Amsterdamse tramnummering
Geheugen van de Amsterdamse tram

[terug naar index TRAMS ALLERLEI]

 

Share |

Amsterdamse tramnummering
Deze pagina is in het geheel herzien in februari 2010

Met bijlage in PDF formaat >>
(BIJLAGE IS OP 28 MAART 2010 HERZIEN)
door Cor Fijma

Mijlpaaltjes in Amsterdam; welke was de 250e motorwagen (de 250 dus), de 500e motorwagen (Utrechtenaar 10), de 750e motorwagen (de 752), de 250e bijwagen (de 830); de 500e bijwagen (die is er nooit gekomen).


??-12-1966 - GVB 455, lijn 2, van Baerlestraat (gn)

De motorwagennummering
in de periode 1900-1990 was 1-587 en opnieuw 1-12, 602-841 en 901-920, zodat 859 motorwagens in dienst gesteld zijn. Bovendien zijn drie motorwagens gehuurd geweest (997-999). Wanneer verschijnt de 1000e motorwagen?
Om nummerdoublures met autobussen te vermijden zijn op 31-12-1954 de uit Utrecht afkomstige motorwagens 1-12 vernummerd in 301-312. Deze vernummering had tot gevolg dat de nog aanwezige wagens uit de reeks 301-312 van de serie 301-320 zijn voorzien van een ‘R’ voor het nummer. De ‘R’ stond voor rangeerwagen. Slechts de R302 en R312 zijn feitelijk als zodanig vernummerd. In 1956 waren alle nog aanwezige ‘stoeltjeswagens’ 301-320 gesloopt. Slechts de 307 is gespaard gebleven als museumwagen door in 1954 te vertrekken naar het toenmalige trammuseum te Weert. Onderdelen van de 311 en 319 zijn gebruikt voor de constructie van de slijpwagens SL 2 en SL 3.


28-12-1962 - GVB 475+733, lijn 25, Rivierenlaan
foto Hans de Haan

Verdere vernummering vond plaats van de 25 overgebleven motorwagens van de serie 236-300 die op 1-12-1956 ‘1236-1298’ werden genummerd, de overgebleven ‘Blauwe wagens’ uit de reeks 396-460 die in 1967 ‘1396-1460’ werden genummerd waarbij het tot op de dag van vandaag niet duidelijk is of de 396 echt ‘1396’ is geworden, de overgebleven ‘Blauwe wagens’ uit de reeks 463-475 die hun nummers in 1968 verhoogd zagen met ‘400’ zodat de 863-875 ontstonden (echter niet 466, 471 en 472 die toen al werkwagens waren geworden als resp. P20, P18 en P19), de drieassers 491-550 die in 1968 891-950 zijn genummerd en de enkelgelede motorwagens 552-587 die in 1973 zijn verbouwd tot dubbelgelede wagens met de nummers 852-887. Opmerkelijk is de vernummeringshistorie van de enkelgelede wagen 551 die reeds in 1958 was ‘verdubbeld’, in 1959 het nummer 601 kreeg, in 1973 opnieuw 551 werd genummerd om tenslotte met zijn soortgenoten 552-587 te promoveren tot 851-887! Nog is hiermee het vernummeringsverhaal niet ten einde aangezien de luchtwagen 767 die in 2003 tot ‘Rode-Kruistram’ is verbouwd als enige overlevende – afgezien van de museumwagens 734 en 776 - van de serie 725-779 het nummer 3001 kreeg.


 
de enige nog bestaande Amsterdamse paardentram de AOM 64 op de Vrijheidslaan 20 september 1975 tijdens de tijdens het tramjubileum.
foto Hans de Haan

Met de komst van de Combino’s heeft het GVB kennelijk afscheid genomen van de gewoonte de wagens doorlopend te nummeren. Thans zijn er duizend- en honderdtallen; de Combino’s 2001-2151 (eenrichtingwagens), 2201-2204 (tweerichtingwagens) en 3001 (Rode-Kruistram). De thans (2005) nog in dienst zijnde ‘oude’ gelede trams zijn nog steeds genummerd 780-816, 817-841 en 901-920. Ook in het verleden is soms afgeweken van het doorlopend nummeren: in 1959 begon men dubbelgelede wagens te nummeren 601 en hoger en in 1989 kwamen de tweerichtingwagens 901-920.
De vraag welke de 1000e motorwagen is, is inmiddels beantwoord. Het is de 2137 die in 2004 in dienst gekomen is.


09-05-1960 - GVB 1000+508, lijn 9, Rokin

De bijwagennummering
was 401-420 I, 401-500 en 701-1000. Er zijn dus 420 nieuwe bijwagens in dienst gesteld maar gaandeweg zijn 65 stuks tot motorwagens verbouwd (401-420 I, 901-930, 701-707 en 709-716). Voormalige paardentrams die elektrische bijwagen zijn geworden behielden aanvankelijk hun nummers in de reeks 1-269. In de periode 1912-1918 werden de toen nog aanwezige exemplaren vernummerd in 501 en hoger (zie de bijlage). Volgens een gewijzigd vernummeringsplan als gevolg van sloop van wagens verschenen slechts de wagens 501-562, 566-600 nadat de wagens die 563 en hoger zouden zijn genummerd, deels wel en deels niet vernummerd, spoedig zijn afgevoerd. Het nummer 563 bleek in 1950 – bij de komst van bijwagen 1000 – het enige nummer uit de reeks 1-1000 te zijn dat nimmer gebruikt is. Maar gelukkig verscheen in 1957 de gelede motorwagen 563. Sinds het afdanken van de drieassers in de beginjaren tachtig komen geen bijwagens meer voor.

