zijner armen gekneusd. Er is reeds meermalen op gewezen en terecht, dat op enkele gedeelten van de Prins Hendrikkade de rails veel te dicht bij de bomen liggen en dat daardoor grote ongelukken kunnen plaats hebben. Was bij het hier vermelde geval de wagen in volle gang geweest, dan was de passagier, die het ongeluk trof, er zeker niet met enkele kneuzingen afgekomen.

22-11-1890
Woensdagavond verlieten enige min of meer opgewonden jongelieden een tramwagen van de lijn Dam—Sarphatistraat. Zij bedachten zich echter en wilden weer mee, maar intusschen was de tram geheel gevuld met nieuwe passagiers, zoodat zij nu moesten uitstappen. Het geval gaf hun aanleiding om een eind verder, aan het eind der Sarphatistraat, met hun tienen de conducteur op te wachten en af te ranselen, zoodat de man vrij ernstig werd gewond. Een politie-agent, die in de verte getuige was van de heldendaad, slaagde er in twee hunner in bewaring te brengen; de anderen ontkwamen.

28-11-1890
De nieuwste lijn der Amsterdamsche Centraal-Tramomnibus-Mij., Waterlooplein-Ceintuurbaan-Leidscheplein, die 1 Nov. jl., werd geopend, is Dinsdag weer gestaakt, omdat het vervoer onvoldoende bleek.

Door de verschillende eigenaars van het Schapenburgerpad is vóór enige tijd een commissie benoemd waarin zitting verkregen de h.h. Van Niftrik, Schadd en Schneider, en welke een adres heeft gericht aan alle eigenaars, onder wie ook de Gemeente behoort. Wanneer de gezamenlijke eigenaren zich nu verenigen met de voorstellen in het adres der commissie vervat, zal men in onderhandeling treden met het Gemeentebestuur over de verkoop van een gedeelte van het pad ten behoeve van de aanleg der Hobbemastraat en een oprit tussen die straat en het pad. Het bedoelde gedeelte is ongeveer 367 centiaren groot en zal volgens het voorstel worden aangeboden voor een prijs van minstens ƒ 10 per centiare.

4-12-1890
GEMEENTERAAD.
Zitting van Woensdag 3 Dec. 1890 (s nam. 1 uur). Voorzitter. Mr. G. van Tienhoven.
Ingekomen:
(…….)
Id. Adres van C. J. W. Koens c. s., ter ondersteuning van een vroeger, ingediend door de Vereeniging „Algemeen Belang, buurt YY" en „Jacob van Lennep", in zake het geven van de voorkeur aan de Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij bij het verlenen van concessie tot het aanleggen van tramlijnen door en langs de door hen bewoonde stads-gedeelten. In handen van B. En W. ter behandeling bij het preadvies door B. en W. met deze concessie-aanvraag uit te brengen.

10-12-1890
De Amsterdamsche Centraal Tram- Ornnibusniaatschappij heeft de dienst thans op alle lijnen gestaakt. In de volgende week, Maandag 15 en Dinsdag 16 December zullen 11 wagens en 72 paarden der onderneming publiek worden verkooht.

12-12-1890
GEMEENTERAAD.
(Vervolg), Zitting van Woensdag 10 Dec. ('s nam. 1 uur.)
660. Voordr. van B. en W., 1. tot intrekking van de vergunning aan de Amsterdamsche Centraal-Tramomnibusouderneming voor een Tram-Omnibusdienst van het Waterlooplein—Heerenmarkt, Waterlooplein—Handelskade en Waterlooplein—Stadhouderskade (en omgekeerd), en 2. tot teruggave van de waarborg- som, door bedoelde onderneming gestort tot zekerheid van nakoming der haar, bij die vergunning opgelegde verplichtingen. (Besluit:) Goedgekeurd.

16-12-1890
Wederom is een adres bij den Gemeenteraad ingediend, ditmaal door 26 bewoners der Haarlemmerweg, Van Beuningen-, Van Oldenbarneveldt-, Hugo de Groot en 22 andere straten, achter de Nassaukade tussen Haarlemmerweg en Raambarriere, houdende verzoek om aan de Amsterdamsche-Tram-Omnibus Maatschappij de door haar aangevraagde tram-concessie te verlenen.

18-12-1890
De Gemeenteraad zal Zaterdag 20 dezer, des nam. te 1 uur, een vergadering houden. Behandeld zullen worden :
Het adres aan den Gemeenteraad van bewoners uit de omgeving der Nassaukade, waarin verzocht werd voor de aanleg van een tramlijn aldaar concessie te verlenen aan de Amst. Tram-Omnibus Maatschappij, was het vierde van dien aard en ondertekend door 526 belanghebbenden. In 't geheel hebben nu 2834 personen — dat is zo goed als alle bewoners — het verzoek ondersteund.

20-12-1890
De sneeuw, die in de lucht ,,zat", is er voor een gedeelte uitgekomen. Zij ligt nu over onze wegen: de straten, de grachten en op het ijs in deze laatste, waar ze op de een of op de ander al even onwelkom is. De paarden hebben het op vele plaatsen thans hard te verantwoorden, vooral daar waar asfalt ligt, dat zich toch al niet bijzonder in de sympathie van trekdieren en van wie er mede omgaan mag verheugen. Het rijtuigvervoer door de Kalverstraat, Nieuwendijk, Regulierbreestraat enz., is dan ook gestaakt; voerlieden, die er niet volstrekt wezen moeten, kiezen liever overeenkomende wegen. De paarden van de tram moeten bij de teugel over de glibberige Reguliersbreestraat geleid worden of ze vallen herhaaldelijk. De veegwagen rijdt voortdurend de rails langs om de weg zoveel mogelijk van sneeuw te bevrijden.

22-12-1890
GEMEENTERAAD.
Zitting van Zaterdag 20 December (1 uur.)
Voorzitter : de Burgemeester, Mr. G. v. Tienhoven. Tegenwoordig bij de aanvang der zitting 22 leden.
Ingekomen:
(……..)
2°. Adres van J. F. Uittenboogaard c.s., bewoners van het Stadsgedeelte, gelegen tusschen de grens van het Van Lennepkwartier en de Haarlemmerweg, tot ondersteuning van het adres, ingediend door de Vereniging „Algemeen Belang, buurt YY" en „Jacob van Lennep", in zake een te verlenen concessie aan de Amsterdamsche Tram-Omnibus-Maatschappij. Zal behandeld worden bij deze aangelegenheid.

24-12-1890
De koetsiers der Amst. Omn.-Maatsch. die dikwijls zoveel van de koude te verduren hebben, dragen thans allen warme pelskragen, welke hun vanwege de Maatschappij zijn uitgereikt.

Van een der tramwagens op de lijn Dam—Sarphatistraat, heeft de conducteur zich gisteren genoodzaakt gezien een polderjongen, die binnen de wagen bleef roken, daaruit te verwijderen. Dit ging bij veel tegenstand in de beperkte ruimte niet gemakkelijk en veroorzaakte een toneel dat geenszins aangenaam was voor de aanwezige dames. Toen de onwillige eindelijk verwijderd was en de wagen kon voortrijden, vertoonde zich aan de horizon een politie-agent.

 
<< naar intro mediatijdlijn

door naar 1891 >>

Verantwoording en disclaimer:
Cees Pot heeft voor de totstandkoming van deze tijdlijn de database van de website "Historische kranten in beeld" geraadpleegd. Deze website is een initiatief van de Koninklijke Bibliotheek. Deze instantie heeft ons toestemming verleend voor publicatie op deze wijze.

* Soms komen er in de artikelen fouten en onjuistheden voor. Om wille van de authenticiteit is besloten deze ongewijzigd te laten.

laat een berichtje achter

omhoog

 
 

 

Bezoekersteller

eXTReMe Tracker