Ook bij de bijwagens is er vernummerd
In de eerste plaats de voormalige paardentramwagens zoals hierboven beschreven. Bijwagens die motorwagen zijn geworden kregen op die grond een nieuw nummer: zo werden de 401-420 I, nog bijwagens zijnde, vernummerd in 301-320, de 901-930 in 446-475 en de 701-716 (niet 708) in 476-490. De 708 die bijwagen bleef kreeg het nummer 716. De vernummering van de 901-930 en 701-716 geschiedde niet op nummervolgorde (zie de bijlage).
De bijwagens 401-500 die in dienst kwamen in de beginjaren tien, kregen reeds in 1916 de nummers 601-700 waarbij de open wagens 453-470 de nummers 601-618 ontvingen en de overige 619-700. Toen na 1945 grote gaten waren gevallen in de serie 619-700 ontvingen de wagens genummerd 649 en hoger, voorzover nog voor de dienst nodig, opengevallen nummers in de reeks 619-648. Zo is, bijvoorbeeld, de 695 vernummerd in 622. Van dit type wagens – ‘typewagens’ genoemd zijn de 663 en 679 bewaard gebleven; de 663 die in de jaren 1940-1948 als NZH B32 in Haarlem heeft gereden en de 679 dankzij ‘Tante Rie’ die de wagen gebruikte als zomerhuisje aan het Kinselmeer. De restauratie van de 663 is in 2009 gereed gekomen. De 679 staat nog zijn lot af te wachten. Van de verlengde typewagens die in 1958 zijn gesloopt, bestaat helaas geen exemplaar meer.
Bijwagen 721 uit de serie 701-880 zag in 1968 zijn nummer gekaapt door de gelede motorwagen 721 en werd toen genummerd 776. Omdat ook de te slopen bijwagen 776 nog bestond kreeg deze het nummer 779 en is terstond als ‘779’ gesloopt. Kort daarop zijn de tien resterende bijwagens uit de serie 701-880 vernummerd in 876-885. Zij hebben niet meer in de normale dienst gereden. De ‘876’ is thans (2005) museumbijwagen onder zijn oorspronkelijke nummer 721 en de ‘882’ is dat als 792. Bijwagen ‘880’ is museumwagen 757 in het Duitse trammuseum te Wehmingen.
In de laatste fase van hun bestaan is er ook gerommeld met de nummering van de drieassige bijwagens 951-1000: 966 en 984 hebben van nummer gewisseld.


??-09-1967    GVB 534+995, reserve voor lijn 17, remise Havenstraat

Tenslotte de ‘werkwagens’.
Tenslotte de ‘werkwagens’. Zij hadden ooit een nummering met een letter: ‘P’ stond, bijvoorbeeld, voor ‘pekelwagen’, ‘R’ voor ‘rangeerwagen’ en ‘Rr’ voor ‘railreinigwagen’. Er zijn ook wel ongenummerde werkwagens geweest zoals de ‘huisjestram’, een platte wagen getrokken door een motorwagen die werd gebruikt voor het aan- en afvoeren van conducteurshuisjes naar en van het Stadionplein bij massaal vervoer bij stadionwedstrijden. Ook waren er werkwagens met een nummer maar zonder letter, zoals de goederenwagen GTr. 2. Toch letters? Nee, want GTr. staat voor ‘Gemeentetram’. In de jaren tachtig – ten tijde van de invoering van VE(hicle)TAG(ging) kregen alle werkwagens een H-nummer. Zo werden de P1-P20 vernuumerd in H31-H50 en de R1 in H1. Thans (2005) bestaan vrijwel geen werkwagens meer. Opmerkelijk is de loopbaan van pekelwagen P17 die van motorwagen 330 in 1918 via P17 en H47 is geëvolueerd naar dieseltrekker 330 op de Amsterdamse museumlijn!

p20.jpg (54735 bytes)
zomer 1966 - GVB P20, inbouw pekeltank, CW Tollensstraat

Zoveel is nu wel zeker
dat bijwagen 1000 die in 1950 verscheen NIET de duizendste tramwagen was die het GVB ontving, hoewel de GVB-website het tegendeel beweert.

Bijlage
Lijst van de paardentrams die in 1900 bij de Gemeentetram in dienst kwamen met opgave van – indien van toepassing – hun vernummering en verdere bestemming
Met bijlage in PDF formaat >>

(BIJLAGE IS OP 28 MAART 2010 HERZIEN)

Bronnen

  • ‘Het lot van de Amsterdamse paardentrams’, H.J.A. Duparc in “Op de rails’, jrg. 1960, nr. 1
  • ‘De eerste 600 en zijn soortgenoten’, H.J.A. Duparc in ‘Tram’, nr. 42, 1990 mei
  • ‘De Amsterdamse tram in het verleden en heden’, J. Deijs, Alkenreeks nr. 149, Alkmaar, z.j.
  • Beknopt overzicht van de Nederlandse spoor- en tramwegbedrijven, ir. J.W. Sluiter, Leiden, 1961

Cor Fijma - corfijma@amsterdamsetrams.nl   
 

Foto's Hans de Haan

 

[terug naar index TRAMS ALLERLEI]

laat een berichtje achter

omhoog

 

eXTReMe Tracker